De Achtkastelenroute van Vorden (36 km)

Een rondgang langs voornamelijk landgoederen en buitenhuizen

De Achtkastelenroute van Vorden bevat bij mijn weten maar één kasteel waar echt door ridders werd gevochten. Ik voel geen reden om daar ironisch over te doen. Het zit alleen maar in mijn hoofd dat het bij een kasteel om een bouwwerk moet gaan dat ooit onder middeleeuwse omstandigheden is verdedigd door en tegen geharnaste mannen van onberispelijk, want nobel, gedrag.

Waarom zou je een jonger gebouw niet ook kasteel noemen? Als de vorm van een kasteel er helemaal inzit? Misschien had ik wat meer slotgrachten en ophaalbruggen verwacht. Enkele van de kastelen op de route hebben die ook. Maar de functie lijkt nogal kosmetisch. Zijn dit ooit militaire bouwwerken geweest?

Kunstenares Carin Unverzagt, die ik zeker voor jonkvrouw zou hebben versleten in mijn vroegere jaren, deed mij, voor mijn verjaardag, een werk cadeau van haar hand. Het stelt een ridder voor die mij – het zijn haar woorden – ‘in zekere zin best typeert’. Hij heeft een ‘borstelschild’ in zijn handen. (Ik mocht zelf een titel verzinnen.)

Tegenwoordig verkoopt men ‘landgoederen’ die op een stukje grond staan ter grootte van een postzegel. Makelaars adverteren met termen die gewoon niet kloppen. Vaak heeft dat meer met de omgeving te maken dan met het onderkomen zelf. Een ‘villa in het groen’ bevindt zich meestal aan de rand van een bosje dat geen naam mag hebben.

Deze kastelen, tja, wat moet ik er van zeggen? Kasteel Hackfort is grotendeels verwoest door Spaanse troepen in 1586 tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Lang na de riddertijd dus. Daarvóór heeft er geen ridderlijke interactie van betekenis plaatsgevonden.

Kastelen De Wiersse, ’t Medler en Onstein zijn meer buitenplaatsen. Kasteel De Kieftskamp stamt echt niet uit de Middeleeuwen. Kasteel Den Bramel werd in z’n hedendaagse vorm in omstreeks 1725 op de ruïnes gebouwd van iets dat ook al geen kasteel mocht heten. Geen van de gebouwen heeft een ridderlijk verleden.

Kasteel De Wildenborch stamt uit 1372 en was daadwerkelijk in het bezit van een ridder. Had deze Sweder Rodebaert zich maar edelmoedig cq. ridderlijk gedragen, maar hij staat bekend als een roofridder. Een ordinaire crimineel dus die z’n gestolen waar in een kluis moest onderbrengen. Dat werd een burcht in de moerassen.

Dan is er nog Kasteel Vorden. Hoewel omgebouwd tot landhuis in de 19de eeuw, lijkt dit bouwwerk daadwerkelijk te kunnen bogen op een verleden als kasteel met een defensieve functie. Neem de respectabele leeftijd. Neem het ooit ommuurde voorplein en de ophaalbrug. Maar van riddergevechten met strijdbijlen, kruisbogen, hellebaarden, langbogen en morgensterren is helaas ook nu weer niets in de annalen terug te vinden.

Misschien had ik me als kind niet zo moeten fixeren op middeleeuwse oorlogsvoering. Ik wilde altijd ridder zijn als mijn vriendjes cowboytje speelden. Floris, Ivanhoe, Robin Hood of Thierry de slingeraar, ik droomde ervan om in toernooien te bewijzen hoe moedig, eerlijk en rechtvaardig ik was. Misschien had ik me in mijn pubertijd minder bezig moeten houden met computerspelletjes als ‘Age of Chivalry’ en andere ‘Armor Games’. Dan had ik me wellicht ook minder Don Quichotterig gedragen tegenover zogenaamde jonkvrouwen in mijn adolescentie. Ik begrijp het nu: er is te laat een einde gekomen aan mijn fixatie op de riddertijd.

Ik nam ooit deel aan een rondleiding in kasteel Haarzuilens. Er liep alleen een bus bejaarden mee uit Geertruidenberg. Na een kwartier voegde zich één verlate Fransman bij de groep. De gids schakelde, speciaal voor hem, meteen over op het Engels. De vreemdeling toonde geen dankbaarheid voor deze gastvrije aanpassing. Hij produceerde sisklanken bij ieder jaartal dat viel. Later begreep ik dat hij badinerend deed over de schrikbarend jonge leeftijd van de burcht. Haha, nee in Frankrijk hadden ze pas kastelen!

