De Achtkastelenroute van Vorden (36 km)

Een rondgang langs voornamelijk landgoederen en buitenhuizen

De Achtkastelenroute van Vorden bevat bij mijn weten maar één kasteel waar echt door ridders werd gevochten. Ik voel geen reden om daar ironisch over te doen. Het zit alleen maar in mijn hoofd dat het bij een kasteel om een bouwwerk moet gaan dat ooit onder middeleeuwse omstandigheden is verdedigd door en tegen geharnaste mannen van onberispelijk, want nobel, gedrag.

Waarom zou je een jonger gebouw niet ook kasteel noemen? Als de vorm van een kasteel er helemaal inzit? Misschien had ik wat meer slotgrachten en ophaalbruggen verwacht. Enkele van de kastelen op de route hebben die ook. Maar de functie lijkt nogal kosmetisch. Zijn dit ooit militaire bouwwerken geweest?

Kunstenares Carin Unverzagt, die ik zeker voor jonkvrouw zou hebben versleten in mijn vroegere jaren, deed mij, voor mijn verjaardag, een werk cadeau van haar hand. Het stelt een ridder voor die mij – het zijn haar woorden – ‘in zekere zin best typeert’. Hij heeft een ‘borstelschild’ in zijn handen. (Ik mocht zelf een titel verzinnen.)

Tegenwoordig verkoopt men ‘landgoederen’ die op een stukje grond staan ter grootte van een postzegel. Makelaars adverteren met termen die gewoon niet kloppen. Vaak heeft dat meer met de omgeving te maken dan met het onderkomen zelf. Een ‘villa in het groen’ bevindt zich meestal aan de rand van een bosje dat geen naam mag hebben.

Deze kastelen, tja, wat moet ik er van zeggen? Kasteel Hackfort is grotendeels verwoest door Spaanse troepen in 1586 tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Lang na de riddertijd dus. Daarvóór heeft er geen ridderlijke interactie van betekenis plaatsgevonden.

Kastelen De Wiersse, ’t Medler en Onstein zijn meer buitenplaatsen. Kasteel De Kieftskamp stamt echt niet uit de Middeleeuwen. Kasteel Den Bramel werd in z’n hedendaagse vorm in omstreeks 1725 op de ruïnes gebouwd van iets dat ook al geen kasteel mocht heten. Geen van de gebouwen heeft een ridderlijk verleden.

Kasteel De Wildenborch stamt uit 1372 en was daadwerkelijk in het bezit van een ridder. Had deze Sweder Rodebaert zich maar edelmoedig cq. ridderlijk gedragen, maar hij staat bekend als een roofridder. Een ordinaire crimineel dus die z’n gestolen waar in een kluis moest onderbrengen. Dat werd een burcht in de moerassen.

Dan is er nog Kasteel Vorden. Hoewel omgebouwd tot landhuis in de 19de eeuw, lijkt dit bouwwerk daadwerkelijk te kunnen bogen op een verleden als kasteel met een defensieve functie. Neem de respectabele leeftijd. Neem het ooit ommuurde voorplein en de ophaalbrug. Maar van riddergevechten met strijdbijlen, kruisbogen, hellebaarden, langbogen en morgensterren is helaas ook nu weer niets in de annalen terug te vinden.

Misschien had ik me als kind niet zo moeten fixeren op middeleeuwse oorlogsvoering. Ik wilde altijd ridder zijn als mijn vriendjes cowboytje speelden. Floris, Ivanhoe, Robin Hood of Thierry de slingeraar, ik droomde ervan om in toernooien te bewijzen hoe moedig, eerlijk en rechtvaardig ik was. Misschien had ik me in mijn pubertijd minder bezig moeten houden met computerspelletjes als ‘Age of Chivalry’ en andere ‘Armor Games’. Dan had ik me wellicht ook minder Don Quichotterig gedragen tegenover zogenaamde jonkvrouwen in mijn adolescentie. Ik begrijp het nu: er is te laat een einde gekomen aan mijn fixatie op de riddertijd.

Ik nam ooit deel aan een rondleiding in kasteel Haarzuilens. Er liep alleen een bus bejaarden mee uit Geertruidenberg. Na een kwartier voegde zich één verlate Fransman bij de groep. De gids schakelde, speciaal voor hem, meteen over op het Engels. De vreemdeling toonde geen dankbaarheid voor deze gastvrije aanpassing. Hij produceerde sisklanken bij ieder jaartal dat viel. Later begreep ik dat hij badinerend deed over de schrikbarend jonge leeftijd van de burcht. Haha, nee in Frankrijk hadden ze pas kastelen!

