Jihadisten bespotten mag ook al niet meer?

Een docent van het Emmauscollege in Rotterdam zit ondergedoken.

Hij legde nog uit dat het niet over een spotprent van Allah of Mohammed ging maar over een jihadist. Een islamitische extremist dus. Het mocht niet baten. Drie schoolmeisjes beschuldigden de docent van godslastering. Er verschenen foto’s op Instagram en Facebook van het prikbord in het klaslokaal met daarop de gewraakte cartoon, waarna de leraar online werd bedreigd.

De docent zit inmiddels ondergedoken. De betreffende leerlingen kunnen gewoon naar school. Wat een groot gebrek aan consideratie met de slachtoffers van aanslagen door moslimterroristen – en hun rouwende nabestaanden – om juist in deze tijd een punt te maken van een cartoon die alleen maar ingaat en commentarieert op iets dat evident verschrikkelijk is.


In de afgesloten leefwereld van de geïndoctrineerde meisjes was misschien alleen een leraar van een openbare middelbare school nog enigszins in staat om hen iets bij te brengen over diversiteit en vrijheid van meningsuiting, maar deze man hebben zij het lesgeven nu onmogelijk gemaakt. Ik vrees dat de enggeestige omgeving van de meisjes verder voornamelijk uit Nederlandse moslims bestaat. Een initiatief om beledigen van de profeet strafbaar te stellen vindt daar ondertussen brede steun.

Ik onderga het knarsetandend, maar denk: ok, goed, laat dat zo zijn, dan zal ik Allah of Mohammed hier sparen. Deze site wordt gelezen door vijf man en een paardenkop maar toch; je mag je eigen veiligheid toch enigszins bewaken? Dat de meisjes zich keerden tegen mensen die spotprenten van NIET-heiligen afbeelden, zal wel een vergissing zijn. Hun ouders leggen hen hopelijk uit dat ze zich niet ‘roomser dan de Paus’ hoeven te gedragen. En verder dat een welgemeend sorry nu misschien op z’n plaats is?

Aanvulling 6 november 2020 (bron:NRC):
De Rotterdamse politie heeft vrijdagochtend een 18-jarige vrouw aangehouden op verdenking van opruiing. Een post van haar op sociale media zou anderen hebben aangezet tot „het plegen van strafbare feiten richting het Emmauscollege en een docent.”

Het gelijksoortigheidsbeginsel:

Behandel Homeopathie als alle andere vormen van kwakzalverij.

Sommige mensen geloven alleen al in homeopathie omdat de behandelmethode zo enorm lang bestaat. Dan moet het wel werken, schijnt hun voorbarige redenering te zijn. Homeopathie is een tweehonderd jaar oude therapie gebaseerd op pseudowetenschappelijke ideeën, ontworpen door de Duitse arts Samuel Hahnemann (1755 – 1843).

Hahnemann formuleerde drie onzinnige ‘natuurwetten’. Zo veronderstelde hij dat ziekten worden veroorzaakt door een verstoring van de ‘levenskracht’ in de mens, een gedateerd en vaag begrip. Zijn behandeling vatte hij samen in de Latijnse slagzin similia similibus curentur, of wel: men moet het gelijkende met het gelijksoortige behandelen (het gelijksoortigheidsbeginsel). In de woorden van Hahnemann: “Kies om snel en zeker te genezen een middel dat een soortgelijke aandoening kan veroorzaken als die het genezen moet.”

Hahnemann slikte allerlei stoffen (vaak merkwaardige, zoals fijngewreven honingbijen, gemalen oesterschelp en geroosterde badspons voor de luchtwegen). In zijn zogenaamde geneesmiddelenproeven bracht hij de optredende verschijnselen in kaart. Hij hield van al die middelen de symptomen bij. Van sommigen, zoals kamille, wolfskers, zwavel en inktvis tekende hij honderden verschillende symptomen op waar hij last van kreeg. Vertoon je één van die ziektesymptomen, redeneerde hij, dan is direct duidelijk welke stof moet worden ingenomen om te genezen.

Van suggestie of placeboverschijnselen, laat staan van dubbelblind gecontroleerd onderzoek, had men in Hahnemanns tijd nog niet gehoord. Homeopaten maken bij het zoeken naar het juiste, gelijkende middel nog altijd gebruik van Hahnemanns beeldenbijbel De Organon, een verzameling van tien dikke boekdelen waarvan de eerste editie dateert van 1810. Deze bijbel is later in eigen homeopatenkring in Duitsland fel bekritiseerd en onderuit gehaald.

