Als een uitgevouwen schatkaart

Waarom werkte het vroeger wel? Je hield een feestje. Er ging wat meubilair kapot. Er kwamen extra krassen op je platen. De buren, met wie je een afspraak had gemaakt, begonnen pas om vier uur te klagen. Het werd niet meteen stil maar er was nooit heisa.

Je nam afscheid, joeg iedereen de straat op. Schorre stemmen. Er klonk een laatste lied. De kamer stond blauw. Er was een meisje dat bleef slapen. ‘Wat doen we? Draai ik een jointje? Er is nog wijn hoor als je wilt.’

Ze bleef. Dat vatte je op als het mooiste verjaardagskado. Ze verpakte het in minimale woorden. Ze zei het toen de eerste gast vertrok. Ze schitterde in al haar echtheid. Een bleek gezicht. Uitgelopen lijnen. De geur van danszweet.

Eigenlijk had je het toen al wel verwacht. Iedere keer als jij iemand uitgeleide deed, liep ze mee naar de deur, stond ze naast je, alsof jullie bij elkaar hoorden. Nooit daarna is een relatie zo vanzelfsprekend, zo bijna zonder woorden beklonken.

Ze hielp je met opruimen. Alvast de ergste rotzooi in een zak. Om een plek op het kleed te creëren waar jullie konden zitten, drinken, nabeschouwen. Overgave. Plotseling lag ze als een uitgevouwen schatkaart in je kamer.

Het kwam ook nog van slapen die ochtend, nou ja, dat tijdloze deel van je bestaan dat de volgende dag bleek te zijn. In elkaar verstrengeld alsof het nooit anders was geweest, herstelde je maar liever niet van iets dat groots en onnoembaar moest blijven voor de rest van je leven.

De volgende dag zou je pas iets merken van misselijkheid. Een kater die natuurlijk niets met haar van doen had. Laat in de middag leegde je asbakken, streek je kaarsvet uit je kleed. Je maakte een salade van augurken, chips en zilveruitjes. Gezond leven moest een keer beginnen.

Ze leek een natte, niet meer op te lappen vlinder in de vale zon van de vooravond. Jij zat nog uren opgetrokken met je hoofd tussen je knieën en een teiltje aan je voeten. Twee verlaten gasten in een tot rust gebrachte ruimte die elkaar hadden gevonden.