Ik zal mij niet op eenzelfde wijze lollig maken om de eerder genoemde gebouwen. Ik vond ze prachtig, dat lijkt me het belangrijkst. En bovendien: noblesse oblige. Ik heb iets ridderlijks in me dat heel ver teruggaat. Ik denk tot aan de tijd van mijn eerste ridderpak.

Anders mooi is ook niet lelijk

‘Pantha Rei’ in luxe zijtakken van het IJ.

We waren erg gecharmeerd van hoe het was maar moeten bekennen dat de nieuwe buurt ook iets heeft. Nou ja, op het ‘Miljoenengebouw’ na dan, waar horeca-ondernemer Won Yip een penthouse kocht. Te hoog voor Amsterdam, en misschien ook te hoekig. Meneer Yip verkocht alweer een deel van zijn 1440 m² aan Marcel Boekhoorn, die zelf het noodlijdende HEMA van de hand deed. Zo nam iedereen afscheid van iets.

De rest van de wijk is lager maar even ‘loeistrak’, ‘ritmisch’ en ‘zorgvuldig’, zoals de Volkskrant recenseerde. Als alles klaar is, keert overal het water terug in deze Westelijke havens. Weer een stukje Venetië van het Noorden erbij? Nou nee, daarvoor is het toch iets te symmetrisch allemaal. Is dat erg? Ach, het Prinseneiland ligt op loopafstand.

Op deze ingetekende foto is het zand in de insteekhavens al verwijderd. De Silodam valt links net buiten beeld. Het Pontsteigergebouw (bijgenaamd ‘Miljoenengebouw) was het eerste grote project in de Houhavens dat de aandacht trok.

In de oude Houthavens, waar de stad wegkalfde in wat laatste bedrijfjes, konden we een paar jaar geleden nog op een strandje liggen aan het IJ. Geen echt strand natuurlijk. Meer een tijdelijk met rust gelaten zandvlakte – strand West genaamd – dat even wildernis mocht zijn, net als de rest van de nog onbebouwde vlakte. Dit ‘niemandsland’ tussen de Spaarndammerbuurt en het IJ kreeg tijdelijk bestaansrecht omdat metselbazen de crisis uitzaten. Ook de woningmarkt lag hier dus op z’n gat.

Dat vond de natuur niet erg. Het gebied bevatte een verrassend gevarieerde hoeveelheid dieren- en plantensoorten, zoals de stadsecoloog en een journaliste van AT5 in een reportage lieten zien. Wij waren waarschijnlijk te luidruchtig; wij zagen nooit een vos of een steenmarter. Het is hier nooit stil geweest, wel woest en avontuurlijk.

Vervoer van hout vond na de oorlog veel minder over water plaats, zodat de gemeente besloot om de insteekhavens te dempen. In 1998 sloot de schippersbeurs die was gevestigd in De Bonte Zwaan. Daarmee verdwenen ook een winkel, een kinderopvang en een kleuterschool. Het drijvend kantoorschip werd verplaatst naar de Haparandadam en diende daar als expositie- en werkruimte voor kunstenaars. Pont 13 aan de overkant ging dienst doen als bar/restaurant. In het afgemeerde schip Rochdale One aan de Stavangerweg mochten tijdelijk studenten wonen.

De Silodam is een lange strekdam die aan de oostgrens van de Oude Houthaven uitsteekt in het IJ. Hier zag je al snel waar het in het hele Westelijk havengebied naar toe zou gaan. De Stenen Silo en de Betonnen Silo, waarin men vroeger graan opsloeg, werden omgevormd tot luxe appartementengebouwen. Het Pontsteigergebouw was het eerste grote project dat daarna de aandacht trok.

Natuurlijk lieten projectontwikkelaars lang geleden hun ogen vallen op de kavels langs de kades van het IJ. Als er in 2008 geen kredietcrisis was ontstaan hadden de bulldozers en graafmachines deze droomlocatie allang geprepareerd voor nieuwbouwwijken. Dat is nu toch gebeurd, en de werkzaamheden – nieuwe crisis of niet – stoppen ditmaal voor niets of niemand. Vooralsnog kunnen we, tussen de bouwpercelen, in het tijdelijke zand van de gedempte invaarten, nog bloemetjes plukken. Maar het soort van natuur dat stadsecologen en andere natuurminnaars hier gelukkig maakte, is voorgoed geweken.

Een zondag in de houthavens

Hekgolf en hekhulp

‘Zullen we bootjes gaan kijken?’ vroeg ik.
‘Is goed’ zei M. ‘bij jou of bij mij?’
Het werd ‘Het Schip’, de Houthavens, Rem-eiland, want Rotterdam
verzette mijn zinnen naar de volgende bladzij.
‘Geboortegrond zegt niets’ beweerde ik, en sprong.
Maar die neus van Pinokkio, daar kon ik dus niet bij.
De dag verging in aangenaam gekabbel. Twee oude
slepertjes. Een zondag aan haar (z)IJ.

