Soms brandt het hart gewoon te fel

What’s in a name? (Een redeloze redekundige ontleding)

Ik heb een man gekend wiens voor en achternaam een (goed vervoegde) zin vormden in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Ik kwam erachter dat zo’n perfecte combinatie van onderwerp en gezegde best vaak voorkomt. Men noemt het een naamzin. Van het fenomeen bestaan verzamelingen op internet. Je vindt daar namen van bekende en onbekende Nederlanders. In de derde persoon enkelvoud bijvoorbeeld de volgende: Susan Baart, Ben Bot, Jan Bout, Doesjka Dubbelt, Eddy Hoost, Johan Kaart, Wim Kan, Agnes Kant, Wim Kat, Klaas Knot, Willem Lust, Peter Post, Menno Pot, Jan Rot, Hannie Schaft, Peter Schat, Ted Troost, Jan Wit, Rinus Belt, Pieter Fluit, Michael Hobbelt, John Keet, Jan Proost, Max Put, Willem Raadt, Marjolein Schaart, Gerrit Jan Slaat, Eric-Jan Staat, Luc Verhaart, Jan Zweet.

Terug naar de onderwerp/gezegde combinatie die ik persoonlijk heb gekend. Ik ontdekte dat de bezitter van deze naam vreemdging. Ook dit is niet uitzonderlijk. Het aantal vreemdgangers is onmetelijk. Je moet specificeren om daar een interessante verzameling uit te puren. Je zou bijvoorbeeld alle treindienstleiders kunnen samenbrengen die vreemdgaan met collega treindienstleiders. Echter: dit roept een onprettig gevoel op. Er komt geen glimlach op het gezicht zoals bij de verzameling naamzinnen. Zo’n lijst is niet grappig.

De treindienstleiders van Prorail beheersen – zo beheerst mogelijk – het veilige verloop van het treinverkeer in hun eigen verantwoordelijkheidsgebieden.

De vreemdganger had een vrouw die er ook niet vrolijk van werd. Zij had trouwens alleen maar een vermoeden van wat er gaande was. Ik wist meer maar ik heb haar nooit wijzer gemaakt. Zij was er slecht aan toe. Zij leed aan een inbeeldingsziekte, genaamd tinnitus, die volgens mij het gevolg was van haar zorgen om het bedrog. Ze hoorde geluiden die er niet waren maar ze zag geen spoken wat betreft haar verdenkingen. Ook mijn hart deed zeer. Ik had het gevoel dat ik een vriend verloor – ja hij was zonder meer een vriend van mij – en een collega treindienstleidster op wie ik graag zo’n zelfde indruk had gemaakt als waartoe hij in staat was.

Ik was verliefd op haar. Op het werk schoof ik de verkeersleidingsschermen uit elkaar om door de spleet die zo ontstond naar haar te kunnen kijken. Ik vertelde hem – die ik toen nog over zulke dingen in vertrouwen nam – hoezeer ik het te pakken had. Hij begreep dat. Niet veel later maakte hij dat ook in daden duidelijk. Hij concretiseerde zijn verovering voortvarend. Kunstenaar van huis uit vertelde hij zijn vrouw dat hij toe was aan een eigen atelier waar hij zijn creativiteit de vrije loop kon laten. Hij had zijn kunstenaarschap als treindienstleider teveel laten versloffen. Zo’n artistieke werkruimte vond hij snel. Het werd een broedplaats waar de creatieve sappen vrijelijk konden stromen.

Overmand door jaloezie ben ik toen te ver gegaan. Ik gedroeg mij als een privé detective met een te groot persoonlijk belang. Ik heb gedrag ten toon gespreid dat een vriendschap en een liefde onwaardig is. Dat ik de waarheid omtrent de geliefden boven water kreeg was geen excuus. Ik hield de ontdekking wel voor mezelf, misschien diende dat als verzachting voor mijn speuractiviteiten.

Liefde voor de één kan, zoals wij weten, een bittere uitwerking hebben op de ander. Ik ben niet iemand die de volger van het hart veroordeelt, zelfs niet als zijn handelingen het daglicht niet kunnen verdragen en hij dierbaren in het ongeluk stort. Meestal zijn de gevolgen onoverkomelijk en niet gemeend. Ze zijn de uiterste consequentie van de passie en ik bezit te weinig moraal om daartegen – voor mijzelf geloofwaardig – te preken. Ook mijn gewezen vriend handelde niet uit moedwil maar uit noodzaak. Zijn hart stond in vuur en vlam, en god, wat begreep ik dat. Tenslotte deed hij zijn naam alleen maar eer aan. In de onvoltooid tegenwoordige tijd. Die nu toch achter ons ligt.