Beeldspraak en Stijlfiguren (1)

Je kunt een tekst aantrekkelijker maken door op een originele manier woorden te gebruiken of zinnen te vormen. Je kunt hierbij beeldspraak en stijlfiguren gebruiken.

Beeldspraak

Figuurlijk taalgebruik noem je beeldspraak: je vergelijkt iets met een bepaald beeld. Er zijn meerdere vormen van beeldspraak.
1. spreekwoorden en uitdrukkingen;
2. metafoor;
3. vergelijking;
4. metonymie;
5. personificatie.

1. Spreekwoorden en uitdrukkingen

Bij spreekwoorden en uitdrukkingen heb je te maken met figuurlijk taalgebruik. Een spreekwoord is een uitspraak met een algemene wijsheid. Een spreekwoord is een complete zin die altijd hetzelfde is.

  • Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken.
  • Haastige spoed is zelden goed.

Een uitdrukking is een vaste woordgroep met een figuurlijke betekenis. Bij een uitdrukking kunnen de woorden in de zin worden aangepast.

  • Een oogje in het zeil houden. Mijn broer houdt vandaag een oogje in het zeil.
  • In de wolken zijn. Sinds hij verliefd is, is Henk helemaal in de wolken.
2. Metafoor

Als je het ergens over hebt (het origineel) waar je andere woorden voor gebruikt (het beeld), gebruik je een metafoor. Bij de metafoor wordt het origineel niet genoemd. Het origineel wordt direct vervangen door het beeld.

  • De koppige ezel blijft bij zijn keuze! (Voor iemand die koppig is, wordt het beeld van een koppige ezel gebruikt.)
  • Ben je echt van plan om in die verroeste koektrommel naar Roemenië te rijden? (Voor een auto wordt het beeld van een verroeste koektrommel gebruikt.)
3. Vergelijking

Bij de vergelijking wordt zowel het origineel als het beeld genoemd. Je maakt een vergelijking vaak met het woord als. Maar soms is als weggelaten.

  • Jouw laptop (origineel) is zo traag als een slak (beeld).
  • Het leven (origineel) is een weg met kuilen en hobbels (beeld).
4. Metonymie

Bij een metonymie noem je een begrip niet letterlijk, maar noem je een begrip dat ermee samenhangt.

  • Er hing een echte Van Gogh aan de muur. (Je bedoelt een schilderij van Van Gogh, maar je noemt de schilder zelf.)

Je benoemt vaak een deel van het geheel:

  • Even de neuzen tellen. (Je telt hier personen, geen neuzen.)

Of je benoemt een geheel in plaats van een deel:

  • Nederland heeft he EK voetbal gewonnen. (Het Nederlands voetbalelftal heeft het EK gewonnen, niet heel Nederland.)
5. Personificatie

Bij een personificatie schrijf je menselijke eigenschappen toe aan zaken die geen menselijke eigenschappen kunnen hebben.

  • De wind fluisterde zachtjes door de bomen.
  • Het noodlot sloeg genadeloos toe.