De Duitse homeopathische arts Fritz Donner werkte lang als chef-‘arts’ in de homeopathische universiteitskliniek in Berlijn. Hij deed in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw vergelijkbare ‘symptomen’-observaties als Hahnemann en concludeerde op basis daarvan – met pijn in het hart, liet hij later weten – dat vermeende resultaten vooral aan een placebo-effect moeten worden toegeschreven. “Uiteindelijk was het resultaat dat de geneesmiddelleer in werkelijkheid in hoge mate dubieus is, hetgeen de vooraanstaande homeopaten niet weten of eenvoudigweg niet tot zich kunnen of willen laten doordringen”, schrijft Donner in een van zijn beroemd geworden brieven aan collega-homeopaten. 

De grote homeopathische hersenkronkel is verdunning. Het genezende vermogen van een stof berust niet op een materieel (chemisch of fysisch) proces, maar op een immateriële, geestelijke kracht, aldus het homeopathische gedachtegoed. Deze kracht moet door schudden worden vrijgemaakt waarbij het middel tegelijkertijd wordt verdund. Hoe vaker geschud en verdund des te sterker de geneeskracht zou zijn.

Verdunnen gebeurt met behulp van alcohol, meestal in stappen van 1 : 10, of 1 : 100. Bij elke stap wordt het middel een voorgeschreven aantal malen zodanig geschud dat het glas telkens tegen een enigszins elastische ondergrond stoot, waarbij dus een schok door de vloeistof gaat. Onoplosbare stoffen worden in de verhouding 1 : 10 of 1 : 100 langdurig gemengd met melksuiker. Dit verdunningsproces – waarbij de geneeskracht dus toeneemt met het afnemen van de hoeveelheid stof – noemt men potentiëren; door deze homeopathische bereiding ontstaan zogeheten potenties.

De verdunningsgraad wordt aangegeven met een letter en een getal. Chamomilla D6 staat bijvoorbeeld voor zes keer geschud en in stappen van 1 : 10 verdund kamille-sap; omgerekend een miljoen maal verdunning. Pyrogenium C12 is 12 keer geschud, een verdunning eindigend in talloze nullen. In hogere potenties (D24 of C12 en hoger) zitten er bijna tot geen moleculen van de oorspronkelijke stof meer in het middel. C30 is een veel gebruikte verdunning in de homeopathie: daar zit dus geen enkele molecuul meer van de oorspronkelijke stof in. Voor homeopaten is dit geen reden om aan de geneeskracht te twijfelen omdat aan ‘genezen’ immers geen materie te pas komt, geloven ze. Moderne homeopaten hebben moeite met dit concept van ‘geestelijke geneeskracht’ en spreken liever van ‘energetische processen’ die overigens ook niet met conventionele middelen zijn te meten.

Veel homeopaten vinden vaccinatie van besmettelijke (kinder)ziekten, zoals opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), vaak niet nodig. Met name klassiek homeopaten haten vaccins. Eén van de homeopathische stokpaardjes is het gebruik van sterk verdunde en geschudde middelen voor of na vaccinatie ter preventie van het zogeheten ‘post-vaccinaal syndroom’. Sommige homeopaten duiden hiermee een verzameling uiteenlopende acute en chronische klachten aan, die voorkomen na een vaccinatie. Een kind zal echter vrijwel altijd één van deze klachten vertonen, of het nu gevaccineerd is of niet. Het wetenschappelijke bewijs voor het bestaan van het post-vaccinaal syndroom is nooit geleverd.

Er zijn meer homeopathische excessen. Zo zijn er therapeuten die menen met homeopathische spoelmiddelen (Cease-therapie genoemd) autisme te kunnen bestrijden. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft in 2013 deze artsen gewaarschuwd. In 2016 heeft de Reclame Code Commissie (RCC) gezondheidsclaims van enkele Cease-therapeuten verboden.  

Homeopathie lijkt – na 200 jaar – zijn langste tijd te hebben gehad. Het aantal homeopathische artsen neemt de laatste jaren geleidelijk af. Ook het gebruik van homeopathische middelen en deelname aan homeopathische cursussen/opleidingen zijn op hun retour. De wetenschap heeft de afgelopen jaren een duit in het zakje gedaan. Er zijn dikke rapporten verschenen met als belangrijkste conclusie dat homeopathische middelen niet werken. De Australische National Health and Medical Research Council (NHMRC), tegenhanger van de Nederlandse Gezondheidsraad, heeft een uitgebreide literatuuranalyse gepubliceerd met als belangrijkste finale conclusie dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs is dat homeopathie werkt.

De Australische instanties hebben zich met hun rapport aangesloten bij eerdere bevindingen in Engeland. Een wetenschappelijke commissie van het Britse House of Commons concludeerde na een uitgebreide literatuuranalyse, dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs is voor de werking van homeopathische middelen. Reviewonderzoeken en meta-analyses geven aan dat homeopathische middelen niet beter werken dan placebo’s. De wetenschappelijke basis hierachter is simpel, schrijft de commissie: ‘Er kan geen wetenschappelijke verklaring zijn voor de homeopathische bewering dat ultraverdunde oplossingen zouden werken’.

