Limburgse dagen (deel 4)

Je sterft niet zomaar op een motor; eerst word je herboren.

Zodra ik plaats heb genomen op de motor van Jo, de zwager van M., schiet mij een anekdote te binnen over Theo Koomen, een radiojournalist bij de NOS die lange tijd verslag deed van de Ronde van Frankrijk. Ook hij zat achterop een motor. De man was ongebreideld enthousiast en leek altijd woorden te kunnen vinden voor wat er om hem heen gebeurde. Toch kon hij soms niet op de naam van een renner komen. Om zichzelf de tijd te geven om die op te zoeken verzon hij een excuus om de verbinding te verbreken. Hij zei zoiets als: “Beste luisteraars, het kan zijn dat ik wegval want we gaan nu door een tunneltje.”

Eerst gebruikte ik de schouders van mijn gids om mij aan vast te houden. Later ontdekte ik de greepjes bij het zadel.

Ik zit voor het eerst van mijn leven op een motor. Achterop of voorop, ik wist het vervoermiddel altijd te vermijden. De ervaring is mij bespaard gebleven als gevolg van een aantal lang gekoesterde vooroordelen. Ten eerste had ik het idee dat ik niet met mijn voeten bij de grond zou kunnen. Dit bleek aantoonbare onzin. Toen ik er beter op ging letten zag ik voldoende rijders van mijn lengte die niet omvielen voor het stoplicht.

Ten tweede associeerde ik motors met motorbendes. Die jongens mochten elkaar dan begroeten bij het passeren, het bleven onaangepaste vrijbuiters die geen belasting betaalden. Ook hier bleek ik over een ‘bias’ te beschikken. Niemand met een nummerplaat blijft onzichtbaar voor de fiscus.

Ten derde leek het mij volkomen bewezen dat motorrijders meer snelheidsovertredingen begaan dan welke andere weggebruikers dan ook. Dat kan waar zijn maar hoe zit het met de ongelukken die zij veroorzaken? Even de statistieken van het CBS erbij. Oeps, mijn derde vooroordeel wordt een hardnekkige, vrees ik. De cijfers in Nederland laten zien dat een motorrijder ‘dertig keer meer kans [heeft] op een dodelijk ongeval per afgelegde kilometer’. Maar of dat altijd door te hard rijden komt?

Afwezigheid van airbag, gordel en kooiconstructie doen hun werk. En dan is er nog zoiets als evenwicht. Motoren vallen makkelijker om dan een auto (afdoende beenlengte ten spijt). Door een drempel of een steentje op de weg kan er al een ongelukje of zwaar ongeval ontstaan, terwijl een auto er dan ook nog eens overheen kan rijden (bij dit laatste had ik niet direct stilgestaan. Het CBS maakt mij wijzer dan ik wil!). Ik vrees dat mijn derde vooroordeel, door verdere verdieping, ietwat van inhoud verandert, maar niet wordt weggepoetst. Motors zijn gewoon gevaarlijk.

Mijn vierde en laatste bezwaar betreft het lawaai dat ze maken. Ook daaraan zal ik nooit wennen. Op een terras in Thailand bedacht ik dat het geluid van deze voertuigen zich niet goed verhoudt tot het aantal personen dat ermee wordt vervoerd. Ik zag daar veel motorrijders met vrouw en kind achterop en soms nog wat kroost in een zijspan. Tegenover dergelijke taferelen stond ik sympathieker dan tegenover jongemannen die hun motor schenen te gebruiken om in geronk te zeggen wat het verstand niet kon bedenken.

Mochten er bij mij nog bezwaren bestaan tegen de motor, dan zijn ze op deze eerste rit behoorlijk bedwongen. Ik begrijp nu wat de charme is. De vrijheid, het avontuur, de beleving van het landschap. De beweging die je echt aan den lijve voelt door rijwind en dat ronkende geval tussen je benen. Al die vooringenomenheden blijken allemaal waar! Je leeft echt van seconde tot seconde onder het rijden. Je maakt dingen veel bewuster mee dan in een ‘kooi van Faraday’.

