Leenwoorden als de spiegel van onze cultuur

De Indo-europese taalfamilie is voor ons het belangrijkst, omdat ze de voorloper van de Germaanse talen en dus ook van het Nederlands is, maar dat niet alleen: ze is de voorloper van vrijwel alle talen in Europa en verder van een aantal talen in India. In Europa zijn alleen het Baskisch, Turks, de
aan elkaar verwante talen Fins, Ests, Laps en Hongaars en een groot aantal kleine Turkse, Oeralische en Kaukasische talen in de voormalige Sovjet-Unie geen Indo-europese talen.

Het Indo-europees is nooit geschreven. Vanaf ongeveer 2500 voor Chr. viel het Indo-europees langzaam uiteen in verschillende takken. Dat kwam, doordat het Indo-europees zich over een groot gebied verspreidde waardoor het het onderling contact verloor, en doordat het in de verschillende gebieden in aanraking kwam met andere talen, die invloed op delen van het Indo-europees uitoefenden. De verschillende takken vielen na enige tijd ook weer uiteen in verschillende talen. Sommige daarvan zijn inmiddels alweer verdwenen (bij voorbeeld het Thracisch), die laat ik hier buiten beschouwing.

Andere bestaan nog steeds. De verschillende talen bezitten gemeenschappelijke woorden die teruggaan op het Indo-europees. Doordat de talen steeds meer uit elkaar groeiden, veranderde de vorm van de woorden. In die verandering zit een zekere regelmaat, waardoor het mogelijk is de oorspronkelijke vorm via klankwetten te reconstrueren. Zo weten we dat het Nederlandse woord gast, het Latijnse hostis en het Russische gost’ alledrie teruggaan op een gemeenschappelijk Indo-europees woord, net als Nederlands hart, Latijn cor, Grieks kardia en Russisch serdce.

Doordat de talen een eigen ontwikkeling doormaakten, werd het echter ook mogelijk dat talen woorden leenden van andere talen, zelfs oorspronkelijke erfwoorden, omdat deze in de loop der tijd een verschillende vorm hadden gekregen. Zo hebben we naast het erfwoord vader het hieraan verwante Latijnse woord pater geleend.

Met de meeste talen die – net als het Nederlands – teruggaan op het Indo-europees, hebben wij contact gehouden. Uit de meeste talen hebben we ook, direct of indirect, woorden geleend. Daarom is het de moeite waard hier een overzicht van de verschillende takken te geven. Met het Albanees, het Armeens en de Baltische talen (Lets, Litouws) hebben we nooit rechtstreeks contact gehad. Met de Aziatische tak, het Indo-iraans, hebben we wel wat contact gehouden. Het Indo-iraans bestaat uit een Iraanse tak (met als belangrijkste vertegenwoordiger het Perzisch; ook het Koerdisch en het uitgestorven Scytisch zijn Iraanse talen), en een Indische tak met als oudste taal het Sanskriet of het Oudindisch en als moderne talen onder andere het Bengali, Hindi, Punjabi, Singalees, Urdu en tevens de Zigeunertalen. Verder hebben we contact gehad met de Europese takken Grieks, Keltisch (met de moderne talen Welsh, Iers en Gaelisch in Engeland en Bretons in Frankrijk), en het Slavisch, dat verdeeld wordt in het Oostslavisch (Oekraïens, Russisch, Witrussisch), het Westslavisch (Pools, Slowaaks, Tsjechisch) en het Zuidslavisch (Bulgaars, Kroatisch, Macedoons, Servisch, Sloveens). Overigens is het verschil tussen het Kroatisch en het Servisch heel gering, en werd de taal van de Serven en Kroaten in het zeer nabije verleden Serbokroatisch genoemd. Sinds de oorlog in voormalig Joegoslavië proberen de Kroaten kunstmatig het verschil tussen het Servisch en het Kroatisch te vergroten.

De twee belangrijkste Indo-europese takken zijn voor ons het Italisch en het Germaans. Het Italisch is het voorstadium van het Latijn. Het vulgair Latijn dat van 400 tot de negende eeuw gesproken werd, noemen we Romaans. Uit dit Romaans zijn de moderne Romaanse talen voortgekomen, zoals het Catalaans, Frans, Italiaans, Portugees, Provençaals, Retoromaans, Roemeens, Spaans. Met de Romaanse talen hebben we gedurende lange tijd contact gehad, en uit deze talen hebben we verreweg de meeste woorden geleend.

Tot slot dan het Germaans, onze voorvader. Vroeger ging men ervan uit dat de Germaanse tak zich in drie groepen splitste: Oostgermaans, Noordgermaans en Westgermaans. Tegenwoordig gaat men ook wel uit van een vijfdeling (genoemd naar de plaats van herkomst): Noordgermanen, Oostgermanen (of OderWeichselgermanen), Elbegermanen (waartoe onder anderen de Langobarden, Beieren en Alamannen behoorden), Wezer-Rijngermanen (onder anderen de Franken) en de Noordzeegermanen (Friezen, Angelen en Saksen). Bij deze vijfdeling komen Nederlands en Duits niet voort uit één tak, maar hebben stammen uit verschillende takken aan de talen bijgedragen.

De splitsing in takken ging uiteraard zeer geleidelijk, maar was waarschijnlijk vóór het begin van de jaartelling een feit. Uit de periode dat het Germaans nog een eenheid vormde, stammen de Germaanse erfwoorden baas, ooievaar, zeuren, die niet in andere Indo-europese talen voorkomen. Na de periode van eenheid splitste het Germaans zich volgens de traditionele opvatting in het Oostgermaans, bestaande uit het uitgestorven Gotisch (dat enige tijd gesproken is van de Zwarte Zee tot Spanje en Noord-Afrika); het Noordgermaans, waaruit het moderne Deens, Faeröers, IJslands, Noors en Zweeds zijn ontstaan; en het Westgermaans, waaruit het moderne Engels, Duits, Fries, Platduits (of Nederduits) en Nederlands zijn ontstaan.

Het spreekt vanzelf dat de ontwikkeling van het Westgermaans naar het moderne Nederlands geleidelijk was. In de periode 900 tot 1200 spreken we van Oudnederlands of Oudnederfrankisch; uit deze periode zijn nauwelijks geschreven bronnen overgeleverd. Van 1200 tot 1500 spreken we van
Middelnederlands (waarbij de i3de-eeuwse taal wel Vroegmiddelnederlands wordt genoemd), en in de periode daarna van Nieuwnederlands (waarbij het Nederlands van de 16de eeuw wel Vroegnieuwnederlands wordt genoemd). Ook de andere talen kennen vergelijkbare (niet identieke!) periodiseringen.