Limburgse dagen (het jongetje)

‘Ik denk dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor mannen niet functioneert, biologisch gesproken.’ (Frank Koerselman)

“Oma, hoe heet dat jongetje?” vroeg Stijn, het achterneefje van M. dat bij haar tweelingzus Lilian logeerde. Ik ontmoette het ventje op de eerste vakantiedag in Limburg. M. en ik hadden ons net geïnstalleerd bij Ellen, haar jongste zus in Vijlen, waar we een aantal dagen zouden logeren. Misschien vond ik snel aansluiting bij het jongetje omdat hij ook uit Holland kwam. Als hij zijn Limburgse familie dialect hoorde ‘kallen’ durfde hij “Doe eens normaal” te roepen, wat ik, als verse gast en volwassene, natuurlijk niet moest proberen.

Later die week bezochten we zijn oma en opa in Simpelveld. Mijn band met Stijn was meteen weer dik in orde, maar al voordat we hun huis hadden verlaten voelde ik dat er een anekdote in de maak was. Het “Oma, hoe heet dat jongetje?” was nu “Oma, kan dat jongetje even z’n mond houden” geworden. De gretigheid waarmee M. het verhaal nu verbreidt, wijst, vermoed ik, op de behoefte aan het overbrengen van een boodschap, iets dat hoort bij humor.

Thuisgekomen neem ik de stapel NRC’s door om weer snel synchroon te lopen met het heden. In de krant van zaterdag stuit ik op ‘de vijfde aflevering van een reeks zomeravondgesprekken’. Het blijkt om een gedachtewisseling te gaan tussen Peter Buwalda (48) en Frank Koerselman (73). Het artikel begint met: ‘De nog altijd jongensachtige schrijver en de hooggeleerde psychiater vallen elkaar aan, incasseren rake klappen en hangen na drie uur allebei in de touwen.’

Thema van de woordenstrijd? Het einde van de mannelijke autoriteit. De mening van Koerselman had hij al eerder geventileerd in zijn pamflet ‘Ontvadering’. Daarin schetst hij de rampzalige gevolgen daarvan voor gezin en samenleving. Koerselman heeft de boeken van Buwalda zorgvuldig gelezen. Over ‘Otmars zonen’ zegt hij: ‘Ook in deze roman dondert de vader naar beneden en wint de vrouw […] door gebruik te maken van zijn zwakheden.’

Op zijn logeeradres in Simpelveld wilde Stijn me op een meer wijzen. Deze bevond zich achterin de tuin, die heel erg afliep. Ik daalde met hem mee naar dat laagste punt en zag een ingegraven teil vol kroos. “Nou Stijn, dat is wel een heel klein meer” zei ik “dat noem ik meer een afvoerputje.” Mijn realiteitszin stelde hem teleur, zodat ik snel iets opbeurends verzon. “Gelukkig zit de stop er nog in.”

Dat kon spannender, realiseerde ik me, zodat ik mijn hand in het water stak en de stop eruit trok. Met een slurpend geluid deed ik alsof de wereld door het putje werd opgeslurpt. Ik klom naar het huis op de heuvel maar rolde terug over het gazon. Al snel buitelde Stijn met mij mee. Totdat ik de stop weer op z’n plaats had geduwd. Eind goed, al goed. Boven, op het terras, vroegen de volwassenen zich af waarom wij zo’n lol hadden.