Lukrake sterren in een lukraak verband

Mijn valse uitvoering van de notenkrakersuite.

Op het eerste verjaardagsfeestje van mijn geliefde gedroeg ik mij voorbeeldig. Er waren twee redenen. Eén: ik raakte geïntimideerd door de vele onbekenden, waarover ik veel goeds had gehoord. En Twee: ik wilde een fantastische indruk achterlaten.

Op het volgende partijtje was ik minder voorkomend. Ons extra jaar samen had mij geleerd dat al die intimi van haar inderdaad heel innemend waren, maar dat velen van hen, net als zij, in astrologie geloofden. Zo ontving ze bijvoorbeeld drie cadeaus die verband hielden met haar bestaan als steenbok.

Verder was er een familielid dat met een amulet aankwam dat speciaal voor haar was ingestraald. Van een vriendin uit haar studententijd kreeg ze een tegoedbon voor een sessie bij een handlezeres. Al met al bevond ik mij in een gezelschap van goedgelovigen, om het eufemistisch te zeggen. Net als in het voorgaande jaar werd er meer beweerd dan bewezen. Ditmaal voelde ik een lichte weerstand.

Voorbeeld van een cadeau dat je aan een steenbok kunt geven. Maar je kunt het ook laten!

Deze nam de vorm aan van regelrechte irritatie toen men informeerde naar mijn sterrenbeeld en ascendant. Ik had graag geclaimd dat ik dat niet wist, maar dat zou een leugen zijn. Een mens komt in zijn leven veel amateur-astrologen tegen (het pleonasme bedoel ik ironisch) die aan de hand van je sterrenbeeld bewijzen wie je bent. Omdat je niet altijd een spelbreker wilt zijn, noem je je geboortedatum en het uur van baring en hop, daar schuift de la vol platitudes voor je open.

Soms onderga ik lariekoek gelaten en is het me genoeg dat de aandacht in ieder geval naar mij uitgaat. Eén goed en één belachelijk onderwerp, wat maakt het uit, je streept ze als het ware tegen elkaar weg en neemt nog een wijntje.

Ditmaal werd er echter beweerd – door iemand met een heel bijzonder plekje in het hart van mijn vriendin – dat een steenbok en een maagd niet samengaan. Andere aanwezigen bevestigden dat zo’n relatie een enorme uitdaging is. Eén iemand gooide de astrologische handdoek voor mij helemaal in de ring. Welke relatie met welk ander sterrenbeeld dan ook scheen gedoemd te mislukken. Maagden konden eigenlijk alleen maar met zichzelf leven. Helaas was er geen virgo voorradig om mijn positie te verdedigen.

Ik vond het toen tijd worden om voor mezelf te pleiten en een kleine maar astronomische uitleg te verstrekken omtrent de astrologie. Zonder degelijke voorbereiding, eerder gebruikte argumenten, getuigen à charge of bewijsstukken stond mij eigenlijk alleen een net met walnoten ter beschikking, dat in de fruitschaal voor me lag. Je wilt toehoorders die aantoonbaar ongevoelig zijn voor logisch redeneren iets tastbaars geven, laten we zeggen: iets waarover ze – ‘no pun intended’ – hun hersens kunnen kraken.

Met de walnoten trachtte ik een sterrenhemel tot leven te wekken. Of, om precies te zijn – want het heelal is onmetelijk – zo ongeveer dat gedeelte van het universum dat de sterren omvat waaruit het teken virgo is opgebouwd. Uit hoeveel sterren bestaat dit teken van de dierenriem? Dat wist ik niet en niemand kon het me vertellen, maar laten we zeggen, zo begon ik mijn betoog, dat dit er negen zijn.

Ik legde de eerste walnoot voor mij op de grond. De tweede virgozon gaf ik in handen van degene die het verst van mij vandaan zat. De derde ging naar een denkbeeldig iemand die buiten aan de overkant van het westerdok stond (ik bevond mij in Amsterdam met mijn gezicht naar het westen), de vierde naar een plek in Halfweg, de vijfde behoorde Haarlem toe en de volgende noten nog veel verdere oorden. Eén zon – in mijn tot aardse proporties teruggebrachte overzicht – liet zijn vuren vanuit Engeland vlammen.

Het ging er niet om dat de sterren zich in werkelijkheid op exact die afstanden bevonden, wel dat ze ver van elkaar waren verwijderd en dat alleen wij aardbewoners ze in die speciale constellatie bij elkaar zagen, omdat we er vanaf een specifiek punt in de ruimte naar keken.