Jo is een ervaren ‘biker’ die in alle situaties zijn rust en wijsheid behoudt (deze eigenschappen zijn beslist uitbreidbaar tot voorbij zijn hoedanigheid als motorbestuurder). Alleen toen we een groepje wielrenners passeerden die nogal breed over de weg waaierden en er uit tegengestelde richting een auto aanstormde, werd ik stil. Ik twijfelde even aan mijn gids dus aan de goede afloop. Ik sloot m’n ogen en bedacht mij een tunneltje dat me uit de life-uitzending van dit leven voer op engelenvleugels. Daarna weer dat prachtige heuvellandschap.

De ironie van het lot wil dat Theo Koomen, die zo vaak op de motor zat tijdens wielerritten, stierf door een auto-ongeval, nadat hij de voetbalwedstrijd FC TwenteMVV had verslagen.

Limburgse dagen (deel 3)

Een identiteit die vaak werd omgesmolten. ‘Als een klompje zinkerst.’

Ik zal bescheiden blijven. Ik ben op zoek naar een verhaal in een gebied waarover het beste essay allang is geschreven. Verder moet ik er voor waken dat ik mezelf niet overgeef aan de troostende illusie van een betekeninsvolle ervaring. Toeval blijft toeval, onder alle omstandigheden. De dag waarop M. en ik Moresnet bezoeken blijkt ook de datum waarop, in 1914, Duitsland er binnenviel en dit kleine gebied beroofde van haar neutrale status. Dat is slechts één van de vele gebeurtenissen waarmee het stuk grond met een oppervlakte van amper 344 hectare te maken kreeg.

Bij de eerste bezetting van je land door een vreemde mogendheid wordt de vaderlandsliefde meestal nog aangewakkerd. Maar stel nu dat je ergens woont waar de nationaliteitswisselingen zo snel gaan dat je nooit het gevoel hebt dat je ergens bij hoort. Bestaat er een betere remedie tegen patriottisme, nationalisme of chauvisnisme? Wat dat aangaat zou je iedereen een dergelijke ontheemdheid gunnen. Gedurende mijn verblijf in Limburg herlees ik een boekje genaamd ‘Zink’ van David van Reybrouck. Hij voert Joseph Rixen op. Deze man heeft in zijn leven vijf nationaliteitswisselingen gekend zonder ooit te zijn verhuisd.

Neutraal Moresnet, officieel Het Onverdeelde Gebied van Moresnet, was van 1816 tot 1920 een neutraal gebied met een oppervlakte van amper 344 hectare dat toebehoorde aan zowel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (vanaf de onafhankelijkheid aan de nieuwe staat België) als aan Pruisen (vanaf 1871 Duitsland). Het gebied, in de vorm van een stompe driehoek, lag ten zuiden van de Vaalserberg en reikte tot aan de hoofdweg van Aken naar Luik. (Bron: Wikipedia)

Zijn moeder is een dienstmeisje bij een fabriekseigenaar in Düsseldorf van wie ze zwanger raakt en die haar daarom verstoot. Ze komt in 1902 in Neutraal Moresnet terecht dat de reputatie heeft een plek te zijn waar je problemen geheim blijven. Ze brengt haar zoon tegen betaling onder bij een pleeggezin. De jongen wordt speelbal van de bewogen geschiedenis van het ministaatje, dat verder bekendheid verwerft als zinkexporteur, belastingparadijs, smokkelvrijplaats, gokoord en potentiële ‘Esperantostaat’.

De jonge Joseph, verwekt in Pruisen, geboren in neutraal gebied, woont sinds 1915 voor de volgende drie jaar in het westelijk deel van het Duitse keizerrijk. Na de wapenstilstand in 1918 wordt Brussel zijn hoofdstad; hij is pas vijftien en al aan zijn derde nationaliteit toe. Na zijn dienstplicht in het Belgische leger, trouwt Joseph met Jeanne Lafèbre, afkomstig uit Tilburg. Tussen 1934 en 1950 worden elf kinderen geboren, negen zonen en twee dochters. Ze wonen in Kelmis, waar hij bakker is.

