Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme

Het placebo-effect wordt duur betaald.

Laat deze zin even goed tot je doordringen: ‘Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme dat verder gaat dan het placebo-effect is aangetoond voor alternatieve medische therapieën.’

Deze bewering, op deze manier geformuleerd, is terug te vinden in de volgende wetenschappelijke uitgaven:

  1. Edzard Ernst, Alternative Medicine: A Critical Assessment of 150 Modalities. Springer (2019), “Chapter 2: Why evidence?”. ISBN 9783030126018.
  2. Moyad MA. (2002). The placebo effect and randomized trials: analysis of alternative medicine.. Urol Clin North Am. 29 (1): 135–x. DOI: 10.1016/s0094-0143(02)00039-3

Woorden van gelijke strekking zijn door talloze wetenschappers nog talloze malen herhaald. Zij kwamen tot deze conclusie na gedegen onderzoek.

Alternatieve geneeswijzen worden ook wel complementaire geneeswijzen genoemd. Ik vind dat als taaljongen een veel te verzachtende term. ‘Geneeswijzen’ bevalt me ook niet. De termen “alternatief”, “complementair” en “geneeswijze” kunnen maar beter niet worden gebruikt, omdat deze de indruk kunnen geven dat deze behandelwijzen een alternatief of aanvulling kunnen vormen of ook werkelijk tot genezing kunnen leiden. Dat is bewezen niet zo. De KNMG, de Nederlandse artsenfederatie, spreekt van niet-reguliere behandelwijzen. Dat lijkt me een betere aanduiding.

De Nederlandse regering heeft in 1983 de Gezondheidsraad om advies gevraagd over gebruik van de termen. De daarvoor door de Gezondheidsraad geïnstalleerde commissie volgde de Commissie Muntendam in het gebruik van de termen “regulier” en “alternatief”. De commissie wilde echter niet spreken over “alternatieve geneeswijzen”, maar koos voor de neutralere aanduiding alternatieve behandelwijzen, vanwege het ontbreken van bewijs voor “genezing”. Dat was wat mij betreft een gezond besluit.

Na invoering van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865), die het domein van de reguliere geneeskunde afbakende en voorbehield aan artsen, werd er pas een onderscheid gemaakt tussen reguliere en alternatieve behandelingen. Ook na invoering van de wet werden naast de reguliere geneeskunde alternatieve behandelingen toegepast. In deze periode bestonden deze alternatieve behandelingen uit bijvoorbeeld fytotherapie en homeopathie, en aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een hausse aan de later verboden patentmiddelen.

In 1973 kwam in Nederland de Staatscommissie Medische Beroepsuitoefening (‘Commissie Muntendam’) met het voorstel van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet BIG. Deze werd uiteindelijk in 1999 van kracht. De Wet BIG komt erop neer dat sinds de vervanging van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865) door de Wet BIG iedereen geneeskunde mag bedrijven. Er zijn wel zgn. voorbehouden handelingen, die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan. Voor Nederland zijn deze “voorbehouden handelingen”: heelkundige handelingen, verloskundige handelingen, endoscopieën, katheterisaties, injecties, puncties; narcose, het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende straling, cardioversie, defibrillatie, elektroconvulsietherapie, niersteenvergruizing en kunstmatige fertilisatie.

Alternatieve therapeuten kunnen in Nederland lid worden van een beroepsorganisatie, en bij elke beroepsvereniging is er de verplichting om lid te zijn van een organisatie die een klachtenregeling en/of tuchtrecht kan verzorgen. De overheid laat de beroepsverenigingen van alternatieve geneeswijzen vrij in het bepalen van hun opleidings- en kwaliteitseisen. Dat vind ik jammer.

In 2016 is in Nederland daarnaast de Wet op de Kwaliteit en Geschillen in de Zorg (Wkkgz) van kracht geworden, op grond waarvan de positie van alternatieve zorgverleners is veranderd, indien zij voldoen aan de door de wet gestelde kwaliteitscriteria, die ook gelden voor reguliere zorgverleners en behandelaars. De wet beoogt onder andere een betere en snellere aanpak van klachten, het overhevelen van de klachtenprocedures naar een externe Klachtenfunctionaris en een Geschillencommissie, en het veilig kunnen melden van incidenten. Dat vind ik een goede ontwikkeling.