Hoe kunnen sterren die duizenden lichtjaren van elkaar vandaan staan samen een geheel vormen en invloed uitoefenen op onze karakters? Een ruimtereiziger die vanaf een hele andere kant in het heelal naar die lichten keek, zou in de verste verte geen verband ontwaren. Geloven dat er een connectie bestond had eerder iets doms dan diepzinnigs. Het was het gevolg van een eenzijdige en benepen manier van kijken. Laten we zeggen een kokervisie, maar helaas niet door de reflector van een krachtige telescoop.

Ik meende dat ik dit zeer inzichtelijk had uitgelegd. De betweter in mij kan soms verdwijnen in een monoloog totdat ik de bittere conclusie van mijn exegese heb bereikt. Toen ik ontwaakte uit de geldigheid van mijn gelijk was het doodstil geworden. Alsof ik mij had losgemaakt van het ruimteschip aarde en ergens in de onmetelijke ruimte zweefde.

Wij doopten haar ‘Tobber’

Een bootje dat haar naam eer aandeed.

Ook de HISWA Amsterdam Boat Show gaat niet door dit jaar. Ik geloof dat ‘the place to be ter voorbereiding op het nieuwe vaarseizoen’ zelfs voor altijd is opgeheven. Ik heb het evenement wel vier keer bijgewoond in mijn leven. Door financieel gesjoemel had mijn vader wat geld over. Zodoende vonden hij en mijn moeder dat het tijd werd voor hun eerste eigen boot.

Dat vond de verkoper van de Doerak ook. En de vertegenwoordiger van de Kilkruiser werd er al even vriendelijk van. Alle bouwers van motorbootjes waar mijn ouders hun blik op lieten vallen nodigden ons van harte uit voor een kijkje in het ruim. Die benaming is een schromelijke overdrijving. Boten zijn van binnen net caravans, alleen lopen ze aan de voorkant uit in een punt zodat er daar nog minder ruimte overblijft om comfortabel te slapen. Tenminste, als je het hebt over boten in de prijsklasse waarin mijn ouders er één zochten.

De Kilkruiser, een omgekeerde notendop.

Welkom zeiden de verkoopkapiteins van de showroommodellen. Nog volkomen onervaren met al de opstapjes en afstapjes klauterden we als drenkelingen het dek op. “Ja, alles lijkt misschien een beetje krap” zei de aardige meneer “maar ik zou het eerder functioneel noemen. En je leeft op het water hè, je krijgt de hele plas er gratis bij. Je leeft met een boot sowieso meer buiten dan binnen.”

Mijn zus en ik konden niets met verkooppraatjes en commercieel geslijm. Wij vulden onze plastic tasjes met folders en ander reclamemateriaal. Alles wat mijn zus meenam, griste ik, in haar kielzog, ook weg, zodat we thuis alles dubbel hadden en de helft van de papieren promotie meteen in de pedaalemmer verdween. Stickers kon je echter nooit teveel hebben. Die vond je, lang na dato, dan ook overal in huis terug. Maakte niet uit wat er op stond, dat ze kleefden was aantrekkelijk genoeg.

Wat ons schip betreft: mijn moeder wilde een Doerak. Dat was een stoere jongen waarmee je eventueel ook op zee kon. Mijn vader telde zijn knopen en besloot dat het een Kilkruiser werd. Dat was meer een omgekeerde notendop die erg hoog op het water lag en dus met alle winden meevoer.

Toen moest er nog een naam voor onze nieuwe ‘trots’ worden verzonnen. Ik dacht aan ‘Sjoemelaar’ maar ditmaal kreeg mijn moeder haar zin. Het werd ‘Tobber’, afgeleid van dobber omdat mijn vader viste. Tobber bleek een goede aanduiding, verzonnen door iemand met een vooruitziende blik.

Vergeet het, ik ben geen fotograaf

Altijd te laat, zelfs voor een snapshot.

Ik had het geluid niet thuis kunnen brengen als mijn huis niet was gefotografeerd door de overbuurvrouw. Zij stuurde mij een getuigenverslag van een bescheiden, maar tevredenstemmende, gebeurtenis die plaats vond op mijn dak. Er was daar een ooievaar neergestreken die ik niet met eigen ogen kon waarnemen omdat ik nu eenmaal binnen zat en onder precies dat dak leefde dat de buurvrouw in beeld had gebracht. Dankzij de foto kon ik de vogel echter bijna in real time zien. En even later klonk er dus geklepper. Toen was het plaatje compleet.

Dieren poseren niet, zoals wij weten, maar als wij ons stil houden en afstand bewaren, bieden zij ons zo’n zelfde soort vrede voor een prachtig shot. Hoe zeldzamer het dier, hoe zenuwachtiger ik doorgaans word. De telelens en het camouflagetentje zouden enorme diensten kunnen bewijzen. Maar zoveel heb ik er niet voor over. Het moet wel op m’n smartphone passen, anders vliegen ze maar op.