In mei 1940 valt Hitler België binnen en annexeert het voormalige Neutraal Moresnet. Inwoners krijgen de Duitse nationaliteit en moeten onder de Wehrmacht gaan dienen. Het nazibestuur wil Jeanne eren met het ‘Ehrenkreuz der Deutsche Mutter’, hetgeen ze weigert. ‘Wat heeft zij als Nederlandse die naar België is verhuisd te maken met een Führer die beweert dat het gezin ‘het slagveld van de moeder’ is?’

In 1943, na de nederlaag bij Stalingrad, wordt Joseph ingelijfd bij de Wehrmacht; later deserteert hij. Na de bevrijding keert hij terug bij zijn gezin, maar wordt gearresteerd door een ondergrondse verzetsorganisatie. Niet als Belg, verdacht van collaboratie, maar als Duitser in dienst van de Wehrmacht.

Een prachtige zin uit het boek vat de geschiedenis van Joseph Rixen samen: “Zonder ooit in zijn leven te verhuizen is hij Neutraal geweest, rijksingezetene van het Duitse keizerrijk, inwoner van het koninkrijk België en staatsburger binnen het Derde Rijk. Voor hij wederom Belg zal worden, zijn vijfde nationaliteitswissel, wordt hij afgevoerd als Duits krijgsgevangene. Hij heeft geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn hem overgestoken.”

M. en ik staken de grens van Moresnet over bij het drielandenpunt van Vaals in het uiterste noorden. We deden dat zo onopvallend mogelijk want we wisten niet precies welke coronaregels er golden voor Nederlanders in België. Twee uur later arriveerden we in Kelmis. Het was ons inmiddels wel duidelijk dat er niet werd gecontroleerd op wat dan ook. Wat dat aangaat had het jaar 1850 kunnen zijn. Toen had Neutraal Moresnet slechts één wetsdienaar, de veldwachter, die niemand kon arresteren omdat het land geen gevangenis bezat.

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux,
Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très vieux,
Qui, de ses précepteurs méprisant les courbettes,
S’ennuie avec ses chiens comme avec d’autres bêtes.
Rien ne peut l’égayer, ni gibier, ni faucon,
Ni son peuple mourant en face du balcon.
Du bouffon favori la grotesque ballade
Ne distrait plus le front de ce cruel malade;
Son lit fleurdelisé se transforme en tombeau,
Et les dames d’atour, pour qui tout prince est beau,
Ne savent plus trouver d’impudique toilette
Pour tirer un souris de ce jeune squelette.
Le savant qui lui fait de l’or n’a jamais pu
De son être extirper l’élément corrompu,
Et dans ces bains de sang qui des Romains nous viennent,
Et dont sur leurs vieux jours les puissants se souviennent,
II n’a su réchauffer ce cadavre hébété
Où coule au lieu de sang l’eau verte du Léthé

(Spleen – Baudelaire)

Limburgse dagen (deel 2)

Altijd op drift maar tenslotte toch rust; te vroeg en te onherroepelijk.

M. had me al vaker uitgenodigd om mee te gaan naar haar familie in Limburg. Haar zusjes en schoonbroers kende ik van haar verjaardagsfeestjes in Amsterdam, maar ik had ze nog nooit op eigen bodem bezocht. Bij die eerste ontmoetingen in de hoofdstad vond ik ze heel welwillend. Ze accepteerden de ‘man die zich niet wilde binden’. Er leek een principe van kracht: als M. mij zag zitten, was dat voor hen voldoende.

