Het is een vrij beroep maar toch…

De kunstenaar die in haar handen zat, belandde nooit in haar hoofd.

Haar man noemde haar een kleikunstenares. Hij vond haar werk zo mooi dat hij een professionele oven wilde aanschaffen. Dan hoefde ze niet steeds met die broze beelden over straat. Er was genoeg ruimte voor zo’n ding in het nieuwe huis. Zij vond het onzin. ‘Teveel eer’ zei ze. Dat bakken kon net zo goed op de kleiclub.

Potten draaien deed ze ook (die ze daarna voorzag van opgelegd reliëf). Ze had een vaste hand, zelfs als ze de schijf al trappend in beweging moest houden. Ditmaal vroeg haar man haar niets meer; hij zorgde voor een elektrische draaitafel thuis. Zelf vervaardigde hij hierop ook weleens wat. Ze waren nooit lang samen maar zij met haar beelden en hij als pottenbakker wekten kortstondig de indruk van een harmonisch huwelijk.

Johnson Tsang’s ‘Mind-Bending’ Sculptures. Uit de serie ‘Open Mind’.

Anderen zagen ook wat zij kon. Hun bewondering vermengde zich bij sommigen met eigenbelang. Ze namen voorbeelden mee – beeldjes, plaatjes, amuletten – en vroegen haar om een kopie. Ze kon geen nee zeggen. Zo zat ze eens gedenkpenningen te maken voor een carnavalsvereniging. Haar man stak er een stokje voor. De Raad van Elf kon de pot op. Zijn vrouw was een kunstenares, geen productiemedewerkster.

Zijn carrière verliep voorspoedig. Ze verhuisden naar een nog rianter huis. Hij richtte daar een atelier voor haar in met alles erop en eraan. Hij stimuleerde haar zich nu volledig te storten op het kunstenaarschap. Aan reproducties deed ze allang niet meer, maar helaas liep haar levensstijl niet synchroon met de nieuwe mogelijkheden. Het zat ‘m dan ook niet in de middelen.

Hij verbleef steeds vaker en steeds langer in het buitenland. Hij kreeg de allures van een internationale zakenman die deed wat hij wilde en meer. Hij gedroeg zich als zo’n typische ‘Nouveau Riche’ die een gevaar vormt voor zichzelf. Zij waakte over een huishoudpot van uitdijende proportie maar koesterde – wars van weelde – het meisje van gewone komaf. Zij vervolmaakte in haar villa in een chique buitenwijk in Brussel in stilte het gewoon zijn (en blijven).

Het kunstenaarschap zat levenslang in haar handen maar nooit in haar hoofd. Ik herinner mij onderling geplaag en wederzijdse kritiek van minzaam elkaar respecterende ouders. Het zijn spaarzame momenten waarop mijn vader en moeder in één ruimte verkeerden. Soms zie ik hen samen in haar ‘hobbykamer’. Dat leverde meestal één werk op van haar hand en één gewrocht dat meteen in elkaar werd gekneed. Er is echter één exemplaar van zijn misvormde vazen bewaard gebleven.

Ik verbeeld me hoe mijn moeder het ding met ingehouden lach meeneemt naar haar kleiclub en het daar van een glazuurlaag voorziet. Zelfs zij kon er nauwelijks iets van schoonheid aan verlenen. Nu brengt het misbaksel, beter dan wat dan ook, mijn vaders bewondering voor haar in beeld. Verder zie ik er het blijvende bewijs in van hun liefde ondanks alles. Sommige dingen kunnen werkelijk mooi zijn van lelijkheid.