Limburgse dagen (de Griek in Vaals)

Naar de Griek in Vaals met de zusjes en zwagers van M – inclusief haar achterneefje Stijn, dat bij oma Lillian logeert – waarom ging ik dat zo lang uit de weg?

Zij van het restaurant vormen ook een familie, dat zie ik aan de neuzen, de ogen, de serveermotoriek. Ik zie het aan de mama (‘patrino’ in het Grieks) in een zwart gewaad van het fijnste kant en een zilveren kruis op haar borst.

Ze doet niet veel anders dan heen en weer schuifelen tussen de keuken en de bar. Ze schijnt zich met niets meer te bemoeien maar ziet natuurlijk alles. Ze monitort de afrekeningen.

Zou de ‘godfather’ van deze clan nog leven? Ik hunker naar zo’n positie. Pater familias zijn van een grillvleessyndicaat – nee, geen duistere maffiazaakjes daarnaast – die met vanzelfsprekend leiderschap de boel de boel laat.

Het scheelt dat de zusjes en zwagers van M hier goede klanten zijn. De coronaregels ten spijt, wordt er vriendschappelijk op schouders geklopt. De ouzo’s staan al klaar, nog voor wij plaats nemen.

Ook aan de kleine is gedacht. Hij krijgt een kinderaperitiefje waarvoor hij zich even losmaakt van de nek van zijn oma. Hij heeft vandaag als pluche variant zijn giraffe meegebracht. Wij zijn nog steeds vriendjes maar zou ik zijn beest met rust kunnen laten en geen ‘Dikkertje Dap’ willen zingen?

Bij en met de liefste familie van Limburg om niet te zeggen Nederland. Waar, na de vlaai, eveneens een eerlijk stuk vlees werd geserveerd.

Ik breng een toast uit op de familie. M heeft mij vandaag haar (groot)ouderlijk huis laten zien, waar ze vanzelfsprekend geluk heeft gekend. Ze toonde mij ook haar, door nonnen geregeerd, gymnasium, waar ze nooit kon aarden, maar hele hoge cijfers haalde.

Er worden nieuwe ouzo’s neergezet.

Hier mag iedereen druk zijn aan tafel, mits men de pikorde respecteert. Gesticuleren en argumenteren vormt de ware saus op de eiwitten. Niet teveel denkkracht ten toon spreiden. Ook niet te snedig willen zijn. Alleen maar ontzettend sociaal.

Theo, de opa van Stijn, schenkt mij zijn tweede drankje. Hij moet nog rijden.

Ik zet mijn vegetarische principes gedurende deze dagen aan de kant en bestel een Troje-schotel. Dat plateau bevat zoveel vlees dat het niet op één bord past. De extra bouwstoffen doen de beenspieren goed.

M en ik zijn vandaag helemaal naar Kelmis gewandeld in België waar de huizen oerlelijk bleken want door geen enkel bouwvoorschrift gehinderd. Maar de bewoners waren bijzonder behulpzaam, of ze nu Duits, Waals of Vlaams spraken. Wij vroegen de weg naar een oude zinkmijn. Die we overigens nooit hebben gevonden.

Ellen schuift haar tweede ouzo in mijn richting. Zij bestuurt de andere auto.

Wat zou ik graag de Griek zijn van dit dorp. De leverancier van een eerlijk stuk vlees aan hardwerkende autochtonen en immer tevreden (want op vakantie zijnde) toeristen. Ik zou er nooit helemaal bij horen en toch gemist worden als ik er niet was. Dat is mij in de tien jaar dat ik in Limburg woonde nooit gelukt.

Troje heet de zaak, dus niet Het Paard van Troje. Ik zit daar steeds aan te denken, ik weet niet waarom. Misschien zag ik mijzelf wel als zo’n paard in M’s familie. Maar ik heb me bedacht, al mijn aanvankelijk verzet is in de kiem gesmoord.

Jo schenkt mij de hele avond bij. De glazen zijn zomaar veranderd in tinnen kruikjes zonder bodem. We worden drinkebroers. Ik geef mij over. Deze Limburgse tak is mij lief.

Ik heb zin om heel hard ‘ouzo’ te roepen à la ‘Banzai’ van Japanse kamikazepiloten. Of ik dit voornemen heb uitgevoerd weet ik niet meer. M vertelde samenvattend dat ik aanwezig was.

We gaan voldaan in een kleine colonne huiswaarts. Er bevinden zich kinderzitjes in beide auto’s. Er passen maar drie volwassenen in één auto. Iedereen hier zorgt voor kleinkinderen. Er groeit een nieuwe tak aan de stamboom. Die de intensieve veehouderij weer nieuwe diensten zal bewijzen. Zoals ik hier, vanavond, in het Vaalser Troje.

PS: Een trouwe lezeres laat mij het volgende weten: ‘De vader van de Trojefamilie was er meestal. Men laat hem nu echter thuis want zijn warriger wordende amicaliteit werd de familie iets te gênant.’