Na jaren waarin ik wegbleef van familiebezoek kon zo’n onthaal verdiend zijn, maar vanzelfsprekend vond ik het – mijzelf kennende – niet. Eén ding pleitte in mijn voordeel: door dit lange uitstel had ik bewezen dat de relatie met M. geen kortdurende affaire was. Een ontmoeting in Limburg werd steeds onvermijdelijker. Ook dat bevorderde hun gastvrijheid. Ze maakten de drempel laag. Hun warmte voelde authentiek. De deur zwaaide zo vanzelfsprekend voor mij open, dat ik me al bij voorbaat schaamde voor het moment waarop ze hun vergissing zouden inzien.

M. ging terug naar haar ‘wortels’, zoals ze vaker deed. Ditmaal onder begeleiding van een vriendje dat vrijheid boven verantwoordelijkheid stelde. Ik had meer dan tien jaar in Limburg gewoond maar zag deze trip niet als een terugkeer. Helaas voelde ook voor M. de thuiskomst ditmaal anders. Een bezoek aan haar hartsvriendin in Amsterdam, de dag voor ons vertrek, had haar de indruk gegeven dat het snel bergafwaarts ging. Ze vroeg zich af of ze niet in de buurt moest blijven voor als de toestand zou verslechteren.

Vijlen en Vaals voelen ver als je vriendin in haar laatste fase verkeert. M. wilde haar bijstaan. Met name de dochter, die veel zorg op zich nam, kon steun gebruiken. Maar deze reis naar Limburg stond gepland. En over het vluchtplan van degene die ons ging verlaten viel nooit iets te voorspellen. M. liet mij de plekken van haar jeugd zien. We zouden ook Moresnet bezoeken. M. liep er blind naartoe. Zo vaak ze deze tocht had ondernomen, zo ver scheen dat dichtstbijzijnde buitenland haar nu. Voor het eerst liet ze haar mobiel ook ’s nachts aanstaan.

Waar we ook heen gingen met onze gedachten, we maakten een paar prachtige wandelingen. Toen kwam het gevreesde bericht. Net voor het einde van onze korte vakantie. De vriendin was nog in leven maar niet meer te redden. We waren zo’n vier uur van haar verwijderd. De vraag of ze nog bij kennis zou zijn hing gedurende de hele terugreis in de lucht. Tijdens die treinrit staarden we wezenloos naar buiten of herhaalden dingen die we al wisten.

Dat zij – Spaans van geboorte – een vrouw leek van zes continenten. Dat ze zich misschien wel ergens thuis had willen voelen, maar dat het er nooit in had gezeten. Dat dit voornamelijk voortkwam uit relaties (ze verdiende geen prijs voor partnerkeuze). Ze had haar jonge gezin over de aarde gesleept in het belang van de liefde, maar nergens rust gevonden. En toch was ze steeds een voorbeeld geweest van hoe je alles uit het leven kunt halen.

Nergens rust gevonden, behalve straks misschien. De noodgedwongen rust aan het eind van een bewogen, koortsachtig, opwindend, passievol bestaan. Waar ook het beeld bij hoorde van ontworteling, waardoor je haar eufemistisch ‘ongebonden’ kon noemen. Als er één leven zonder thuis was. Geen vaste plek, alleen maar pleisterplaatsen. Een raar idee dat ze zo vroeg en zo onherroepelijk werd stilgezet.

Limburgse dagen (deel 1)

‘Ik denk dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor mannen niet functioneert, biologisch gesproken.’ (Frank Koerselman)

“Oma, hoe heet dat jongetje?” vroeg Stijn, het achterneefje van M. dat bij haar tweelingzus Lilian logeerde. Ik ontmoette het ventje op de eerste vakantiedag in Limburg. M. en ik hadden ons net geïnstalleerd bij Ellen, haar jongste zus in Vijlen, waar we een aantal dagen zouden logeren. Misschien vond ik snel aansluiting bij het jongetje omdat hij ook uit Holland kwam. Als hij zijn Limburgse familie dialect hoorde ‘kallen’ durfde hij “Doe eens normaal” te roepen, wat ik, als verse gast en volwassene, natuurlijk niet moest proberen.

