Hoe gaat hij zijn kunstwerk aankleden?

Geobsedeerd door het uiterlijk; de moeizame creatie van een cover.

Het maken van een goede cover kwam niet echt van de grond. Hij liet bekenden zijn tussentijdse ontwerpen zien. Zij reageerden gereserveerd. Dat zei hem genoeg. Eenvoud en symmetrie, die woorden kwamen steeds terug in de instructiefilmpjes die hij bekeek op YouTube. Iemand zei woordspelerig dat goede omslagen niet ‘omslachtig’ zijn.

Minder scheen inderdaad meer.

Een wikkel mocht ‘niet ingewikkeld’ overkomen. Waar ‘had de hoes behoefte aan’? Nog zichtbaarder dan bij het schrijven, leek het bij zo’n ‘flap’ om de kunst van het schrappen te gaan. Minder scheen meer. Waar de voorkant van een boek dus niet op zat te wachten, was een grafisch bijdehandje, of een designer die alleen z’n eigen verhaal wilde slijten.

Natuurlijk zei de buitenkant iets over de binnenkant. Moest de vormgever bekend zijn met de inhoud van het boek? Liefst wel, maar deze hoefde het ook weer niet te hebben gelezen. Dit speelde niet in zijn geval. Hij had het boekje zelf geschreven. Hij kende zijn gedichten uit zijn hoofd. Als je niet oppaste, begon hij ze ongevraagd aan je voor te dragen.

Het Eenmansimperium moest een rijk op zichzelf blijven.

Dat hij alles zelf wilde doen leek hem het kenmerk van een eenmansuitgeverij, hoewel er genoeg voorbeelden waren van einzelgängers die taken uit handen gaven (al was het alleen maar uit overwegingen van schoonheid). Hij niet, hij bracht zijn zelfverklaarde autonomie zelfs tot uiting in de titel van zijn boekje. Het Eenmansimperium moest een rijk op zichzelf blijven. Daarin speelde hij heer en meester tegen wil en dank.

Hij fröbelde dagenlang met meer of minder succes. Toen begon het er plotseling op te lijken. Zijn ontwerp verloor zwaarte, kreeg zwier. Het fladderde welbewust op z’n doel af als een vlinder die nectar had geroken. Het streek gewichtloos neer op de drie katernen poëzie die zijn bundeltje bevatte. Hoera, dit was precies het uiterlijk dat hij zich wenste.

Die euforie duurde een halve dag. Toen ging zijn eeuwige zoektocht gewoon weer verder.

Woordenboeken dicteren niets

Ze volgen de vindingrijkheid van taalgebruikers

Taalgebruikers denken soms dat ze een woord niet mogen gebruiken als het niet in een woordenboek staat. Deze gedachtegang is even onhoudbaar als de opvatting dat men iets niet mag eten als het niet in een kookboek voorkomt. Vergeet de spelregels, beste lezers. We spelen hier geen scrabble. Taalpuristen voeren een verloren strijd tegen een vitaal communicatiesysteem. Elk woord dat in ons opborrelt staat ons vrij ter beschikking en mogen we vrijelijk toepassen.

Nou ja, misschien is het belangrijk dat we begrepen worden en de ander niet te zeer beledigen. Maar zelfs die doelen hoeven we niet na te streven. Ik kan me iemand voorstellen die juist op onbegrip wil stuiten of gewoon niet begrepen wil worden.

De woordvoorraad van onze taal overtreft de 400.000 woorden. Elke dag komen er naar schatting drie of vier nieuwe woorden of woordbetekenissen bij. Het grootste woordenboek van het Nederlands, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, bevat naar schatting drie miljoen trefwoorden. Toch kan er behoefte zijn aan een woord dat nog niet bestaat.

Woordenboeken dicteren niets, maar volgen de vindingrijkheid van taalgebruikers. Wie een woordenboek opslaat, komt lang niet altijd aan zijn trekken. Woordenboeken lopen voortdurend achter. Het gezag van een woordenboek is zo groot als het gezag dat de gebruiker er aan wil toekennen.

Wat iemand aan zijn dagboek toevertrouwt blijft vaak voor anderen verborgen. Maar het gebruik van woorden die anderen krenken kan wel strafbaar zijn. Aan het vrijelijk uiten van wat ons zoal voor de geest komt zitten dus ethische grenzen. Wanneer een rechter moet bepalen of het gebruik van een woord een belediging inhoudt, kan hij een woordenboek raadplegen, maar het woord zelf treft nooit blaam.

Het voorstel om discriminerende betekenissen uit de woordenboeken te schrappen, lost weinig op. Een woordenboek kan niets verbieden, een wetboek wel, maar alleen als een rechter dat nodig acht. Ik moest hier aan denken nu er standbeelden van foute leiders worden beklad, of zelfs uit de publieke ruimte verdwijnen omdat ze discriminerend zijn.

Ook woorden symboliseren soms het allerergste. Maar eenmaal onder de mensen, kun je ze nooit meer opheffen. Daarmee lijken ze hardnekkiger dan virussen. Gelukkig maar. Wat geldt voor de geschiedenis, geldt ook voor de taal: wie woorden wil schrappen is gedoemd om die te herhalen.

Komma

De komma geeft aan dat je bij het lezen even moet pauzeren. Je kunt een komma horen als je een zin langzaam uitspreekt. In de volgende gevallen plaats je een komma:

1. Tussen twee gezegdes:

  • Als Misja honger krijgt, eet hij vaak een appel.
  • Doordat het heeft gevraren, is het buiten glad.


2. Bij een opsomming:

  • Marcel weet nog niet of hij wil voetballen, squashen, skaten of gamen.
  • Deze drankhandel verkoopt bier, wijn en allerlei soorten sterkedrank.


3. Voor voegwoorden:

  • Myrthe moet naar de dokter, omdat ze over een krant is uitgegleden.
  • Erik heeft een toets, maar hij heeft er niet voor geleerd.


4. Voor en na een bijstelling. Een bijstelling is een stukje van een zin zonder gezegde dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord dat ervoor staat:

  • Natasja, die leuk meid, gaat morgen met vakantie.
  • Zijn buurman, een gepensioneerde agent, hield de buurt goed in de gaten.


5. Voor- of nadat iemand wordt aangesproken en voor of na woorden als ach, hè, hé:

  • Niels, wil je ook een stukje taart?
  • Waarom doe je zo gestrest, Kees?
  • Ach, zoek het uit!

Soms kan het plaatsen van een komma ervoor zorgen dat er iets heel anders staat.
– Honden die een baasje hebben, vertonen vaak kopieergedrag.
– Honden, die een baasje hebben, vertonen vaak kopieergedrag.
In de eerste zin vertonen alleen de honden die een baasje hebben kopieergedrag. In de tweede zin vertonen alle honden kopieergedrag.