Herinvoering kernenergie?

De herinnering aan rampen heeft een lange ‘halveringstijd’.

Ik woonde eind jaren tachtig en begin jaren negentig in een studentenhuis in Maastricht. Daar hadden we vaak buitenlandse studenten op bezoek als tijdelijke onderhuurders ivm uitwisselingsprojecten. Ooit waren de logés twee dames uit de Oekraïne. Ze zaten op de universiteit van Kiev en volgden in ons land een economisch semester. Een jongen die naast mij woonde studeerde iets technisch op hbo niveau. Hij beschikte over een stralingsdetector, of laten we zeggen: hij maakte mij en de rest van het huis wijs dat het een heuse geigerteller was. Ik weet nog steeds niet of hij ons voor de gek hield maar het ding maakte het bekende ratelgeluid van oplopende klikjes als hij in de buurt van onze gasten kwam of van hun spullen. Niet iedereen kon daarom lachen.

De Tsjernobylexplosie is een van de meest apocalyptische technologische ongelukken aller tijden. Ze werd veroorzaakt door slechte ontwerpkeuzes en incorrecte besturing. Deze ramp toont aan hoezeer dingen kunnen misgaan als ingenieurs fouten maken.

Je kunt nu citytrips naar Pripjat maken. Ook de rest van het rampgebied is een toeristische trekpleister geworden.

In feite veroorzaakten drie fouten samen de Tsjernobylexplosie. De eerste fout was de manier waarop de ingenieurs water gebruikten in de reactor. Ze hadden water nodig om stoom te vormen, want stoom is het medium dat de warmte-energie van de reactor opneemt en elektriciteit genereert via een stoomturbine. Het probleem is dat vloeibaar water veel beter neutronen absorbeert dan stoom. Als de operators de reactor afkoelen, bevat de kern vooral water. Als ze de reactor dan onjuist opwarmen en het water snel in stoomfase schiet, kan een energiepiek volgen. De snelle omzetting van water naar stoom veroorzaakt een snelle toename van het aantal neutronen: een positief terugkoppelingsproces.

De tweede fout betrof het ontwerp van de regelstaven. Een regelstaaf wordt geacht neutronen te absorberen, maar de punten van de Tsjernobylregelstaven waren van grafiet. Toen de regelstaven de reactor ingingen, verdreven ze daarom het water, wat leidde tot een volgende energiepiek.

Ten derde had de Tsjernobylreactor geen beschermende behuizing, dus toen de explosie zich voordeed, was er niets wat de vervuiling opving.

Het ongeluk verliep als volgt: op 26 april 1986 koelden de operators de kern onjuist af. Toen ze weer opstartten, schoot het water in stoomfase en ontstond een energiepiek. De regelstaven werden ingevoerd, waarbij de grafietpunten een tweede, rampzalige energiepiek veroorzaakten. De brandstofstaven barstten en de regelstaven zaten klem. Een stoomexplosie blies de kern open, waardoor zuurstofr binnenstroomde en een brand ontstond, die nucleair materiaal de lucht in pompte. Een tweede explosie – waarschijnlijk een kleine nucleaire ontploffing door de fusie van smeltende brandstof – vergrootte de hoeveelheid vrijkomend nucleair materiaal.

Miljoenen hectares land werden besmet met gevaarlijke niveaus radioactieve neerslag en vrijwel heel Europa kreeg te maken met fall-out. De ontwerpbeslissingen van een paar ingenieurs en de operationele fouten van een paar operators troffen miljoenen mensen.

In de discussie over eventuele herintroductie van kernenergiecentrales in Nederland is het goed om te beseffen dat fouten zoals boven omschreven natuurlijk nooit meer gemaakt worden.

De dames die bij ons logeerden werden geboren op zo’n 95 km van de plek van de ramp. Ze bezochten ons drie jaar na die catastrofe. In 1986 maakte Tsjernobyl nog deel van de Sovjet-Unie, vlak bij de grens met Wit-Rusland. De omgeving van Tsjernobyl en de dichstbijzijnde stad Pripjat zijn is na de ramp afgesloten vanwege de hoge radioactiviteit. Doordat er geen mensen meer wonen, heeft de natuur vrij spel. Zo is de omgeving een waar natuurgebied geworden, waar allerlei bijzondere flora en fauna te vinden is.