Oeps. Te Laat. Dat bedoel ik dus.

Alles wat blijft zitten voor mijn lens is eigenlijk de moeite van het fotograferen niet waard. Vroeger bezat ik een hele verzameling niet unieke natuurmomenten. Goed doorvoede huiskatten, gekooide paradijsvogels, leeuwen en zebra’s in keurig gescheiden panoramalandschappen, varanen achter glas.

Ik woonde met een vriendin en haar twee katten in een appartement op steenworp afstand van Blijdorp. We hadden een abonnement op de diergaarde. Ik heb Bokito nog ‘gevangen’ voordat hij de overstap waagde van zijn kunstmatige eiland naar een maffe dame die met hem stond te flirten. Eigenlijk had ik deze interactie moeten filmen en niet slechts een verveelde ‘zilverrug’ te midden van de rest van zijn gorillafamilie.

Weten wanneer je moet schieten, dat onderscheidt de fotograaf van de beller met een toestel annex camera. Op de één of andere manier ben ik altijd te laat met mijn snapshots. Laatst liep ik tegen een steenmarter aan die met een prooi in zijn bek tegen een boom opklauterde, naar een holte op zo’n vier meter hoogte. Hij moest nog een aardige afstand afleggen, toen ik hem betrapte.

Hij kon zich eigenlijk niet goed voor mij uit de voeten maken. De zwaarte van de buit – ik geloof dat het een egel was – bemoeilijkte zijn klimtocht. De marter verraadde zijn schuilplaats en misschien wel een nest vol met jongen, maar hij moest nu wel door, dat begreep ik. Je laat dat kostbare voedsel niet uit je bek vallen als je bijna bij je eindbestemming bent. Er wachtten hem knorrende magen.

Hij gaf me de tijd, maar ik had mijn toestel niet paraat. Ik drukte op een knop en belandde in WhatsApp. Voordat ik goed en wel kon filmen, was de gebeurtenis geen unicum meer. Anderen vangen hun zeldzame momenten altijd beter. Gelukkig heb ik vrienden en kennissen die hun hoofd wel koelhouden in spannende situaties. Zij schijnen door het leven te gaan met hun camera’s in voortdurende aanslag, want zij missen geen enkel waardevol moment.

Ik ben ongeschikt voor uniekheid. Als ik doordrongen raak van de niet alledaagsheid van een tafereel, komt er iets trillerigs over mij, wat zelfs een amateurfotograaf zich niet kan permitteren. Ik laat het vereeuwigen dus maar aan anderen over. Wat bij mij in beeld komt, staat alleen nog stil voor het geheugen.

Van Bilthoven naar Utrecht

NS wandeling Beukenburg

Sommige NS-wandelingen hebben slechte papieren. Ik bedoel dat als je op de kaart kijkt je niet veel natuur kunt ontwaren. Je ziet vooral veel wegen, spoorlijnen en bebouwing. Ik had vooraf een heel hard hoofd in deze route. Wat schetst mijn verbazing: de tocht van Bilthoven naar Utrecht bleek behoorlijk groen. Onderweg was niet alles even mooi maar de fotograaf wordt natuurlijk ook een dagje ouder. Loopt u even met ons mee?

Meneer Boeke was een mafkees die geen schoolbelasting wilde betalen en daarom zijn kinderen van het Montessori haalde. Dan maar zelf voor hoofdmeester spelen. Zijn initiatief liep een beetje uit de hand en voor hij het wist was hij de grondlegger van een eigen school met een eigen onderwijsmethode. ‘Samenwerken, leren en creëren’ werd het motto. Hij noemde zijn initiatief de ‘Werkplaats Kindergemeenschap’. Er werd ‘gewerkt’ met hoofd, hart en handen.

Ook de Oranjeprinsesjes Beatrix en haar zusjes bezochten de Kees Boekeschool. De meiskes waren naar verluid geen bolleboosjes. Hun gedachten dwaalden vaak weg. Op zulke momenten zaten ze een beetje naar buiten te staren (nou ja, op die ene na dan). Dagdromen was op deze school geen probleem. Net als ome Kees deden ook deze (niet leer- maar wel gierige) adelijke dombloedjes later niet aan belasting. Jong geleerd, oud misdaan. (Op de foto: Prinses Irene voor het raam)

Op het Verloren Kerkhof werden sinds 1874 zwervers, zelfmoordenaars en verschoppelingen begraven. Want wee oh wee als die ellendelingen in contact zouden komen met de normale Nederlandsch Hervormde doden. In de Tweede Wereldoorlog kwamen er enkele Joodse onderduikers bij. Die pasten mooi in het rijtje onplaatsbaren. Zoals dat wel vaker gaat met geschiedkundige schandvlekjes worden zulke plekjes later monumenten.

