De dichter als getuige van de richel

Schrijven op het scherp van de snedigheid.

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Claude Lorrain – Apollo en de Muzen op berg Helicon

De winterconciërge is weer in het land

Helaas kun je een film maar één keer op die ene manier beleven.

Welke film, dat deed er niet toe. Het ging om onze prille, wederzijdse gevoelens. Inez en ik hadden eigenlijk alleen de beschutting nodig van een bioscoopzaal. Een goed verhaal was mooi meegenomen. Toch konden we een hoop verdragen. Als ze ons maar met rust lieten.

Nou ja, zo klef waren we nu ook weer niet dat een zitplaats op de achterste rij, een beker popcorn en het schemerdonker, volstonden. Op een doordeweekse avond in een provinciestadje had je helaas slechts de keuze uit een film of drie. Dus legden we ons neer bij The Shining. Horror was niet echt ons ‘ding’.

Het griezelige plot zou zich daarna gestadig ontspinnen

Het hielp dat de leuningen van de stoelen in de bioscoop konden worden opgeklapt en dat de film al vanaf de negende minuut enge passages bevatte. Eng voor Inez althans, dat wilde zeggen: gunstig voor mij. De schoolvriendin kroop bij die eerste onheilspellende scènes wat dichter tegen mij aan. Het griezelige plot zou zich daarna gestadig ontspinnen. Voor mij was de film al geslaagd.

Met wie was het zoontje Danny aan het praten in z’n eentje? Met zijn imaginaire vriendje? Zijn ongecontroleerd bewegende vinger leek bezield. Er stak een zware grafstem in. Een geest uit het verleden? Zijn Likkepot klonk akelig bezeten. Kinderen met ingebeelde spookverschijnselen, het zou een bekend horrormotief worden.

De familie Torrance moest zich toen nog begeven naar het leegstaande Overlook Hotel, waar ze in de winter de egards gingen waarnemen en waar vader Jack zou proberen de rust te vinden om als schrijver zijn writersblock te overwinnen. Dat zou nog moeilijk worden.

Voordat Jack de klus van conciërge aanvaardde, legde de eigenaar uit wat er met de vorige beheerders was gebeurd. Dat mocht je opvatten als een bloederige vooruitwijzing. We begrepen als kijkers dat de vorige bewoners onze wintergasten, over hun graf heen, nog vaak gingen lastigvallen.

De telepathische gave van het zoontje Danny viel bij mij, als overtuigd niet-spiritueel, bijzonder slecht. Een jongetje dat beelden van gebeurtenissen uit het verleden kan oproepen en die met anderen communiceert die ook ‘The Shine’ hebben? Ik had er slechts een afkeurend gesis voor over. Uitgerekend Inez, die van angst hele stukken van het verhaal zou gaan missen, legde mij het zwijgen op.

“Stil nou, het is maar een verhaal.”

Dat bleek een uitstekend argument. Ik moest juist blij zijn dat de film, door gebruikmaking van welke middelen dan ook, volledig slaagde in z’n opzet. Inez leek er volkomen in op te gaan, al durfde ze regelmatig niet te kijken.

“Wat gebeurt er nu?” zou ze – met haar gezicht in mijn kraag of daaromtrent- nog vaak aan mij vragen. Ik werd een soort van beeldvertaler voor een blinde:

“Er klotst nu bloed uit de deuren van de hotellift.”

De (inmiddels beruchte) identiek geklede tweelingzusjes kwamen ook al vroeg in beeld, plotseling opduikend maar roerloos stilstaand in perfecte slagorde. In de labyrintische hotelgangen van het desolate hotel, met op de achtergrond dat snerpende synthesizergeluid van Wendy Carlos, bleken ze een probaat middel om kijkers de stuipen op het lijf te jagen. Maar ik had mijn plicht te vervullen. Ik had Inez’ angsten op mijn revers geprikt als een medaille voor onverschrokkenheid. Ik mocht me niet te druk maken.

Ik merkte aan haar hoe een mens binnen een mum van tijd klassiek geconditioneerd raakt. Het volstond om de camera heel langzaam door de gangen te bewegen zonder dat er feitelijk iets gebeurde. Die muziek alleen al. Ik zat op het puntje van m’n stoel terwijl Inez haar gezicht verder in mijn borst begroef. Ter hoogte van mijn hart zeg maar, dat nog nooit zo hard had geklopt om zoveel opwindende redenen.

Graag werd ik door haar angst en beven tot het einde toe in mijn mannelijkheid bevestigd. Die traditionele rol van onaangeroerde beschermer werd me bijna te machtig. Toen de getormenteerde Jack met zijn bijl op de deur van de badkamer begon te beuken, waar zijn vrouw zich doodsbenauwd voor hem verschool (‘Here is Johnny’), moest ik zelf even wegkijken.

Het was duidelijk, in z’n genre deed de film het beter dan voorbeeldig. Schrijver Stephen King mocht het dan niks vinden, omdat het verhaal wat al te losjes omging met zijn oorspronkelijke roman, maar The Shining kon – aangepast op essentiële punten om nog meer te ‘shinen’ – niet anders dan één van de beroemdste horrorklassiekers worden.

Ik had het voordeel ontdekt van huiveringwekkende verhaallijnen. De bijna ondraaglijke spanning in gruwelvoorstellingen was een uitstekend middel om meisjes te troosten. Niet dat die situatie zich na Inez nog eenmaal voordeed in mijn leven. Jammer maar helaas. In al de veertig jaar sinds de première heb ik deze film alleen nog in m’n eentje bekeken.

The Shining bestaat inderdaad veertig jaar en om dat te gedenken draaien de bioscopen momenteel de ‘extended edition’. Deze duurt 23 minuten langer dan de indertijd voor de internationale markt gemonteerde versie van bijna twee uur. Drie-en-twintig minuten langer met een kalverliefje aan mijn zijde, het zou me absoluut niet gaan vervelen. Maar inmiddels zijn we allemaal ouder en filmwijzer geworden.

Verborgen lagen, je kunt er een hele documentaire aan wijden.

Ik heb de film gedurende al die decennia een paar keer bekeken en begrijp er inmiddels iets meer van. Het is mij verder duidelijk dat verschillende uitleggers er verschillende dingen in willen zien en dat er dus controverse bestaat over de verklaring van scènes die inmiddels zo’n beetje museumstukken zijn geworden. Er is dus ook de nodige verwarring bijgekomen.

Sommigen wijzen op de cryptische boodschappen die regisseur Kubrick in deze film heeft gestopt uit schuldbesef over het feit dat hij het publiek zou hebben bedot met nepbeelden die hij maakte in opdracht van de NASA. Verborgen lagen, je kunt er een hele documentaire aan wijden, en dat is dan ook gedaan (zie Room 237 van Jay Weidner).

Heeft Kubrick het niet eigenlijk over de Holocaust, vragen sommigen zich af. Of worden we stiekem bestookt met subliminale reclametechnieken? Subteksten, vergaande veronderstellingen, academische hypotheses. Vaak diepere betekenissen dan wat de regisseur heeft willen zeggen. Eenmaal in roulatie gebracht, schijnt een film al niet meer van de maker te zijn.

Ook ik heb mij The Shining een beetje toegeëigend. Maar niet om er eigen speculaties op los te laten. Ik koester er de hierboven beschreven herinnering aan. Ben ik één van de weinigen die, bij de eerste keer kijken, niet heeft gerild van angst maar van begeerte? De speling van het lot wil dat Inez nu in Amerika woont alwaar ze een B&B runt met Troy, haar derde man. Ze bezitten drie kinderen en een hond genaamd Jack.