Later die week bezochten we zijn oma en opa in Simpelveld. Mijn band met Stijn was meteen weer dik in orde, maar al voordat we hun huis hadden verlaten voelde ik dat er een anekdote in de maak was. Het “Oma, hoe heet dat jongetje?” was nu “Oma, kan dat jongetje even z’n mond houden” geworden. De gretigheid waarmee M. het verhaal nu verbreidt, wijst, vermoed ik, op de behoefte aan het overbrengen van een boodschap, iets dat hoort bij humor.

Thuisgekomen neem ik de stapel NRC’s door om weer snel synchroon te lopen met het heden. In de krant van zaterdag stuit ik op ‘de vijfde aflevering van een reeks zomeravondgesprekken’. Het blijkt om een gedachtewisseling te gaan tussen Peter Buwalda (48) en Frank Koerselman (73). Het artikel begint met: ‘De nog altijd jongensachtige schrijver en de hooggeleerde psychiater vallen elkaar aan, incasseren rake klappen en hangen na drie uur allebei in de touwen.’

Thema van de woordenstrijd? Het einde van de mannelijke autoriteit. De mening van Koerselman had hij al eerder geventileerd in zijn pamflet ‘Ontvadering’. Daarin schetst hij de rampzalige gevolgen daarvan voor gezin en samenleving. Koerselman heeft de boeken van Buwalda zorgvuldig gelezen. Over ‘Otmars zonen’ zegt hij: ‘Ook in deze roman dondert de vader naar beneden en wint de vrouw […] door gebruik te maken van zijn zwakheden.’

Op zijn logeeradres in Simpelveld wilde Stijn me op een meer wijzen. Deze bevond zich achterin de tuin, die heel erg afliep. Ik daalde met hem mee naar dat laagste punt en zag een ingegraven teil vol kroos. “Nou Stijn, dat is wel een heel klein meer” zei ik “dat noem ik meer een afvoerputje.” Mijn realiteitszin stelde hem teleur, zodat ik snel iets opbeurends verzon. “Gelukkig zit de stop er nog in.”

Dat kon spannender, realiseerde ik me, zodat ik mijn hand in het water stak en de stop eruit trok. Met een slurpend geluid deed ik alsof de wereld door het putje werd opgeslurpt. Ik klom naar het huis op de heuvel maar rolde terug over het gazon. Al snel buitelde Stijn met mij mee. Totdat ik de stop weer op z’n plaats had geduwd. Eind goed, al goed. Boven, op het terras, vroegen de volwassenen zich af waarom wij zo’n lol hadden.

Denkend aan Bart G.

Op de klep vallen’

Toegegeven, ik liep vaak onaangekondigd
bij hem binnen
en ik kwam dan voor haar,
niet voor zijn sofisme,
zijn informele logica
of zijn argumentatietheorieën.

Hij ontving mij niet als vriend maar als
een klankbord van het zojuist gestampte.
Hij filterde drogredenen
uit mijn straattaal, valsheid uit mijn
snuffelzinnen. Hij schonk thee
met lange tenen en kon mij nooit
vertellen of zij thuis was.

Ik durfde niet op haar deur te kloppen.
Soms kwam ik haar tegen in de
gezamenlijke keuken. Ze nam het
voor hem op maar wist ook niet waar
zijn taalkunde hem/ons/de wereld bracht.
Hij werd ‘aio’ en waarschijnlijk ooit
professor.

Ons taalgevoel was
meer lumbaal, zo hield ik staande.
Haar studie liep niet, noch ooit de
mijne, dat hadden wij gemeen.
Ook een verlangen naar een
animaal soort expressie
achter de dunne wand van onze bolleboos.

Helaas werd het nooit een
gezamenlijk zuchten.
Dat voorrecht viel zeer
onverwacht degene toe met de
beste papieren maar zonder een
greintje poëzie in zijn pijp.
Op hun feestje sloeg ik
met 1 slag een tafel
in de lengte doormidden.

