Foutieve beknopte bijzin

Om te voorkomen dat je onnodig veel woorden gebruikt, kun je de beknopte (ingekorte) bijzijn gebruiken. Je kunt alleen een beknopte bijzin maken als het onderwerp uit de hoofdzin overeenkomt met het onderwerp uit de volledig uitgeschreven bijzin.

Beknopte bijzinnen hebben twee kenmerken:
1. Ze hebben nooit een onderwerp.
2. Ze hebben altijd een voltooid of tegenwoordig deelwoord.

  • Terwijl zij langzaam liep, dacht Sanne na over wat Tessa gezegd had. (volledig uitgeschreven bijzin)
  • Langzaam lopend, dacht Sanne na over wat Tessa gezegd had. (beknopte bijzin)


Je ziet in de tweede voorbeeldzin de twee kenmerken van een beknopte bijzin: er is geen onderwerp, maar wel een (tegenwoordig) deelwoord: lopend.

De beknopte bijzin is correct, omdat het onderwerp uit de hoofdzin (Sanne) overeenkomt met het onderwerp uit de volledig uitgeschreven bijzin (zij). Als dit niet het geval is, is er sprake van een foutieve beknopte bijzin:

  • Fout: Snikkend zonk haar lievelingsknuffel naar de zeebodem.
  • Goed: Terwijl ze stond te snikken, zonk haar lievelingsknuffel naar de zeebodem.


In de eerste zin is Snikkend een foutieve beknopte bijzin. In die zin komt het onderwerp uit de hoofdzin (haar lievelingsknuffel) niet overeen met het weggelaten onderwerp uit de bijzin (ze). Je mag hier dus geen beknopte bijzin gebruiken, maar je schrijft de bijzin volledig uit.