Wij geloofden niet in laatste rustplaatsen

Toch heb ik spijt van die vuilniszak vader.

Natuurlijk is het geen schande pa, dat je agrarische droom begon op een stuk grond van 73 hectare en eindigde in een volkstuintje. Op dat laatste stukje aarde ging je even dapper tekeer als op je landgoed. Er kwam genoeg fruit en groente vanaf en het smaakte ons net zo goed. “Een klein bezit is beter voor je rug” grapte je vergoelijkend. Je leek het verlies en je noodgedwongen terugkeer naar Nederland verwerkt te hebben.

Toen je overleden was hoefden we alleen de huur maar op te zeggen en het perceeltje netjes aangeharkt achter te laten. Ik had een deel van je as in Frankrijk willen uitzaaien. Ruimte genoeg op je voormalige domein. Sorry vader, het is er niet van gekomen. Jouw restanten zijn een beetje achteloos verwaaid. Ik heb mijzelf deze onverschilligheid vergeven in het besef dat een hereniging na de dood, met welke plek op aarde dan ook, voor ons atheïsten een symbolische daad is zonder betekenis.

Toch heb ik spijt van die vuilniszak.

La Chadenède was 73 hectare groot en strekte zich naar het oosten uit tot op de helft van twee watervallen.
Bij het verlaten van zijn tuin

't Is klaar, zegt de tuinman. Hij legt zijn werktuig neer.
Hout en staal van eeuwen. De schoffel die zich scherpt
door gebruik. De spade die geen druk meer voelt.
Zijn snoeischaar die te laat komt voor de loten.

Aarde ontbrandt maar men stopt zijn gewicht in
een oven. Het voorjaar zal zijn as verwerken. Nu
gaan struiken zijn perken te buiten. Ik weet dat
in verlaten gaarden bomen nog uitbundig bloeien.

Onbeheerst dringt er vocht door in elke tentakel. Veel
vrucht straks. Maar overvloed verkleint de kwaliteit.
Is het niet eervol, dat, in een soort van onpraktische
weelde, deze tuin al schrikt van zijn afwezigheid?

Zijn klompen nauwelijks gelicht of het medeleven
meldt zich. Wat potentiele huurders begroeten ons
respectvol maar gehaast. 'Wie maakt hier schoon?'
vraagt de opzichter, alsof wij een woning verlaten.

Grond, daar moest je zuurstof in jagen. Dat spitten,
dat kon hij als geen ander. Ieder voorjaar reet
hij nieuwe voren. Drie spaden diep. Tussendoor
veel mest. En compost van de lofoogst van jaren.

Onhandig gehark nu. We keren wat kluiten. Onze
toewijding…sorry vader, het wordt niet wat het was.
We strooien je terug in haastig omgewoelde aarde.
We draaien ons om en er groeit alweer gras.

(Ronald van Noorden)