Deze Bart dus,
die betekenissen had gesplitst in
semen, sememen en semantemen,
en jou precies kon zeggen of je in de grijze
zone zat van een begrip
en die midden in de vage vriendschap
componentenanalyse op je losliet…

Op deze hele soepterrine van
linguïstiek – een dunne bouillon uit
zo’n pakje, nooit iets van zichzelf –
was een passend deksel neergedaald
en nu zat hij te waken bij een wieg
en leek volkomen uit zijn taalverklaringen
te zijn vervluchtigd.

Ronald van Noorden ©Cum Suis, 2020

Denkend aan een niet zo verre vriend

Onontmoeting

Het zit als gegoten tussen ons, dus of
het ooit nog uit die mal moet? Misschien
doet deze afstand ons wel goed.

‘Haast je lente’ is jouw lijfspreuk.
Je legt je letters in de rijp die
als een lijkkleed op het land ligt.

Omdat ik tandjes heb geteld van je
versnelling in ’t voorbijgaan, vraagt ‘Het
Voertuig’ of wij uit zijn op ontmoeten.

Wij voelen vriendschap en misverbinding.
Ik zal zorgen dat ik nooit die kluwen aan de
klos word van jouw vliegers in de verte.

Ronald van Noorden © Cum Suis 2020

Aan schrijfwedstrijden meedoen

Een zeer goede vriend adviseert mij om wat vaker aan schrijfwedstrijden mee te doen. Dat is een goed idee. Ik word gewezen op een site die een overzicht geeft van alle aankomende wedstrijden. De eerste uitdaging die zich aandient vraagt om fictie in een genre waarin ik nog nooit iets heb geschreven.

Ik lees:

Welkom bij onze Haibun Wedstrijd 2020. Een haibun is een vorm van Japanse dichtkunst waarin zowel proza als poëzie aanwezig zijn. Een haibun hanteert beknopt maar beeldrijk proza waarin één of meer haiku’s zijn verwerkt. Het streven is om het proza en de poëzie in een spannende verhouding tot elkaar te laten staan, zodat de lezer nog een beetje moet nadenken over het verband’.

Ik schrijf onderstaand verhaal. Of het voor een ‘haibun’ kan doorgaan weet ik niet, dat moet de Haiku Kring Nederland maar bepalen die de wedstrijd organiseert. Ik stuur mijn verhaal ook door naar de zeer goede vriend. Deze adviseert mij om eerst mee te doen aan een wedstrijd in een ander genre.

Drie therapeutische haiku’s

Ik weet niet hoeveel vormen van creatieve dagbesteding er nodig waren om ons te genezen. En of dat eigenlijk wel de bedoeling was. Het ging er in eerste instantie om dat we onszelf zouden openen. Men sprak van veranderingsprocessen. Het bewerkstelligen van een vorm van acceptatie. De bereidheid om al knutselend je problemen te benoemen.

In elk geval werden we steeds bedrevener met materialen. Karton en vliegerpapier en papier-maché. Pottenbakkersklei en tufsteen. Kralen, schelpen, licht buigzaam koperdraad. En kurk natuurlijk. Ik was liever creatief met hout. Ik kon iets met een beitel. Dat stuk gereedschap werd mij echter niet zomaar toevertrouwd. Mijn tweede grote passie bleek de kunst van het boekbinden.

Er werden ook professionals van buiten aangesteld. Expressiecoaches, schilderconsultants, toneelgoeroes en andere creatieve therapeuten. Het was een zegen om te wonen in een land waarin er tijd en geld beschikbaar bleek voor zulke zorg. Maar wij waren niet vanzelfsprekend dankbaar. Het behoorde tot de groepsdynamiek om tegendraads te zijn. Alsof we nog op de middelbare school zaten. Tjardi dichtte:

Nee

Ik zeg nee tegen
alles wat te doen valt bui-
ten deze regel.