Gezien de enorme commerciële belangen die de homeopathische illusie mede in stand houden, is het niet waarschijnlijk dat de homeopaten door welk onderzoek dan ook ooit zullen terugkomen op hun dwalingen. Tegen geldzucht helpt geen enkel middel.

Het werkt niet, maar het helpt wel

Zolang je de patiënt om de tuin leidt.

Hoe kunnen we verklaren dat alternatieve therapieën die geen biologische basis hebben, toch tot tevredenheid bij de gebruikers leiden?

Een benadering is de redenering die Steven Rose gebruikt in zijn boek The Concious Brain. Rose wijst op het feit dat er verschillende niveaus zijn waarop men een (biologisch) verschijnsel kan beschrijven en verklaren. Hij schetst een model waarin hij acht niveaus onderscheidt:

1. natuurkundig;
2. chemisch;
3. anatomisch-biochemisch;
4. fysiologisch (eenheden);
5. fysiologisch (systemen);
6. psychologisch;
7. sociaal-psychologisch;
8. maatschappelijk.


Een voorbeeld. Muziek kan beschreven worden door een natuurkundige in termen van trilling en toonhoogte, maar een muziekliefhebber zal muziek beschrijven zoals hij die ervaart, de ontroering die de muziek bij hem teweeg brengt. De natuurkundige en de muziekliefhebber beschrijven hetzelfde verschijnsel en hoewel de beschrijvingen niet van elkaar afgeleid kunnen worden, zijn beide legitiem.

Een voorbeeld uit het boek. Men evalueert het effect van behandelingen traditioneel op het anatomische-biochemisch niveau. In het geval van kanker kijkt men naar de uitkomst van een behandeling op de ontwikkeling van de tumor. Neem een vrouw met uitzaaiingen van borstkanker die behandeld wordt voor pijnklachten door botmetastasen. Een mogelijke behandeling is die met bifosfonaten. Daar wordt mee beoogd de osteoclasten te remmen. Het uiteindelijke doel van de behandeling is symptomatisch, pijnbestrijding. In termen van Rose: de behandeling is op niveau 3 (anatomisch-biochemisch), het effect is enerzijds ook op niveau 3, remming van osteoclasten, maar het uiteindelijk beoogde doel is minder pijn, en daarmee een beter welzijn, niveau 6, psychologisch. Er zijn nu drie mogelijkheden: (1) de osteoclasten worden geremd, de patiënt heeft minder pijn; (2) de remming van de osteoclasten is niet succesvol en de patient merkt ook verder geen effect van de behandeling; (3) er is geen remming van de osteoclasten – zoals blijkt uit een botscan – maar de patiënt heeft toch minder pijn en daarbij een wat beter welzijn.

De eerste situatie is uiteraard medisch gezien de meest wenselijke, maar het bewijs hiervoor is lastig en alleen mogelijk via dubbelblind gerandomiseerd onderzoek. De derde situatie is er een die omschreven kan worden als: ‘het werkt niet (op niveau 3, er is immers geen effect op anatomisch-biochemisch niveau), maar het helpt wel’ (de patiënt geeft aan minder pijn te voelen, voelt zich energieker, het psychologisch niveau 6). Het is aannemelijk dat in de reguliere geneeskunde deze situatie zich nogal eens voor zal doen. In dit verband wordt van een placebo-effect gesproken. Met een placebo-effect wordt meestal bedoeld dat de interventie gericht op niveau 3, maar daar niet werkzaam, een effect heeft op niveau 6, de patiënt rapporteert minder pijn en voelt zich beter.

Het debat over alternatieve behandelingen zou aan helderheid winnen als duidelijk wordt afgebakend over welk niveau de discussie gaat. Het is aan de hand van het model van Rose makkelijk in te zien dat met name veel van de discussies over het effect van alternatieve behandelwijzen heen en weer zwalken tussen verschillende niveaus.

Een ander voorbeeld uit het boek. Haaienkraakbeen is een belangrijk bestanddeel van het houtsmullerdieet. Er wordt een effect beoogd op het biochemisch niveau, haaienkraakbeen als angiogeneseremmer. Maar de werking is nog nooit aangetoond. De conclusie kan niet anders zijn dan dat er op het biochemisch niveau geen effect is. Er is wellicht een effect op het zesde niveau, de patiënt voelt zich wat beter, bijvoorbeeld doordat hij minder angstig is. Uiteraard is het daarbij voor de alternatieve arts nodig om de patiënt wijs te maken dat hij een middel in handen heeft dat een effect op de tumor heeft. Want zou hij zeggen wat hij eigenlijk zou moeten doen: ‘Van mijn behandeling met haaienkraakbeen is nog nooit aangetoond dat het een effect heeft op de tumor. Maar omdat u denkt dat het misschien wel zo is voelt u zich wellicht wat beter’, dan helpt deze alternatieve arts zijn eigen behandeling om zeep.

Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme

Het placebo-effect wordt duur betaald.

Laat deze zin even goed tot je doordringen: ‘Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme dat verder gaat dan het placebo-effect is aangetoond voor alternatieve medische therapieën.’

Deze bewering, op deze manier geformuleerd, is terug te vinden in de volgende wetenschappelijke uitgaven:

  1. Edzard Ernst, Alternative Medicine: A Critical Assessment of 150 Modalities. Springer (2019), “Chapter 2: Why evidence?”. ISBN 9783030126018.
  2. Moyad MA. (2002). The placebo effect and randomized trials: analysis of alternative medicine.. Urol Clin North Am. 29 (1): 135–x. DOI: 10.1016/s0094-0143(02)00039-3

Woorden van gelijke strekking zijn door talloze wetenschappers nog talloze malen herhaald. Zij kwamen tot deze conclusie na gedegen onderzoek.

Alternatieve geneeswijzen worden ook wel complementaire geneeswijzen genoemd. Ik vind dat als taaljongen een veel te verzachtende term. ‘Geneeswijzen’ bevalt me ook niet. De termen “alternatief”, “complementair” en “geneeswijze” kunnen maar beter niet worden gebruikt, omdat deze de indruk kunnen geven dat deze behandelwijzen een alternatief of aanvulling kunnen vormen of ook werkelijk tot genezing kunnen leiden. Dat is bewezen niet zo. De KNMG, de Nederlandse artsenfederatie, spreekt van niet-reguliere behandelwijzen. Dat lijkt me een betere aanduiding.

De Nederlandse regering heeft in 1983 de Gezondheidsraad om advies gevraagd over gebruik van de termen. De daarvoor door de Gezondheidsraad geïnstalleerde commissie volgde de Commissie Muntendam in het gebruik van de termen “regulier” en “alternatief”. De commissie wilde echter niet spreken over “alternatieve geneeswijzen”, maar koos voor de neutralere aanduiding alternatieve behandelwijzen, vanwege het ontbreken van bewijs voor “genezing”. Dat was wat mij betreft een gezond besluit.

Na invoering van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865), die het domein van de reguliere geneeskunde afbakende en voorbehield aan artsen, werd er pas een onderscheid gemaakt tussen reguliere en alternatieve behandelingen. Ook na invoering van de wet werden naast de reguliere geneeskunde alternatieve behandelingen toegepast. In deze periode bestonden deze alternatieve behandelingen uit bijvoorbeeld fytotherapie en homeopathie, en aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een hausse aan de later verboden patentmiddelen.

In 1973 kwam in Nederland de Staatscommissie Medische Beroepsuitoefening (‘Commissie Muntendam’) met het voorstel van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet BIG. Deze werd uiteindelijk in 1999 van kracht. De Wet BIG komt erop neer dat sinds de vervanging van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865) door de Wet BIG iedereen geneeskunde mag bedrijven. Er zijn wel zgn. voorbehouden handelingen, die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan. Voor Nederland zijn deze “voorbehouden handelingen”: heelkundige handelingen, verloskundige handelingen, endoscopieën, katheterisaties, injecties, puncties; narcose, het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende straling, cardioversie, defibrillatie, elektroconvulsietherapie, niersteenvergruizing en kunstmatige fertilisatie.

Alternatieve therapeuten kunnen in Nederland lid worden van een beroepsorganisatie, en bij elke beroepsvereniging is er de verplichting om lid te zijn van een organisatie die een klachtenregeling en/of tuchtrecht kan verzorgen. De overheid laat de beroepsverenigingen van alternatieve geneeswijzen vrij in het bepalen van hun opleidings- en kwaliteitseisen. Dat vind ik jammer.

In 2016 is in Nederland daarnaast de Wet op de Kwaliteit en Geschillen in de Zorg (Wkkgz) van kracht geworden, op grond waarvan de positie van alternatieve zorgverleners is veranderd, indien zij voldoen aan de door de wet gestelde kwaliteitscriteria, die ook gelden voor reguliere zorgverleners en behandelaars. De wet beoogt onder andere een betere en snellere aanpak van klachten, het overhevelen van de klachtenprocedures naar een externe Klachtenfunctionaris en een Geschillencommissie, en het veilig kunnen melden van incidenten. Dat vind ik een goede ontwikkeling.