Het zou cynisch zijn om dit laatste feit als argument te gebruiken voor de herinvoering van atoomenergie. Zo van: als het fout gaat houd je in ieder geval een prachtig, van mensen verstookt, gebied over. Ik zal dit nooit hardop zeggen.

Limburgse dagen (Moresnet)

Een identiteit die vaak werd omgesmolten. ‘Als een klompje zinkerst.’

Ik zal bescheiden blijven. Ik ben op zoek naar een verhaal in een gebied waarover het beste essay allang is geschreven. Verder moet ik er voor waken dat ik mezelf niet overgeef aan de troostende illusie van een betekeninsvolle ervaring. Toeval blijft toeval, onder alle omstandigheden. De dag waarop M. en ik Moresnet bezoeken blijkt ook de datum waarop, in 1914, Duitsland er binnenviel en dit kleine gebied beroofde van haar neutrale status. Dat is slechts één van de vele gebeurtenissen waarmee het stuk grond met een oppervlakte van amper 344 hectare te maken kreeg.

Bij de eerste bezetting van je land door een vreemde mogendheid wordt de vaderlandsliefde meestal nog aangewakkerd. Maar stel nu dat je ergens woont waar de nationaliteitswisselingen zo snel gaan dat je nooit het gevoel hebt dat je ergens bij hoort. Bestaat er een betere remedie tegen patriottisme, nationalisme of chauvisnisme? Wat dat aangaat zou je iedereen een dergelijke ontheemdheid gunnen. Gedurende mijn verblijf in Limburg herlees ik een boekje genaamd ‘Zink’ van David van Reybrouck. Hij voert Joseph Rixen op. Deze man heeft in zijn leven vijf nationaliteitswisselingen gekend zonder ooit te zijn verhuisd.

Neutraal Moresnet, officieel Het Onverdeelde Gebied van Moresnet, was van 1816 tot 1920 een neutraal gebied met een oppervlakte van amper 344 hectare dat toebehoorde aan zowel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (vanaf de onafhankelijkheid aan de nieuwe staat België) als aan Pruisen (vanaf 1871 Duitsland). Het gebied, in de vorm van een stompe driehoek, lag ten zuiden van de Vaalserberg en reikte tot aan de hoofdweg van Aken naar Luik. (Bron: Wikipedia)

Zijn moeder is een dienstmeisje bij een fabriekseigenaar in Düsseldorf van wie ze zwanger raakt en die haar daarom verstoot. Ze komt in 1902 in Neutraal Moresnet terecht dat de reputatie heeft een plek te zijn waar je problemen geheim blijven. Ze brengt haar zoon tegen betaling onder bij een pleeggezin. De jongen wordt speelbal van de bewogen geschiedenis van het ministaatje, dat verder bekendheid verwerft als zinkexporteur, belastingparadijs, smokkelvrijplaats, gokoord en potentiële ‘Esperantostaat’.

De jonge Joseph, verwekt in Pruisen, geboren in neutraal gebied, woont sinds 1915 voor de volgende drie jaar in het westelijk deel van het Duitse keizerrijk. Na de wapenstilstand in 1918 wordt Brussel zijn hoofdstad; hij is pas vijftien en al aan zijn derde nationaliteit toe. Na zijn dienstplicht in het Belgische leger, trouwt Joseph met Jeanne Lafèbre, afkomstig uit Tilburg. Tussen 1934 en 1950 worden elf kinderen geboren, negen zonen en twee dochters. Ze wonen in Kelmis, waar hij bakker is.

In mei 1940 valt Hitler België binnen en annexeert het voormalige Neutraal Moresnet. Inwoners krijgen de Duitse nationaliteit en moeten onder de Wehrmacht gaan dienen. Het nazibestuur wil Jeanne eren met het ‘Ehrenkreuz der Deutsche Mutter’, hetgeen ze weigert. ‘Wat heeft zij als Nederlandse die naar België is verhuisd te maken met een Führer die beweert dat het gezin ‘het slagveld van de moeder’ is?’