Na enkele kleinstedelijke obstakels konden we eindelijk onze tanden zetten in natuurgebieden ‘De Leyen’ en ‘Landgoed Beukenburg’.

We laten de fotograaf even rustig zijn gang gaan. Ja hoor, prachtig Peter. Maak je me wakker zodra je klaar bent?

Zoveel leesvoer onderweg. Dat maakt deze wandeling ook geschikt voor leesclubjes.

Leuk apparaat. Helaas waren toen wij langskwamen net de kogels op.

Voor dit soort van koorddansen is een zwemdiploma belangrijker dan evenwicht.

Peter wilde ‘koet que koet’ deze foto nemen.

In de jaren ’40-’45 raakte ‘een tweede huis in het buitenland’ opeens erg in zwang bij de oosterburen.

Door een handig stelsel van geluidswalletjes, scheidingswandjes, bruggetjes en onderdoorgangen loop je in een schijn van schoonheid zo de schone schijn in.

Weet je wat, we doen nog een stukje literatuur.

Hee wat leuk, een informatiebord.

Bedankt wandelgenoot, het was gezellig.

Vier zwanen en een vlinder

Plus een vlinder die wauwelt over wilskracht.

Op de vleugels van het toeval bereikten mij in deze eerste zomerweek een viertal berichten over zwanen.

Eén
Een man daalde af in een gracht in Amsterdam om een zwanenjong te bevrijden. Het diertje was verstrikt geraakt in een hekwerk in het water. Arme dierenactivist. Het ouderpaar bleek niet gecharmeerd van zijn actie. Het verdedigingsinstinct van zwanen had geen boodschap aan de intenties van een levensredder. Hoe overtuig je als mens het dierlijk instinct van je goede bedoelingen? Niet dus. Geblaas en vleugelklappen is wat de dierenvriend kon krijgen. De communicatie tussen mens en dier verloopt vaak nogal moeizaam.

Twee
Een vriendin die werkt voor Codarts in Rotterdam vertelde me van de moord op een oud leerling van deze dansacademie. Na zijn opleiding ging Kirvan Fortuin terug naar zijn geboorteland om daar een creatieve danscommunity op te richten. Afgelopen weekend overleed de 28-jarige lhbti-activist ten zuidoosten van Kaapstad door messteken. De verdachte van de moord is een 14-jarig meisje. Was deze dood te voorkomen geweest? Communicatie tussen mensen mondt minder vaak in moord uit dan in onbegrip.
De vriendin, die meer dan duizend dansers kent, moest ook aan Monique Duurvoort denken. Even voor de eeuwwisseling vond er een ongemakkelijk incident plaats bij Het Nationale Ballet. De creatieve staf had corps de ballet lid Duurvoort regelmatig verzocht haar donkere huid te bleken omdat ze zou disharmonieren tussen de andere ballerina’s in Het Zwanenmeer. Ze weigerde categorisch om de witpoederkwast te hanteren. Toen men dreigde met ontslag wegens werkweigering diende ze een klacht in bij de directie en de ondernemingsraad.
Boosheid van beide kanten resulteerde gelukkig in een groter begrip voor haar standpunt. Zwanenmeren werden niet langer in beton gegoten. Men liet klassieke balletwaarden varen en bood ruimte aan diversiteit.

Trouble in paradise. Typisch voorbeeld van een misgelopen verstandhouding tussen mens en dier.

Drie
Aan de Anthony Fokkersingel in de Haagse wijk Ypenburg stierf eerst de bekende buurtzwaan Anthon en korte tijd daarna de hele rest van zijn familie. De zwanen waren de lievelingetjes bij omwonenden. Wat ging er mis? Over de oorzaak van de plotselinge dood werd druk gepraat en gespeculeerd op de buurtpreventieapp. De zwanenfamilie kwam er niet door terug, maar mensen wisten elkaar te vinden in hun rouw, woede en verbijstering. De reacties op een inzamelingsactie voor een herdenkingsbeeld waren overweldigend. Communicatie in optima forma zou je zeggen. Het onderwerp was er dan ook wel naar. De groepsapp diende voornamelijk als rouwcentrum maar men begon er ook te wijzen in de richting van mogelijke moordenaars. Ik verbeeldde mij dat die – als ze al bestonden – gewoon aan de geanimeerde troostgesprekken deelnamen.