De helper van die dag noemde zich meester Oboe. Ik vond het iets te veel op een artiestennaam lijken. Het was alsof ik die eerder had gehoord, maar dan in een circus. Toch was Oboe een heuse zenmeester naar het scheen, een verwaaide monnik uit Nagasaki, daar geboren in augustus 1945 toen de stad net zwaar gebombardeerd was. Hij woonde al enige tijd in Europa. Hij kwam naar hier toen zijn land opnieuw door elkaar werd geschud. Hij woonde toen in Kobe.

De aardbeving had een kracht van 7 punt 2. Door dat natuurgeweld stierven er nauwelijks minder mensen dan door de vernietigingskracht van de atoombom. Eerst had de buik van zijn hoogzwangere moeder hem gered. Daarna de romp van een vliegtuig. Dat de haikumeester net Japan verliet toen twee continentale platen ruw over elkaar schoven noemde hij ‘geluk hebben’. Marianne schreef:

Gokje

De lottoballen
1 2 3 4 5 en 7
zijn niet gevallen.

We werden geen fantastische haikuschrijvers, maar meester Oboe hielp ons een eind op weg. ‘Houd het dicht bij jezelf’ adviseerde hij. Ik schreef:

Boekenwurm

Ooit kwam ik uit de
A gekropen. O staat al-
tijd voor mij open.

Alweer een boekpresentatie (2)

Er zijn van die filmfragmenten die je niet kunt ontlopen. Ik kijk zelden tv. Zondagavond zat ik klaar voor een bewuste confrontatie. Daarna was het mij weer duidelijk: geschiedenis is het verhaal van wat mensen mensen aandoen.

De boekpresentatie van M. vond de volgende dag plaats op zijn zeventigste verjaardag. Het werd een gezellig samenzijn. Ik ontmoette oud-dorpsgenoten van hem van minstens zijn leeftijd. M. las een verhaal voor uit zijn bundel en vertelde, in een bibberige speech, hoe hij ertoe was gekomen om zo’n ‘persoonlijk geïnterpreteerde geschiedenis’ te schrijven van zijn geboorteplaats, in de rol van ‘observerend ingewijde’.

Zijn werk zat vol intimiteit, ontboezemingen, prille jeugdervaringen, gevoelens, interpretaties, roddels, achterklap, karakterduiding, daderprofielen enzovoort.

Mocht ik willen weten waarom hij nu alweer in herhaling verviel – dat wilde ik niet, ik had mijn taak als eindredacteur erop zitten – dan was het omdat hij ‘best wel’ geëmotioneerd raakte van alle aandacht. Wat de aanleiding was voor de bundel over zijn gehucht, had ik hem, buiten het licht van schijnwerpers, beter horen verwoorden. Nu kwam het erop neer dat het ‘kwam omdat hij er vandaan kwam’.

De advocate wierp volgens sommigen een muur op rondom haar persoonlijke leven. Je kunt ook stellen dat ze ruimte vrijmaakte voor gewichtiger zaken. Die ze voortvarend voor het voetlicht bracht.

Ook de huidige burgermeester deed zijn zegje. Veel nog levende vedetten uit de stukjes waren present. Ik kende niemand persoonlijk maar had, al corrigerend, over iedereen gelezen. De meeste regionale beroemdheden die in het boek werden genoemd, waren verscheiden, maar het zaaltje was gevuld met nabestaanden. Ze bleken blij met publicatie (en met de bitterballen). Alles was goed zolang hun bloedverwanten postuum berucht bleven.

Zondag hoorde ik weinig tot niets over jeugd, relaties of drijfveren. De strafadvocate I.W. had in ‘Zomergasten’ een doelbewuste televisieavond samengesteld waarbij ze zichzelf zorgvuldig buiten beschouwing liet. Ze kwam met mooie fragmenten en zei verstandige dingen. Dat de kijker over haar persoonlijke leven nagenoeg niets te weten kwam, werd meer dan goedgemaakt.