In 1943, na de nederlaag bij Stalingrad, wordt Joseph ingelijfd bij de Wehrmacht; later deserteert hij. Na de bevrijding keert hij terug bij zijn gezin, maar wordt gearresteerd door een ondergrondse verzetsorganisatie. Niet als Belg, verdacht van collaboratie, maar als Duitser in dienst van de Wehrmacht.

Een prachtige zin uit het boek vat de geschiedenis van Joseph Rixen samen: “Zonder ooit in zijn leven te verhuizen is hij Neutraal geweest, rijksingezetene van het Duitse keizerrijk, inwoner van het koninkrijk België en staatsburger binnen het Derde Rijk. Voor hij wederom Belg zal worden, zijn vijfde nationaliteitswissel, wordt hij afgevoerd als Duits krijgsgevangene. Hij heeft geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn hem overgestoken.”

M. en ik staken de grens van Moresnet over bij het drielandenpunt van Vaals in het uiterste noorden. We deden dat zo onopvallend mogelijk want we wisten niet precies welke coronaregels er golden voor Nederlanders in België. Twee uur later arriveerden we in Kelmis. Het was ons inmiddels wel duidelijk dat er niet werd gecontroleerd op wat dan ook. Wat dat aangaat had het jaar 1850 kunnen zijn. Toen had Neutraal Moresnet slechts één wetsdienaar, de veldwachter, die niemand kon arresteren omdat het land geen gevangenis bezat.

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux,
Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très vieux,
Qui, de ses précepteurs méprisant les courbettes,
S’ennuie avec ses chiens comme avec d’autres bêtes.
Rien ne peut l’égayer, ni gibier, ni faucon,
Ni son peuple mourant en face du balcon.
Du bouffon favori la grotesque ballade
Ne distrait plus le front de ce cruel malade;
Son lit fleurdelisé se transforme en tombeau,
Et les dames d’atour, pour qui tout prince est beau,
Ne savent plus trouver d’impudique toilette
Pour tirer un souris de ce jeune squelette.
Le savant qui lui fait de l’or n’a jamais pu
De son être extirper l’élément corrompu,
Et dans ces bains de sang qui des Romains nous viennent,
Et dont sur leurs vieux jours les puissants se souviennent,
II n’a su réchauffer ce cadavre hébété
Où coule au lieu de sang l’eau verte du Léthé

(Spleen – Baudelaire)

Pleidooi voor de plaggenhutbewoner

Leven als een turfsteker in het post Krach tijdperk.

Erg lang kon ik mezelf nooit vermaken in het bos, daarvoor was mijn gebrek aan concentratievermogen te groot, maar had ik een uurtje, dan bouwde ik een hut van dode takken en bladeren. Zodra het onderkomen klaar was, hield ik het voor gezien. Gelukkig wilden mijn ouders – dagrecreanten met eenzelfde soort van chronische onrust – ook wel weer naar huis. Ons veilige rijtjeshuis in Brabant.

Later, in de piekperiode van de pandemie, ging ik op survival. Ik verbleef langer en dieper in het woud dan normaal. Mijn zelfgebouwde hut kon weer en wind doorstaan. Ik moest er ditmaal echt in slapen. Bij smeulend vuur, bedoeld om virussen en andere belagers op afstand te houden, werd het een doorwaakte nacht.

Slapen in een survival hut, je moet het gedaan hebben om te weten hoe het voelt.


Eén nacht, om precies te zijn. Toen scheen de oermens in mij weer tevreden. Overleven? Ik had bewezen dat het kon. Ik mocht terug naar mijn vrouw die mij als een held onthaalde. Ik herwaardeerde alles wat het leven thuis zo aangenaam maakt. Stel je voor dat ik een nacht langer in mijn hut had moeten blijven.

