Limburgse dagen (hello & goodbye)

Altijd op drift maar tenslotte toch rust; te vroeg en te onherroepelijk.

M. had me al vaker uitgenodigd om mee te gaan naar haar familie in Limburg. Haar zusjes en schoonbroers kende ik van haar verjaardagsfeestjes in Amsterdam, maar ik had ze nog nooit op eigen bodem bezocht. Bij die eerste ontmoetingen in de hoofdstad vond ik ze heel welwillend. Ze accepteerden de ‘man die zich niet wilde binden’. Er leek een principe van kracht: als M. mij zag zitten, was dat voor hen voldoende.

Na jaren waarin ik wegbleef van familiebezoek kon zo’n onthaal verdiend zijn, maar vanzelfsprekend vond ik het – mijzelf kennende – niet. Eén ding pleitte in mijn voordeel: door dit lange uitstel had ik bewezen dat de relatie met M. geen kortdurende affaire was. Een ontmoeting in Limburg werd steeds onvermijdelijker. Ook dat bevorderde hun gastvrijheid. Ze maakten de drempel laag. Hun warmte voelde authentiek. De deur zwaaide zo vanzelfsprekend voor mij open, dat ik me al bij voorbaat schaamde voor het moment waarop ze hun vergissing zouden inzien.

M. ging terug naar haar ‘wortels’, zoals ze vaker deed. Ditmaal onder begeleiding van een vriendje dat vrijheid boven verantwoordelijkheid stelde. Ik had meer dan tien jaar in Limburg gewoond maar zag deze trip niet als een terugkeer. Helaas voelde ook voor M. de thuiskomst ditmaal anders. Een bezoek aan haar hartsvriendin in Amsterdam, de dag voor ons vertrek, had haar de indruk gegeven dat het snel bergafwaarts ging. Ze vroeg zich af of ze niet in de buurt moest blijven voor als de toestand zou verslechteren.

Vijlen en Vaals voelen ver als je vriendin in haar laatste fase verkeert. M. wilde haar bijstaan. Met name de dochter, die veel zorg op zich nam, kon steun gebruiken. Maar deze reis naar Limburg stond gepland. En over het vluchtplan van degene die ons ging verlaten viel nooit iets te voorspellen. M. liet mij de plekken van haar jeugd zien. We zouden ook Moresnet bezoeken. M. liep er blind naartoe. Zo vaak ze deze tocht had ondernomen, zo ver scheen dat dichtstbijzijnde buitenland haar nu. Voor het eerst liet ze haar mobiel ook ’s nachts aanstaan.

Waar we ook heen gingen met onze gedachten, we maakten een paar prachtige wandelingen. Toen kwam het gevreesde bericht. Net voor het einde van onze korte vakantie. De vriendin was nog in leven maar niet meer te redden. We waren zo’n vier uur van haar verwijderd. De vraag of ze nog bij kennis zou zijn hing gedurende de hele terugreis in de lucht. Tijdens die treinrit staarden we wezenloos naar buiten of herhaalden dingen die we al wisten.

Dat zij – Spaans van geboorte – een vrouw leek van zes continenten. Dat ze zich misschien wel ergens thuis had willen voelen, maar dat het er nooit in had gezeten. Dat dit voornamelijk voortkwam uit relaties (ze verdiende geen prijs voor partnerkeuze). Ze had haar jonge gezin over de aarde gesleept in het belang van de liefde, maar nergens rust gevonden. En toch was ze steeds een voorbeeld geweest van hoe je alles uit het leven kunt halen.

Nergens rust gevonden, behalve straks misschien. De noodgedwongen rust aan het eind van een bewogen, koortsachtig, opwindend, passievol bestaan. Waar ook het beeld bij hoorde van ontworteling, waardoor je haar eufemistisch ‘ongebonden’ kon noemen. Als er één leven zonder thuis was. Geen vaste plek, alleen maar pleisterplaatsen. Een raar idee dat ze zo vroeg en zo onherroepelijk werd stilgezet.