Haar taalgebruik was minder langdradig dan in haar pleidooien. Haar boek ‘De jacht op het recht’ schijnt vol oeverloze zinnen te staan. De interviewster had het meegenomen, maar gelukkig werd er nauwelijks geciteerd. Waarom de zinnen zo lang waren, wilde Janine Abbring weten. De advocate mompelde dat ze niet van de straat was en dat ze veel Russische schrijvers had gelezen.

Zodra het over het waarom gaat van eigen pennenvruchten wil het woordgebruik nog weleens in de verdediging schieten. Over menselijke zwakheden in z’n algemeenheid deed W. opvallend aangename uitspraken. Tegenover groepsdruk en massahysterie, die de ‘meute’ verleiden tot ‘wraaksentimenten’, staat een individu dat anders wil en durft. Natuurlijk behoort W. tot de laatste categorie. In een onbedoelde, overtuigende, pleitrede bracht ze dat voor het voetlicht zonder iets over zichzelf te zeggen.

Dit zijn de aforismen uit haar mond die me bij zijn gebleven, of die ik later in tv-recenties heb gelezen: [Ik ben] ‘een kluizenaar buiten de wetenschap van velen die niet de neiging heeft om de eigen ingewanden op tafel te leggen voor inspectie’. / [Ik wil] ‘verdieping, geen emotionele blootheid’. / ‘Laat de puzzelstukjes maar gewoon liggen.’ / ‘Het mag wel wat minder met het exhibitionisme van emoties.’ / ‘Alles is tegenwoordig op stoeptegelniveau.’ / ‘Je kan niet langszappen of je bent beland in iemands binnenste.”

‘Ziehier de strenge man met het rode pennetje’, introduceerde M. mij bij K. die hij de ‘redacteur buitenboel’ noemde. Zowel de vormgever als ik kregen een gesigneerd exemplaar mee van zijn bundel. Ik ga die nogmaals grondig lezen. Volkomen voorbereid en autonoom. Hoe anderen hun dorp of ‘global village’ ook presenteren, je kijkt altijd naar de wereld met je eigen distantie en voorkennis.

‘Alles wat je ziet wordt gespiegeld aan wat je al weet’ om met de woorden van de strafadvocate te spreken.

Alweer een boekpresentatie (1)

‘Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert.’

Bij de boekpresentatie van een oud-journalist

Heb je ooit geloofd voor altijd bovenop het nieuws te leven?
En zag je werkelijk het lekken van je pen voor feiten aan?
Van wat ik teruglas denk ik: als jij de krant maar haalde.

Ooit kun je hoegenaamd geen kwaad meer. Nu doet er nog
iets zeer. Er zijn ideeën. Je borrelt na. Je graaft een gat om bij
een gat te komen. Dat boek? Nou goed, het is je eerste keer.

Je noemt je carrière veelbewogen en geeft over de terugtocht
van dat front nog altijd op als een soldaat. Je klinkt met oud-
gedienden die ook beknibbelden op wat ze het liefste deden.

Moet er werkelijk iets worden rechtgezet? Wie of wat stel
je veilig? Wat vreet er zo aan veteranen? Je wilt op een
verleden wijzen? Werk dat ons aanstaart van de planken?

Ik vond dat nu juist één van je sterkere kanten: dat er niets
van eeuwigheid aan je kleefde. Het scheen er onverhoeds bij
ingeschoten. Je was vergeten te ijveren voor het nageslacht.

Helaas. Onszelf vergeven gaat niet zonder inktverlies. Maar hoe
gedegen wij ons ook herschrijven, hardnekkig onkruid kruipt om-
hoog langs de regels. Niet uitblazen weet elke olifant met visie.

Ronald van Noorden; ©Cum Suis, 2020

De dichter als getuige van de richel

Schrijven op het scherp van de snedigheid.

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)