Op internet – weer behaaglijk met iedereen verbonden – deed ik mee aan menig discussieforum. De nieuwe canon van de nationale geschiedenis zat er aan te komen. Er gingen steeds meer stemmen op voor ‘een grotere schakering in het zelfbeeld van het vaderland’. Ik vond ook dat de nieuwe versie meer aandacht moest hebben voor schaduwkanten van het verleden. Racisme, slavernij, kolonialisme en de Jodenvervolging daargelaten, dacht ik aan turfstekers.

‘What the fuck?’ reageerde HystoryBitch84 ‘Turfstekers man, are you serious?’
‘Ja’ schreef ik, die mezelf online NordicNapoleon noemde, ‘deze mensen leefden tot in de twintigste eeuw in miserabele plaggenhutten.’

Het was waar, ik had het pas op een geschiedenissite gelezen: de onhygiënische omstandigheden, de stank, de rookwalm, het ongedierte, de kou, het vocht en de schemerduisternis in zulke krochten waren onverdraaglijk. Omdat er ook iets van de lijst moest worden afgevoerd, zag ik Annie M. G. Smith met tegenzin vertrekken. Dag Jip en Janneke. Welkom in onze herinnering, armzalige onbekenden.

‘Ik kies trouwens ook voor turfstekers omdat ik zeker weet dat we teruggaan naar dergelijke omstandigheden’ verklaarde ik mij nader.
‘Hoezo dat?’ vroeg Johannes-de-Witkwast.
‘Het kapitalisme zal ons vermorzelen zoals het ook deze slaafarbeiders te gronde heeft gericht’.
‘Dat is zo’ viel STooMbreker mij bij. ‘Het probleem van de alles verslindende economische groei, die de onverschillige zelfverrijkers maar blijven promoten, is nog even actueel als toen.’
‘Hey fuck jongens, hallo, we zitten nu wel in een crisis hoor’ meende HystoryBitch84 als tegenargument in te moeten brengen.

Grindbak2018 schreef: ‘Weet jij waar het straks heengaat als de neoliberalen hun business as usual prolongeren?’
STooMbreker: ‘Ik denk dat we afstevenen op hyperinflatie.’
HystoryBitch84: ‘No fuck. You are kidding.’
NordicNapoleon: ‘Als alles instort zullen we terug moeten naar zeer primitieve omstandigheden.’
HystoryBitch84: ‘So the better, man. Goed voor het milieu.’
UMAMIWIKI: ‘En voor onze vertroetelde ego’s. HaHa.’

‘Maar leven in een hutje valt niet mee jongens’ sloot ik mijn aandeel in de discussie min of meer af.
Ik kon het weten; ik had er één nacht in geslapen.

Wij geloofden niet in laatste rustplaatsen

Toch heb ik spijt van die vuilniszak vader.

Natuurlijk is het geen schande pa, dat je agrarische droom begon op een stuk grond van 73 hectare en eindigde in een volkstuintje. Op dat laatste stukje aarde ging je even dapper tekeer als op je landgoed. Er kwam genoeg fruit en groente vanaf en het smaakte ons net zo goed. “Een klein bezit is beter voor je rug” grapte je vergoelijkend. Je leek het verlies en je noodgedwongen terugkeer naar Nederland verwerkt te hebben.

Toen je overleden was hoefden we alleen de huur maar op te zeggen en het perceeltje netjes aangeharkt achter te laten. Ik had een deel van je as in Frankrijk willen uitzaaien. Ruimte genoeg op je voormalige domein. Sorry vader, het is er niet van gekomen. Jouw restanten zijn een beetje achteloos verwaaid. Ik heb mijzelf deze onverschilligheid vergeven in het besef dat een hereniging na de dood, met welke plek op aarde dan ook, voor ons atheïsten een symbolische daad is zonder betekenis.

Toch heb ik spijt van die vuilniszak.

La Chadenède was 73 hectare groot en strekte zich naar het oosten uit tot op de helft van twee watervallen.
Bij het verlaten van zijn tuin

't Is klaar, zegt de tuinman. Hij legt zijn werktuig neer.
Hout en staal van eeuwen. De schoffel die zich scherpt
door gebruik. De spade die geen druk meer voelt.
Zijn snoeischaar die te laat komt voor de loten.