In de Europese Unie wordt het Europees Parlement geconfronteerd met een tegenstrijdige toestand, waarin een behandelaar die in het ene land officieel erkend wordt, in een ander land van de Europese Gemeenschap aangeklaagd kan worden voor het onwettig uitoefenen van geneeskunde. Dit is in strijd met het Verdrag van Rome. In 1997 is ‘Het Statuut van de niet-conventionele Geneeswijzen’ aangenomen. Het Europees Parlement vraagt daarin aan de Commissie zich in te spannen voor de verdere erkenning van de niet-conventionele geneeswijzen. Dat vind ik jammer. Er staat ook in dat erkenning pas komt als de werking bewezen is. Gelukkig maar. Dat zou logischerwijze moeten betekenen dat verdere erkenning er nooit van komt.

Op initiatief van de Europese Unie hebben onderzoekers in de COST (European Cooperation in the field of Science and Technology) B4 samenwerking het wetenschappelijk werk omtrent de niet-conventionele geneeswijzen verzameld. Het eindrapport van COST B4 zegt dat er onvoldoende bewijs van werking is, maar ook dat het mogelijk is om de al dan niet optredende werking van alternatieve geneeswijzen te testen met wetenschappelijk gangbare methodes. Dat sprak de beweringen tegen dat “conventionele wetenschap” voor alternatieve geneeswijzen niet toepasbaar is. Ik zeg: laat conventionele wetenschap maar los op alternatieve geneeswijzen. De conclusie zal altijd zijn (en ik herhaal de bovenstande zin):

‘Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme dat verder gaat dan het placebo-effect is aangetoond voor alternatieve medische therapieën.’

Alternatieve geneeswijzen worden soms, en vooral door skeptici, afgedaan als onwetenschappelijk en benoemd als ‘kwakzalverij’. Ik sluit mij aan bij deze benaming. De Hoge Raad der Nederlanden stelde in 2009 vast dat de medische wereld een behandeling als kwakzalverij beschouwt wanneer, zonder dat daar wetenschappelijk bewijs voor is, gesteld wordt dat iets kan genezen. Iemand die behandelt met alternatieve geneeswijzen, mag in Nederland een kwakzalver genoemd worden, maar dat kan juridische gevolgen hebben. De rechter kan dus ingrijpen als je iemand ten onrechte voor kwakzalver en leugenaar uitmaakt. Dat is bij mijn weten nog maar één keer gebeurd. Ik ben erg benieuwd naar de juriprudentie van de toekomst. Misschien had De Vereniging tegen Kwakzalverij in 2002, in de zaak van Hans Houtsmuller niet in één adem de woorden kwakzalver en leugenaar moeten gebruiken. Wat mij betreft zijn ze ten onrechte veroordeeld.

Gelukkig blijft BIG-registratie voorbehouden aan beoefenaren die een daartoe aangewezen medisch, zoals artsen, of een paramedisch beroep beoefenen. Negentig procent van de beoefenaars die bij een beroepsvereniging voor alternatieve geneeswijzen staat ingeschreven, heeft geen arts-diploma.

Een klein deel van de reguliere artsen in Nederland studeert verder in alternatieve richtingen zoals homeopathie, chiropraxie, manuele therapie, antroposofie, osteopathie of acupunctuur. Dat acht ik een slechte ontwikkeling. Zo’n huisarts zou ik niet willen hebben. In Nederland vertegenwoordigen de alternatieve artsenverenigingen ongeveer 1000 artsen (1,2 % van het aantal in Nederland geregistreerde artsen). Het aantal therapeuten zonder artsenopleiding ligt hoger.

Ik vind dat het handelen van artsen een wetenschappelijk fundament moet hebben en dat artsen dienen te handelen volgens de evidence-based richtlijnen. Ik onderschrijf de KNMG in een gedragsregel dat “de arts zich moet richten naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, gecombineerd met klinische ervaring en rekening houdend met de wensen, verwachtingen en ervaringen van de patiënt”. De arts zal niet voorbij gaan aan reguliere behandelingen, mag geen valse hoop op genezing geven en moet zorgen dat de patiënt geen schade oploopt. Ook dient de arts oog te hebben voor het bredere welzijn van de patiënt.

Ik vind het bijzonder prettig dat in de Nederlandse verplichte basiszorgverzekering geen dekking van alternatieve geneeskunde is opgenomen. Dat vrijwel alle zorgverzekeraars dit wel aanbieden in hun aanvullende verzekeringen is dan wel weer spijtig. De eerste verzekeraar die niet meedoet aan deze onzin mag op mij als klant rekenen.

Pseudowetenschap

Pseudowetenschap is een reeks ideeën gebaseerd op theorieën die als wetenschappelijk naar voren worden gebracht maar die in werkelijkheid niet wetenschappelijk zijn.