Ik zal mij niet op eenzelfde wijze lollig maken om de eerder genoemde gebouwen. Ik vond ze prachtig, dat lijkt me het belangrijkst. En bovendien: noblesse oblige. Ik heb iets ridderlijks in me dat heel ver teruggaat. Ik denk tot aan de tijd van mijn eerste ridderpak.

Anders mooi is ook niet lelijk

‘Pantha Rei’ in luxe zijtakken van het IJ.

M. en ik waren erg gecharmeerd van hoe het hier was, maar moeten bekennen dat de nieuwe buurt ook iets heeft. Nou ja, op het ‘Miljoenengebouw’ na dan, waar horecaondernemer Won Yip een penthouse kocht. Te hoog voor Amsterdam, en misschien ook te hoekig. Meneer Yip verkocht alweer een deel van zijn 1440 m² aan Marcel Boekhoorn, die zelf het noodlijdende HEMA van de hand deed. Zo nam iedereen afscheid van iets.

De rest van de wijk is lager maar even ‘loeistrak’, ‘ritmisch’ en ‘zorgvuldig’, zoals een krant recenseerde. Als alles klaar is, keert overal het water terug in deze Westelijke havens. Weer een stukje Venetië van het Noorden erbij? Nou nee, daarvoor is het toch iets te symmetrisch allemaal. Is dat erg? Ach, het Prinseneiland ligt op loopafstand.

Op deze ingetekende foto is het zand in de insteekhavens al verwijderd. De Silodam valt links net buiten beeld. Het Pontsteigergebouw (bijgenaamd ‘Miljoenengebouw) was het eerste grote project in de Houthavens dat de aandacht trok.

In de oude Houthavens, waar de stad wegkalfde in wat laatste bedrijfjes, konden we een paar jaar geleden nog op een strandje liggen aan het IJ. Geen echt strand natuurlijk. Meer een tijdelijk met rust gelaten zandvlakte – strand West genaamd – dat even wildernis mocht zijn, net als de rest van de nog onbebouwde vlakte. Dit ‘niemandsland’ tussen de Spaarndammerbuurt en het IJ kreeg tijdelijk bestaansrecht omdat metselbazen de crisis uitzaten. Ook de woningmarkt lag hier dus op z’n gat.

Dat vond de natuur niet erg. Het gebied bevatte een verrassend gevarieerde hoeveelheid dieren- en plantensoorten, zoals de stadsecoloog en een journaliste van AT5 in een reportage lieten zien. Wij waren waarschijnlijk te luidruchtig; wij zagen nooit een vos of een steenmarter. Het is hier nooit stil geweest, wel woest en avontuurlijk.

Vervoer van hout vond na de oorlog veel minder over water plaats, zodat de gemeente besloot om de insteekhavens te dempen. In 1998 sloot de schippersbeurs die was gevestigd in De Bonte Zwaan. Daarmee verdwenen ook een winkel, een kinderopvang en een kleuterschool. Het drijvend kantoorschip werd verplaatst naar de Haparandadam en diende daar als expositie- en werkruimte voor kunstenaars. Pont 13 aan de overkant ging dienst doen als bar/restaurant. In het afgemeerde schip Rochdale One aan de Stavangerweg mochten tijdelijk studenten wonen.

De Silodam is een lange strekdam die aan de oostgrens van de Oude Houthaven uitsteekt in het IJ. Hier zag je al snel waar het in het hele Westelijk havengebied naar toe zou gaan. De Stenen Silo en de Betonnen Silo, waarin men vroeger graan opsloeg, werden omgevormd tot luxe appartementengebouwen. Het Pontsteigergebouw was het eerste grote project dat daarna de aandacht trok.

Natuurlijk lieten projectontwikkelaars lang geleden hun ogen vallen op de kavels langs de kades van het IJ. Als er in 2008 geen kredietcrisis was ontstaan hadden de bulldozers en graafmachines deze droomlocatie allang geprepareerd voor nieuwbouwwijken. Dat is nu toch gebeurd, en de werkzaamheden – nieuwe crisis of niet – stoppen ditmaal voor niets of niemand. Vooralsnog kunnen we, tussen de bouwpercelen, in het tijdelijke zand van de gedempte invaarten, nog bloemetjes plukken. Maar het soort van natuur dat stadsecologen en andere natuurminnaars hier gelukkig maakte, is voorgoed geweken.