Vier zwanen en een vlinder

Plus een vlinder die wauwelt over wilskracht.

Op de vleugels van het toeval bereikten mij in deze eerste zomerweek een viertal berichten over zwanen.

Eén
Een man daalde af in een gracht in Amsterdam om een zwanenjong te bevrijden. Het diertje was verstrikt geraakt in een hekwerk in het water. Arme dierenactivist. Het ouderpaar bleek niet gecharmeerd van zijn actie. Het verdedigingsinstinct van zwanen had geen boodschap aan de intenties van een levensredder. Hoe overtuig je als mens het dierlijk instinct van je goede bedoelingen? Niet dus. Geblaas en vleugelklappen is wat de dierenvriend kon krijgen. De communicatie tussen mens en dier verloopt vaak nogal moeizaam.

Twee
Een vriendin die werkt voor Codarts in Rotterdam vertelde me van de moord op een oud leerling van deze dansacademie. Na zijn opleiding ging Kirvan Fortuin terug naar zijn geboorteland om daar een creatieve danscommunity op te richten. Afgelopen weekend overleed de 28-jarige lhbti-activist ten zuidoosten van Kaapstad door messteken. De verdachte van de moord is een 14-jarig meisje. Was deze dood te voorkomen geweest? Communicatie tussen mensen mondt minder vaak in moord uit dan in onbegrip.
De vriendin, die meer dan duizend dansers kent, moest ook aan Monique Duurvoort denken. Even voor de eeuwwisseling vond er een ongemakkelijk incident plaats bij Het Nationale Ballet. De creatieve staf had corps de ballet lid Duurvoort regelmatig verzocht haar donkere huid te bleken omdat ze zou disharmonieren tussen de andere ballerina’s in Het Zwanenmeer. Ze weigerde categorisch om de witpoederkwast te hanteren. Toen men dreigde met ontslag wegens werkweigering diende ze een klacht in bij de directie en de ondernemingsraad.
Boosheid van beide kanten resulteerde gelukkig in een groter begrip voor haar standpunt. Zwanenmeren werden niet langer in beton gegoten. Men liet klassieke balletwaarden varen en bood ruimte aan diversiteit.

Trouble in paradise. Typisch voorbeeld van een misgelopen verstandhouding tussen mens en dier.

Drie
Aan de Anthony Fokkersingel in de Haagse wijk Ypenburg stierf eerst de bekende buurtzwaan Anthon en korte tijd daarna de hele rest van zijn familie. De zwanen waren de lievelingetjes bij omwonenden. Wat ging er mis? Over de oorzaak van de plotselinge dood werd druk gepraat en gespeculeerd op de buurtpreventieapp. De zwanenfamilie kwam er niet door terug, maar mensen wisten elkaar te vinden in hun rouw, woede en verbijstering. De reacties op een inzamelingsactie voor een herdenkingsbeeld waren overweldigend. Communicatie in optima forma zou je zeggen. Het onderwerp was er dan ook wel naar. De groepsapp diende voornamelijk als rouwcentrum maar men begon er ook te wijzen in de richting van mogelijke moordenaars. Ik verbeeldde mij dat die – als ze al bestonden – gewoon aan de geanimeerde troostgesprekken deelnamen.

Vier
Later liep ik een buurvrouw tegen het lijf. Hoe wij over de onvermijdelijkheid van het lot kwamen te spreken weet ik niet – ik had het met haar nog niet over de zwanenberichten gehad – maar zij sprak mij tegen en verwees naar een verhaal uit een boekje van Tellegen. Het gaat over een zwaan en een vlinder. Ik heb het even opgezocht, het boek heet ‘Langzaam, zo snel als zij konden’ en ik ga er nu – met de nodige weglatingen – uit citeren:

‘Fladderen,’ vroeg de zwaan aan de vlinder, ‘hoe doe je dat toch? Dat probeer ik nou zo vaak.’
[…]
‘Je moet eerst je gedachten laten fladderen, zwaan,’ zei de vlinder. ‘Dan pas jezelf.’
[…]
‘Dan kan ik niet,’ zei de zwaan, wiens gedachten altijd statig waren alsof zij langs lange lanen schreden en slechts met vaste tussenpozen minzaam knikten naar oude herinneringen.
‘Nee,’ zei de vlinder. ‘Maar je kunt het wel leren.’
En zo, op die warme, wolkeloze dag, aan de oever van de rivier, kreeg de zwaan les van de vlinder. Hij leerde van de hak op de tak te springen, rommelig te zijn, nooit iets zeker te willen weten, maar ook nooit iets over te slaan.
‘Iets is niets,’ zei de vlinder. ‘Dát wel. Maar alles is wel alles.’
[…]
Er vielen gaten in de gedachten van de zwaan, flarden raakten er los en woeien weg, en tegen het eind van de middag was niet een van zijn gedachten meer statig of recht. Met grote ogen keek hij om zich heen, zijn hart bonsde, en toen de vlinder hem opeens een duw gaf sprong hij op en fladderde hij rond, totdat hij op de grond viel.
‘Au,’ zei hij. Maar hij lachte.
‘Zie je wel!’ zei de vlinder. ‘Nu kun je misschien nooit meer over de horizon verdwijnen of boven de wolken opstijgen, en ook zul je misschien nooit meer urenlang kunnen doorvliegen. Maar je kunt fladderen!’

Eerlijk gezegd was ik nooit echt gecharmeerd van de gesprekken tussen dieren in fabels, sprookjes of andere verhalen met fauna in de hoofdrol. Mijn brein is, vrees ik, niet tot dergelijke abstracties bij machte. Er staan me teveel echte, noodlijdende dieren voor ogen, om me over te kunnen geven aan het idee dat verschillende soorten elkaar zo makkelijk begrijpen in symbolische vertellingen. Veel mensen zouden het misschien fantastisch vinden als alle wezens één taal spraken. Ik vind het al fijn als leden van de menselijke soort hun geschillen in gesprekken weten op te lossen.