Wetenschappelijke theorieën worden gekenmerkt door onder meer het feit dat ze
(a) gebaseerd zijn op empirische waarnemingen en niet op het gezag van een of andere religieuze tekst;
(b) een aantal empirische fenomenen verklaren;
(c) empirisch getest zijn op een betekenisvolle manier, doorgaans door specifieke voorspellingen op basis van de theorie te testen;
(d) door empirische testen of door nieuwe feiten bevestigd worden of als onjuist worden beschouwd;
(e) onpersoonlijk zijn en daardoor door om het even wie, ongeacht het persoonlijke religieuze of metafysische geloof, kunnen worden getest;
(f) dynamisch en productief zijn, waarbij ze de onderzoekers leiden naar nieuwe kennis en begrip in de natuurlijke wereld in plaats van statisch en stilstaand waardoor geen enkel onderzoek of ontwikkeling mogelijk is; en
(g) met skepticisme worden benaderd en niet met lichtgelovigheid, vooral wat betreft paranormale of bovennatuurlijke krachten, en die feilbaar zijn en als hypothese naar voren worden gebracht eerder dan dogmatisch en onfeilbaar voor te stellen.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën zijn gebaseerd op een gezaghebbende tekst en niet op waarnemingen of empirisch onderzoek. Creationisten bijvoorbeeld doen enkel waarnemingen om onfeilbare dogma’s te bevestigen, niet om de waarheid over de natuurlijke wereld te ontdekken. Dergelijke theorieën zijn statisch en leiden niet tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen of tot een verbetering van ons inzicht in de natuurlijke wereld.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verklaren wat niet-gelovigen niet eens kunnen waarnemen, bv. orgonische energie.

Sommige theorieën kunnen niet worden getest omdat ze niet stroken met de stand van zaken in de empirische wereld, bv. de engramtheorie van L. Ron Hubbard.

Sommige pseudowetenschappelijk theorieën kunnen niet worden getest omdat ze zo vaag en rekbaar zijn dat om het even welk relevant ding kan passen in de theorie, bv. het enneagram, iriscopie, de theorie over meervoudige persoonlijkheden, de Myers-Briggs Type Indicator®, de theorieën achter vele New Age psychotherapieën, en reflexologie.

Sommige theorieën werden empirisch getest maar werden onjuist bevonden of vereisen diverse ad hoc-hypotheses om ze in stand te houden, bv. astrologie, bioritme, ondersteunde communicatie, plant perception en ESP. Ondanks het klaarblijkelijk onoverkomelijke bewijs van het tegendeel van de theorieën, geven de aanhangers ervan niet op.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën steunen op mythes en legendes uit de oudheid en niet op fysiek bewijs, zelfs wanneer de interpretatie van die legendes een geloof vereist dat in tegenstrijd is met de gekende natuurwetten of met bewezen feiten, bv. de theorie van Velikovsky, von Däniken en Sitchin.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën steunen op het selectief gebruik van anekdotes, intuïtie, en voorbeelden van bevestigende gevallen, bv. antropometrie, aromatherapie, craniometrie, grafologie, metoposcopie, personologie en fysiognomiek.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verwarren metafysische beweringen met empirische beweringen, bv. de theorieën van acupunctuur, alchemie, cellular memory, Lysenkoism, natuurgeneeswijze, reiki, rolfing, therapeutische aanraking en Ayurvedische geneeskunde.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verwarren niet alleen metafysische beweringen met empirische beweringen, maar houden ook vast aan meningen die in tegenspraak zijn met gekende wetenschappelijke wetten en maken daarbij gebruik van ad hoc-hypotheses om hun geloof uit te leggen, bv. homeopathie.

Pseudowetenschappers beweren dat hun theorieën gebaseerd zijn op empirisch bewijs, en ze maken daarbij soms zelfs gebruik van wetenschappelijke methodes. Maar vaak hebben ze een onvoldoende kennis van een beheerst experiment. Vele pseudowetenschappers scheppen er genoegen in om de consistentie van hun theorieën met gekende feiten of voorspelde resultaten aan te tonen, maar vergeten daarbij dat dergelijke consistentie nog geen bewijs is. Dat een goede wetenschappelijke theorie consistent is met de feiten is een noodzakelijke voorwaarde maar is op zich niet voldoende. Een theorie die door de feiten wordt tegengesproken is uiteraard geen goede wetenschappelijke theorie, maar een theorie die wel consistent is met de feiten is niet noodzakelijk een goede theorie. De waarheid van de hypothese dat de pest te wijten is aan kwade geesten kan bijvoorbeeld niet worden vastgesteld door de juistheid van de conclusie dat je de ziekte kunt vermijden door buiten het bereik te blijven van de kwade geesten.

Tijd om de HR-ballon door te prikken

Of willen we straks gewoon weer charlatans als trainers en coaches?

Human Resource Management houdt zich bezig met de vraag op welke manier men in de bedrijfswereld het best ‘menselijke middelen’ kan inzetten. Deze HR-wereld wordt geplaagd door nogal wat pseudowetenschappelijke nonsens. HR-praktijken die ondanks hun bedenkelijke wetenschappelijke waarde erg populair zijn in de bedrijfswereld zijn bijvoorbeeld de dubieuze theorieën van Maslow, Meyers-Briggs, Berne en Hermann, tot veelgebruikte methodes als de Transactionele Analyse en het Neurolinguïstisch Programmeren (NLP). Voorbeeld: schizofrenie zou volgens transactionele analyse een eigen keuze, een levensscript zou zijn.

