Wij doopten haar ‘Tobber’

Een bootje dat haar naam eer aandeed.

Ook de HISWA Amsterdam Boat Show gaat niet door dit jaar. Ik geloof dat ‘the place to be ter voorbereiding op het nieuwe vaarseizoen’ zelfs voor altijd is opgeheven. Ik heb het evenement wel vier keer bijgewoond in mijn leven. Door financieel gesjoemel had mijn vader wat geld over. Zodoende vonden hij en mijn moeder dat het tijd werd voor hun eerste eigen boot.

Dat vond de verkoper van de Doerak ook. En de vertegenwoordiger van de Kilkruiser werd er al even vriendelijk van. Alle bouwers van motorbootjes waar mijn ouders hun blik op lieten vallen nodigden ons van harte uit voor een kijkje in het ruim. Die benaming is een schromelijke overdrijving. Boten zijn van binnen net caravans, alleen lopen ze aan de voorkant uit in een punt zodat er daar nog minder ruimte overblijft om comfortabel te slapen. Tenminste, als je het hebt over boten in de prijsklasse waarin mijn ouders er één zochten.

De Kilkruiser, een omgekeerde notendop.

Welkom zeiden de verkoopkapiteins van de showroommodellen. Nog volkomen onervaren met al de opstapjes en afstapjes klauterden we als drenkelingen het dek op. “Ja, alles lijkt misschien een beetje krap” zei de aardige meneer “maar ik zou het eerder functioneel noemen. En je leeft op het water hè, je krijgt de hele plas er gratis bij. Je leeft met een boot sowieso meer buiten dan binnen.”

Mijn zus en ik konden niets met verkooppraatjes en commercieel geslijm. Wij vulden onze plastic tasjes met folders en ander reclamemateriaal. Alles wat mijn zus meenam, griste ik, in haar kielzog, ook weg, zodat we thuis alles dubbel hadden en de helft van de papieren promotie meteen in de pedaalemmer verdween. Stickers kon je echter nooit teveel hebben. Die vond je, lang na dato, dan ook overal in huis terug. Maakte niet uit wat er op stond, dat ze kleefden was aantrekkelijk genoeg.

Wat ons schip betreft: mijn moeder wilde een Doerak. Dat was een stoere jongen waarmee je eventueel ook op zee kon. Mijn vader telde zijn knopen en besloot dat het een Kilkruiser werd. Dat was meer een omgekeerde notendop die erg hoog op het water lag en dus met alle winden meevoer.

Toen moest er nog een naam voor onze nieuwe ‘trots’ worden verzonnen. Ik dacht aan ‘Sjoemelaar’ maar ditmaal kreeg mijn moeder haar zin. Het werd ‘Tobber’, afgeleid van dobber omdat mijn vader viste. Tobber bleek een goede aanduiding, verzonnen door iemand met een vooruitziende blik.