Vier
Later liep ik een buurvrouw tegen het lijf. Hoe wij over de onvermijdelijkheid van het lot kwamen te spreken weet ik niet – ik had het met haar nog niet over de zwanenberichten gehad – maar zij sprak mij tegen en verwees naar een verhaal uit een boekje van Tellegen. Het gaat over een zwaan en een vlinder. Ik heb het even opgezocht, het boek heet ‘Langzaam, zo snel als zij konden’ en ik ga er nu – met de nodige weglatingen – uit citeren:

‘Fladderen,’ vroeg de zwaan aan de vlinder, ‘hoe doe je dat toch? Dat probeer ik nou zo vaak.’
[…]
‘Je moet eerst je gedachten laten fladderen, zwaan,’ zei de vlinder. ‘Dan pas jezelf.’
[…]
‘Dan kan ik niet,’ zei de zwaan, wiens gedachten altijd statig waren alsof zij langs lange lanen schreden en slechts met vaste tussenpozen minzaam knikten naar oude herinneringen.
‘Nee,’ zei de vlinder. ‘Maar je kunt het wel leren.’
En zo, op die warme, wolkeloze dag, aan de oever van de rivier, kreeg de zwaan les van de vlinder. Hij leerde van de hak op de tak te springen, rommelig te zijn, nooit iets zeker te willen weten, maar ook nooit iets over te slaan.
‘Iets is niets,’ zei de vlinder. ‘Dát wel. Maar alles is wel alles.’
[…]
Er vielen gaten in de gedachten van de zwaan, flarden raakten er los en woeien weg, en tegen het eind van de middag was niet een van zijn gedachten meer statig of recht. Met grote ogen keek hij om zich heen, zijn hart bonsde, en toen de vlinder hem opeens een duw gaf sprong hij op en fladderde hij rond, totdat hij op de grond viel.
‘Au,’ zei hij. Maar hij lachte.
‘Zie je wel!’ zei de vlinder. ‘Nu kun je misschien nooit meer over de horizon verdwijnen of boven de wolken opstijgen, en ook zul je misschien nooit meer urenlang kunnen doorvliegen. Maar je kunt fladderen!’

Eerlijk gezegd was ik nooit echt gecharmeerd van de gesprekken tussen dieren in fabels, sprookjes of andere verhalen met fauna in de hoofdrol. Mijn brein is, vrees ik, niet tot dergelijke abstracties bij machte. Er staan me teveel echte, noodlijdende dieren voor ogen, om me over te kunnen geven aan het idee dat verschillende soorten elkaar zo makkelijk begrijpen in symbolische vertellingen. Veel mensen zouden het misschien fantastisch vinden als alle wezens één taal spraken. Ik vind het al fijn als leden van de menselijke soort hun geschillen in gesprekken weten op te lossen.

Veel-bullshit-belovende reclame

Maar de ene vorm van communicatie leidt tot de andere.

De verwarring komt steeds op hetzelfde neer. Communicatie heeft niet te maken met wat mensen letterlijk zeggen, maar met de intentie van hun boodschap. Mensen hebben een bedoeling, hun woorden ‘slechts’ een betekenis.

Soms proberen taalgebruikers hun bedoeling te verbergen. Dan hoeft er niet perse sprake te zijn van een leugen. Iets anders zeggen dan je bedoelt, kan een commercieel belang dienen. In dat geval hebben we op z’n minst met misleiding te maken. Helaas is valsheid in reclame zo geaccepteerd dat we het als een legitieme vorm van zakendoen zijn gaan zien.

Tijdens de lange reis leren vader en zoon elkaar pas echt kennen.

De film Nebraska uit 2013 toont vormen van communicatie op verschillende niveaus. Een oude man ontvangt een brief van een bedrijf waarin staat dat hij een miljoen heeft gewonnen. Hij ziet niet in dat dit slechts een wervende tekst is, bedoeld om hem iets aan te smeren. Hij kan het niet uit zijn hoofd zetten en blijft er steeds op terugkomen dat er ergens een prijs op hem ligt te wachten. Daar wil hij naartoe.

Zijn huisgenoten worden ongedurig van zijn dwaling, zoals je geagiteerd kunt raken van constante commercials. Op een gegeven moment besluit de zoon des huizes om zijn vader dan in godsnaam maar mee te nemen naar het bedrijf in Nebraska om die zogenaamde prijs op te gaan halen. Het wordt een interessante road movie waarbij de communicatie van de zoon richting vader steeds meer de kenmerken krijgt van berusting en respect.

Boodschappen letterlijk nemen? Beter van niet, als het uit de richting komt van marketing types. Maar een lichtdementerende vader die een onhaalbaar verlangen koestert? Waarom niet tenminste de moeite nemen om die wens zo goed als mogelijk te vervullen? Vooral als het een interessante tocht oplevert en een nieuwe benadering van iemand die je dreigt te verliezen.

Tegen een wrede ziekte is helaas niet veel te doen. Maar misverstanden en ergernissen in de communicatie laten zich gelukkig nog wel ‘genezen’.

‘Hoe = Het NU 2020’ = een vraag zonder vraagteken

Het gaat best goed antwoordt de expositie.