Zijn de mensen in de HR-wereld die deze gebakken lucht verkopen overwegend naïef en te goeder trouw, of zitten er ook regelrechte charlatans bij? De meeste mensen, ook van de kant van de aanbieders (de consulenten, de trainers en coaches) zijn echt naïef. Niet gespeend van enige kennis over de werking van het brein en de huidige stand van de wetenschap inzake psychologisch onderzoek, vallen zij gemakkelijk ten prooi aan verkooppraatjes en allerhande marketingtechnieken. Zij weten niet aan welke effecten zij allemaal bloot staan – zoals pakweg het Barnumeffect – en denken dat hun ‘gezond’ verstand hen in staat stelt te oordelen zonder wetenschappelijke artikelen te raadplegen. De meesten hebben geen opleiding in de psychologie genoten, maar zijn mensen met een achtergrond in de rechten, economie, tolk-vertaling enzovoort, die op een bepaald moment hun carrière moe zijn en kiezen voor het trainersvak.

Er zitten absoluut ook charlatans tussen. Sommige aanbieders schrikken er niet voor terug valse referenties in te roepen of op zijn minst medewerking te suggereren van bekende personen. Zij beseffen dat hun test niet wetenschappelijk is. Ze stellen tegenover kritiek dat het niet om een meetinstrument maar om een methode gaat, terwijl ze dit tegenover hun goedgelovige slachtoffers verzwijgen en integendeel inroepen dat de test hoogst betrouwbaar en valide is, en diegenen die een licentie willen verwerven hiervan zelfs overtuigen door hen juridische clausules te laten ondertekenen.

Het ontbreekt de HR-wereld aan de openheid die het normale wetenschapsbedrijf kenmerkt. Een kritische houding wordt door pseudowetenschappers juist vaak als een ‘gebrek aan openheid’ beschouwd. Het is een immunisatietechniek om critici de mond te snoeren. Men verwijt de wetenschap te rationeel te willen zijn. De wetenschap zou volgens hen moeten beseffen dat er meer is dan de ratio kan bevatten; er is volgens hen het terrein van de emoties, de intuïtie, het spirituele en volgens sommigen ook het universum (alles is met alles verbonden; de kennis dwarrelt ergens rond in het universum). De wetenschap kan trouwens ook niet alles verklaren, en daar dichten zij de bres… Wie dus een pseudowetenschappelijke bewering nagaat en bekritiseert op basis van feitelijke onjuistheden
of van wetenschappelijk onderzoek dat bewijzen heeft geleverd dat de beweringen niet kloppen of de methodes niet werken (zoals voor vele bijzondere beweringen bij NLP – neurolinguïstisch programmeren – het geval is), krijgt als verweer dus ondermeer deze klassieker (“je staat niet open”) te horen. Dat is niet de enige klassieke verdediging. De meest gebruikte techniek is de stelling dat er in de wetenschap ook geen unanimiteit bestaat, dat men elkaar voortdurend tegenspreekt, en dat dus niemand de waarheid in pacht heeft. Dat er op veel terreinen een grote consensus is (zoals bijvoorbeeld over de grote lijnen van de evolutietheorie) wordt gemakshalve doodgezwegen.

De populaire praktijken kunnen ronduit schadelijk zijn. Er zijn twee aspecten: economische en menselijke. Nemen we eerst de economische. Dergelijke praktijken met valse claims leveren oneerlijke concurrentie op. Wie ernstige opleidingen wil geven, moet opboksen tegen reclame en valse beweringen die erg aantrekkelijk klinken in de oren van leken. Wie op een eerlijke manier tweedehandswagens probeert te verkopen, kan niet op tegen diegenen die de kilometerstand van een auto terugdraaien en daardoor een wagen van hetzelfde jaartal veel goedkoper kunnen verkopen. Ze houden er bovendien nog ruimere marges aan over, waardoor ze nog meer reclame kunnen maken en zo een dominantie positie verwerven. Sommige pseudomodellen zijn al zo lang op de markt en hebben al zoveel geld opgebracht dat je er marketinggewijs niet tegen opkan; ze beschikken over gigantische budgetten. Het is een vicieuze cirkel: wie veel geld heeft kan nog meer reclame maken en zo een dominante marktpositie verwerven.
Het menselijke aspect ten slotte: of de aanbieders nu naïevelingen of charlatans zijn, het probleem is dat de goedgelovigen er het slachtoffer van worden en dat dat niet zo onschuldig is als sommigen beweren. Je betaalt niet alleen vaak veel nutteloos geld, mensen krijgen ook een label opgekleefd dat het zelfbeeld ernstig kan aantasten. Daarnaast worden er carrièrebeslissingen op gebaseerd: mensen zetten hun “type” op hun CV, of omgekeerd, mensen worden op basis van hun “typologie” ongeschikt bevonden voor bepaalde functies. Nog erger dan het nutteloos bestede geld zijn dan de potentieel negatieve gevolgen op psychologisch of economisch vlak voor die mensen en hun gezin.