In de Europese Unie wordt het Europees Parlement geconfronteerd met een tegenstrijdige toestand, waarin een behandelaar die in het ene land officieel erkend wordt, in een ander land van de Europese Gemeenschap aangeklaagd kan worden voor het onwettig uitoefenen van geneeskunde. Dit is in strijd met het Verdrag van Rome. In 1997 is ‘Het Statuut van de niet-conventionele Geneeswijzen’ aangenomen. Het Europees Parlement vraagt daarin aan de Commissie zich in te spannen voor de verdere erkenning van de niet-conventionele geneeswijzen. Dat vind ik jammer. Er staat ook in dat erkenning pas komt als de werking bewezen is. Gelukkig maar. Dat zou logischerwijze moeten betekenen dat verdere erkenning er nooit van komt.

Op initiatief van de Europese Unie hebben onderzoekers in de COST (European Cooperation in the field of Science and Technology) B4 samenwerking het wetenschappelijk werk omtrent de niet-conventionele geneeswijzen verzameld. Het eindrapport van COST B4 zegt dat er onvoldoende bewijs van werking is, maar ook dat het mogelijk is om de al dan niet optredende werking van alternatieve geneeswijzen te testen met wetenschappelijk gangbare methodes. Dat sprak de beweringen tegen dat “conventionele wetenschap” voor alternatieve geneeswijzen niet toepasbaar is. Ik zeg: laat conventionele wetenschap maar los op alternatieve geneeswijzen. De conclusie zal altijd zijn (en ik herhaal de bovenstande zin):

‘Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme dat verder gaat dan het placebo-effect is aangetoond voor alternatieve medische therapieën.’

Alternatieve geneeswijzen worden soms, en vooral door skeptici, afgedaan als onwetenschappelijk en benoemd als ‘kwakzalverij’. Ik sluit mij aan bij deze benaming. De Hoge Raad der Nederlanden stelde in 2009 vast dat de medische wereld een behandeling als kwakzalverij beschouwt wanneer, zonder dat daar wetenschappelijk bewijs voor is, gesteld wordt dat iets kan genezen. Iemand die behandelt met alternatieve geneeswijzen, mag in Nederland een kwakzalver genoemd worden, maar dat kan juridische gevolgen hebben. De rechter kan dus ingrijpen als je iemand ten onrechte voor kwakzalver en leugenaar uitmaakt. Dat is bij mijn weten nog maar één keer gebeurd. Ik ben erg benieuwd naar de juriprudentie van de toekomst. Misschien had De Vereniging tegen Kwakzalverij in 2002, in de zaak van Hans Houtsmuller niet in één adem de woorden kwakzalver en leugenaar moeten gebruiken. Wat mij betreft zijn ze ten onrechte veroordeeld.

Gelukkig blijft BIG-registratie voorbehouden aan beoefenaren die een daartoe aangewezen medisch, zoals artsen, of een paramedisch beroep beoefenen. Negentig procent van de beoefenaars die bij een beroepsvereniging voor alternatieve geneeswijzen staat ingeschreven, heeft geen arts-diploma.

Een klein deel van de reguliere artsen in Nederland studeert verder in alternatieve richtingen zoals homeopathie, chiropraxie, manuele therapie, antroposofie, osteopathie of acupunctuur. Dat acht ik een slechte ontwikkeling. Zo’n huisarts zou ik niet willen hebben. In Nederland vertegenwoordigen de alternatieve artsenverenigingen ongeveer 1000 artsen (1,2 % van het aantal in Nederland geregistreerde artsen). Het aantal therapeuten zonder artsenopleiding ligt hoger.

Ik vind dat het handelen van artsen een wetenschappelijk fundament moet hebben en dat artsen dienen te handelen volgens de evidence-based richtlijnen. Ik onderschrijf de KNMG in een gedragsregel dat “de arts zich moet richten naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, gecombineerd met klinische ervaring en rekening houdend met de wensen, verwachtingen en ervaringen van de patiënt”. De arts zal niet voorbij gaan aan reguliere behandelingen, mag geen valse hoop op genezing geven en moet zorgen dat de patiënt geen schade oploopt. Ook dient de arts oog te hebben voor het bredere welzijn van de patiënt.

Ik vind het bijzonder prettig dat in de Nederlandse verplichte basiszorgverzekering geen dekking van alternatieve geneeskunde is opgenomen. Dat vrijwel alle zorgverzekeraars dit wel aanbieden in hun aanvullende verzekeringen is dan wel weer spijtig. De eerste verzekeraar die niet meedoet aan deze onzin mag op mij als klant rekenen.