Vergeet het, ik ben geen fotograaf

Altijd te laat, zelfs voor een snapshot.

Ik had het geluid niet thuis kunnen brengen als mijn huis niet was gefotografeerd door de overbuurvrouw. Zij stuurde mij een getuigenverslag van een bescheiden, maar tevredenstemmende, gebeurtenis die plaats vond op mijn dak. Er was daar een ooievaar neergestreken die ik niet met eigen ogen kon waarnemen omdat ik nu eenmaal binnen zat en onder precies dat dak leefde dat de buurvrouw in beeld had gebracht. Dankzij de foto kon ik de vogel echter bijna in real time zien. En even later klonk er dus geklepper. Toen was het plaatje compleet.

Dieren poseren niet, zoals wij weten, maar als wij ons stil houden en afstand bewaren, bieden zij ons zo’n zelfde soort vrede voor een prachtig shot. Hoe zeldzamer het dier, hoe zenuwachtiger ik doorgaans word. De telelens en het camouflagetentje zouden enorme diensten kunnen bewijzen. Maar zoveel heb ik er niet voor over. Het moet wel op m’n smartphone passen, anders vliegen ze maar op.

Oeps. Te Laat. Dat bedoel ik dus.

Alles wat blijft zitten voor mijn lens is eigenlijk de moeite van het fotograferen niet waard. Vroeger bezat ik een hele verzameling niet unieke natuurmomenten. Goed doorvoede huiskatten, gekooide paradijsvogels, leeuwen en zebra’s in keurig gescheiden panoramalandschappen, varanen achter glas.

Ik woonde met een vriendin en haar twee katten in een appartement op steenworp afstand van Blijdorp. We hadden een abonnement op de diergaarde. Ik heb Bokito nog ‘gevangen’ voordat hij de overstap waagde van zijn kunstmatige eiland naar een maffe dame die met hem stond te flirten. Eigenlijk had ik deze interactie moeten filmen en niet slechts een verveelde ‘zilverrug’ te midden van de rest van zijn gorillafamilie.

Weten wanneer je moet schieten, dat onderscheidt de fotograaf van de beller met een toestel annex camera. Op de één of andere manier ben ik altijd te laat met mijn snapshots. Laatst liep ik tegen een boommarter aan die met een prooi in zijn bek tegen een eik opklauterde, naar een holte op zo’n vier meter hoogte. Hij moest nog een aardige afstand afleggen, toen ik hem betrapte.

Hij kon zich eigenlijk niet goed voor mij uit de voeten maken. De zwaarte van de buit – ik geloof dat het een egel was – bemoeilijkte zijn klimtocht. De marter verraadde zijn schuilplaats en misschien wel een nest vol met jongen, maar hij moest nu wel door, dat begreep ik. Je laat dat kostbare voedsel niet uit je bek vallen als je bijna bij je eindbestemming bent. Er wachtten hem knorrende magen.

Hij gaf me de tijd, maar ik had mijn toestel niet paraat. Ik drukte op een knop en belandde in WhatsApp. Voordat ik goed en wel kon filmen, was de gebeurtenis geen unicum meer. Anderen vangen hun zeldzame momenten altijd beter. Gelukkig heb ik vrienden en kennissen die hun hoofd wel koelhouden in spannende situaties. Zij schijnen door het leven te gaan met hun camera’s in voortdurende aanslag, want zij missen geen enkel waardevol moment.

Ik ben ongeschikt voor uniekheid. Als ik doordrongen raak van de niet alledaagsheid van een tafereel, komt er iets trillerigs over mij, wat zelfs een amateurfotograaf zich niet kan permitteren. Ik laat het vereeuwigen dus maar aan anderen over. Wat bij mij in beeld komt, staat alleen nog stil voor het geheugen.