Het is een gebrek aan kritische zin die consultants en hun klanten vatbaar maakt voor het geloof in en de enthousiaste verspreiding van pseudowetenschappelijke theorieën en tests. Sommige promotors van pseudowetenschap maken misbruik van de naïeviteit en luiheid van mensen (om iets op te zoeken bijvoorbeeld) om hen zo in te lijven in hun kringen van “believers” en “geaccrediteerden”. Dat kom je tegen op alle niveaus: je ziet in de boekenkast van directeurs meer boeken van zelfverklaarde succesvolle ex-CEO’s als Jack Welch en Lee Iacocca staan dan degelijke boeken over leiderschap of een map met wetenschappelijke artikelen. Wie consulteert nog wetenschappelijke artikelen? Liever een populair boek of tijdschrift bol van meningen maar wars van feiten en wetenschap. De meeste HR-professionals zijn geen psychologen. Van diegenen die het wel zijn gaan er veel te weinig te rade bij academische literatuur.

Er bestaat een intuïtieve aantrekkingskracht van stereotypering. Die neiging is diepgeworteld. Psychologen noemen dit het aangeboren categorisatiesysteem. Om de wereld voor onszelf gemakkelijk en begrijpbaar te maken, delen we dingen en mensen liever op in categorieën. Het is bijvoorbeeld handig om te spreken van een categorie “vriendelijke” mensen en “onvriendelijke” mensen. Dat mensen naargelang de situatie vriendelijk of onvriendelijk kunnen zijn, weten we wel als we ons de moeite getroosten om even na te denken, maar het is wat te complex en dus kiezen we voor de eenvoudiger categorisatie.
Evolutionair psychologen menen dat dit systeem zijn nut had om de wereld beter te beheersen, vandaar dat volgens hen deze neiging zo diepgeworteld zit in ons brein. Overigens blijkt uit ander onderzoek dat stereotypen ergens wel een kern van waarheid bevatten, maar dat ze uitvergrotingen zijn van kleine verschillen. Zijn Nederlanders bijvoorbeeld echt zoveel arroganter dan Vlamingen? Zijn vrouwen echt zoveel empathischer dan mannen? Uit wetenschappelijk onderzoek zou je dit alvast niet kunnen concluderen.

Hoe kun je mensen weerbaar maken tegen onbetrouwbare onzin in de bedrijfswereld? Als we rekening houden met onze natuurlijke neiging tot stereotypering, moeten we ons niet te veel illusies maken. Marketing, verkooppraatjes en misleiding winnen het van de wetenschap. Hoe meer men weet over deze natuurlijke neigingen, hoe meer handige jongens daarop inspelen. We hebben gewoon niet de middelen en zijn met te weinig. Hun geroep overstemt de redelijkheid.

We mogen ons niet lijdzaam laten inpakken. Te hopen valt dat er een voldoende grote groep skeptisch denkende mensen blijft bestaan. Een ander strijdpunt vormt de wondere wereld van de coaching, nog steeds een groeimarkt waarin pseudowetenschap flink gedijt. Mensen laten zich ook fors betalen voor een goed gesprek, zogezegd gebaseerd op de Rogeriaanse aanpak en de humanistische filosofie. Dit goed gesprek leidt er dan toe dat je zelf bevalt van je eigen oplossing. Zou je hetzelfde vertrouwen hebben in je dokter als hij of zij dit met jou doet: “beste patiënt, wat is volgens u het probleem? En welke medicatie denkt u dat goed is voor u?”

Er zijn meer believers dan sceptici. Bizarre praktijken en overtuigingen van één top-HR-manager kunnen een heel bedrijf verzieken. Het is uiterst moeilijk om believers te bekeren. Heel begrijpelijk ook als je ziet hoeveel HR-verantwoordelijken en consultants aan licentierechten hebben betaald voor een opleiding. Als er geld mee gemoeid is, zijn er weinig mensen die een methode of bron van inkomsten afzweren. Vaak is het zo dat het kadermanagement erin gelooft en dat ze de HR-afdeling bijna dwingen om met een bepaald (pseudo)model te werken. Je zou hopen dat werknemers wat kritischer worden ten aanzien van wat hun interne opleidingsafdeling hen voorschotelt. Helaas is het erg moeilijk om mensen nog warm te maken voor een meer wetenschappelijk-kritische benadering.