‘Hoe gaan we deze vrije dag besteden?’ vroeg mijn vader vaak in het weekend. ‘Wordt het nátuur of cúltuur?’ De derde optie was ‘pretpark’, maar die voegde hij er nooit aan toe. Als De Efteling ook mocht was het geen keuze meer voor mijn zusje en mij. Dan hadden we al plaatsgenomen op de achterbank van zijn roestende fiat. Mijn moeder smeerde steevast broodjes. Zij verzoende zich met iedere keuze.

Het is een uitgemaakte zaak dat ik vandaag naar een expositie ga met een kunstenares. Ook natuurbeleving wordt zodoende een voldongen feit. We hebben geen auto. Van ons vandaan is de tentoonstelling ’t best bereikbaar over de dijk aan de oostkant van de IJssel. Ik noem het één van de mooiste stukjes fietspad van Nederland. Je rijdt dwars door de uiterwaarde richting Bronkhorst.

Illustrator Leendert Masselink liet zich voor de expositieposter inspireren door de paddenstoelvormige bewegwijzering van de ANWB.

‘Hoe = Het NU 2020’ heet de tentoonstelling die van 13 juni t/m 6 september in Het Kunstgemaal wordt gehouden. Hoewel er achter het jaartal geen vraagteken staat, heb ik de neiging om namens 2020 te antwoorden. ‘Met mij als jaar is het uitstekend. Dankzij de Corona gaat het zowaar ietsje beter met de natuur. De economie – die de grote veroorzaker is van alle ellende – lijkt bijna te zijn ingestort. Het kan dus haast niet mooier.’

Dan realiseer ik me weer het belang van de kunst en dat die niet goed floreert zonder een wereldhandelssysteem dat althans een beetje levensvatbaar is. Ik vind ook dat overheden moeten bijspringen om culturele verworvenheden overeind te houden. Als ik daar niet nadrukkelijk genoeg in ben, dan toch zeker mijn expositie minnende reisgenote. Ze hamert op het belang van cultuur en maakt zich vaak boos dat er zoveel vanzelfsprekender steun gaat naar andere – in haar ogen minder relevante – zaken.

Zij staat al maanden droog wat openbare kunstinname betreft. Voor haar betekent dat een serieuze ondervoeding. Niet dat ze zelf heeft stilgezeten in haar atelier. Er heeft daar in lockdown een interessante productie plaatsgevonden van kleine dierlijke sculpturen die evenzeer naar expositie verlangen. Ook was ze weer begonnen met tekenlessen aan kinderen. Maar dat was thuis. Een heuse tentoonstelling had ze al enige tijd niet bijgewoond. Ze werd er echt een beetje ziek van.

‘Bezoekers zijn welkom als zij ten minste 48 uur klachtenvrij zijn’ lees ik op een bordje voordat wij de ruimte betreden. Maximaal vijf mensen mogen maar naar binnen. We blijken de enige bezoekers. Wij willen dit meemaken. Hiervóór was er slechts een Coronaveilige raamtentoonstelling, zegt de gastvrouw. Daaraan hebben we zo goed als zeker niets gemist. Ik tuur al maanden bij iedereen naar binnen.

Maar liefst 100 kunstenaars doen aan de duo-tentoonstelling mee. ‘Duo’ omdat een ander deel van het werk is ondergebracht bij ACEC in Apeldoorn. De objecten hier zijn genummerd van 1 t/m 100. Nummer honderd is een grenspaal in ruste. Als je die gepasseerd bent weet je dat je alle werken hebt gezien.

De tentoonstelling richt zich op kunst uit het oosten van het land. Betekent dit dat de kunstenaars in deze contreien zijn geboren, dat ze hier naar de academie gingen of dat ze ergens vlakbij aan het werk zijn? Eigenlijk wordt het antwoord mij niet duidelijk. Ze kunnen wel in Amsterdam wonen, suggereert de gastvrouw, die een meer plausibele want pragmatische reden geeft; als je zegt dat je kunst toont uit het oosten des lands, trek je per definitie meer en ook een breder soort publiek aan.

Dit artificiële lokmiddel gun ik de organisatie van harte. Je moet het de kunst niet te moeilijk maken. Zo aten wij, voor we naar binnen gingen, oesterzwambitterballen in het belendende café. Ze deden me denken aan de broodjes van mijn moeder, onder het motto: op mooie dagen doet de precieze voeding er niet toe. Cultureel of culinair, als het overheersende gevoel maar klopt. Zo moet mijn moeder de dagjes uit ook benaderd hebben. Daarom maakte het haar niks uit waar we heengingen.

Inmiddels is de wind gaan waaien op de dijk. Op de terugweg stayer ik tevreden achter de hulpmotor aan van de kunstvriendin.