Van kroegtijger tot thuistapper en terug

Als het gestook in de tuintjes maar stopt.

Ik lees dat mensen hun oude café terug willen. Er heeft dus geen bezinning plaatsgevonden in deze periode van thuistappen. Ze willen weer even hard lallen als toen, vermoed ik. Polonaises dansen, karaoké zingen, darten, sjansen, elkaar betasten, foute grappen maken, en al die andere geestloze dingen die men al eeuwen uitspookt in dranklokalen.

Ik heb eigenlijk geen idee wat daar precies gebeurde, want ik kwam al jaren niet meer in een kroeg. Het enige wat ik ervan meemaakte was wat ik ervan hoorde. Niet van anderen – ik spreek niet met cafébezoekers – maar van wat mijn eigen oren moesten ondergaan, dus wat ik uit zo’n zuipkrocht hoorde opklinken aan middernachtelijke kroegklanken als ik in mijn brave bedje lag.

Als de buren maar lol hebben.

Er schijnt daar niet veel veranderd te zijn sinds Jan Steen of Toulouse-Lautrec. Dit weekend werd er op het horecaplein in mijn gehucht voorzichtig geëxperimenteerd met heropening van de tapkraantjes. Wat heet voorzichtig: vóór de crisis of na de crisis, mijn beleving als omwonende is dat stamgasten steevast streven naar straalbezopenheid. Al staken de ondernemers – uit angst voor boetes – daar nu nog een stokje voor.

Ik hoop dat de hernieuwde cafégang het barbecueën een beetje aan banden legt want dat schijnt voor mensen in mijn buurt gedurende coronatijd het logische alternatief. Het weer hoeft het maar een beetje toe te laten, of hop, daar wakkeren de privécrematoria weer aan. Dat kan in het weekend al vroeg beginnen. En god, wat houden ze een afstand tot het vlees!

Anderhalve meter schijnt in de achtertuinen nooit een issue te zijn geweest. Tenzij er veertig mensen achter één klaphekje wonen. Erger echter dan deze samenklonteringen en het geluid dat ermee gepaard gaat, is de rookstank. Oh, als de geur van stokende buren ook maar een beetje kan afnemen door hun terugkeer naar het café, ben ik een vurig voorstander van volledige heropening.