Aarde ontbrandt maar men stopt zijn gewicht in
een oven. Het voorjaar zal zijn as verwerken. Nu
gaan struiken zijn perken te buiten. Ik weet dat
in verlaten gaarden bomen nog uitbundig bloeien.

Onbeheerst dringt er vocht door in elke tentakel. Veel
vrucht straks. Maar overvloed verkleint de kwaliteit.
Is het niet eervol, dat, in een soort van onpraktische
weelde, deze tuin al schrikt van zijn afwezigheid?

Zijn klompen nauwelijks gelicht of het medeleven
meldt zich. Wat potentiele huurders begroeten ons
respectvol maar gehaast. 'Wie maakt hier schoon?'
vraagt de opzichter, alsof wij een woning verlaten.

Grond, daar moest je zuurstof in jagen. Dat spitten,
dat kon hij als geen ander. Ieder voorjaar reet
hij nieuwe voren. Drie spaden diep. Tussendoor
veel mest. En compost van de lofoogst van jaren.

Onhandig gehark nu. We keren wat kluiten. Onze
toewijding…sorry vader, het wordt niet wat het was.
We strooien je terug in haastig omgewoelde aarde.
We draaien ons om en er groeit alweer gras.

(Ronald van Noorden)

De Achtkastelenroute van Vorden (36 km)

Een rondgang langs voornamelijk landgoederen en buitenhuizen

De Achtkastelenroute van Vorden bevat bij mijn weten maar één kasteel waar echt door ridders werd gevochten. Ik voel geen reden om daar ironisch over te doen. Het zit alleen maar in mijn hoofd dat het bij een kasteel om een bouwwerk moet gaan dat ooit onder middeleeuwse omstandigheden is verdedigd door en tegen geharnaste mannen van onberispelijk, want nobel, gedrag.

Waarom zou je een jonger gebouw niet ook kasteel noemen? Als de vorm van een kasteel er helemaal inzit? Misschien had ik wat meer slotgrachten en ophaalbruggen verwacht. Enkele van de kastelen op de route hebben die ook. Maar de functie lijkt nogal kosmetisch. Zijn dit ooit militaire bouwwerken geweest?

Kunstenares Carin Unverzagt, die ik zeker voor jonkvrouw zou hebben versleten in mijn vroegere jaren, deed mij, voor mijn verjaardag, een werk cadeau van haar hand. Het stelt een ridder voor die mij – het zijn haar woorden – ‘in zekere zin best typeert’. Hij heeft een ‘borstelschild’ in zijn handen. (Ik mocht zelf een titel verzinnen.)

Tegenwoordig verkoopt men ‘landgoederen’ die op een stukje grond staan ter grootte van een postzegel. Makelaars adverteren met termen die gewoon niet kloppen. Vaak heeft dat meer met de omgeving te maken dan met het onderkomen zelf. Een ‘villa in het groen’ bevindt zich meestal aan de rand van een bosje dat geen naam mag hebben.

Deze kastelen, tja, wat moet ik er van zeggen? Kasteel Hackfort is grotendeels verwoest door Spaanse troepen in 1586 tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Lang na de riddertijd dus. Daarvóór heeft er geen ridderlijke interactie van betekenis plaatsgevonden.

Kastelen De Wiersse, ’t Medler en Onstein zijn meer buitenplaatsen. Kasteel De Kieftskamp stamt echt niet uit de Middeleeuwen. Kasteel Den Bramel werd in z’n hedendaagse vorm in omstreeks 1725 op de ruïnes gebouwd van iets dat ook al geen kasteel mocht heten. Geen van de gebouwen heeft een ridderlijk verleden.

Kasteel De Wildenborch stamt uit 1372 en was daadwerkelijk in het bezit van een ridder. Had deze Sweder Rodebaert zich maar edelmoedig cq. ridderlijk gedragen, maar hij staat bekend als een roofridder. Een ordinaire crimineel dus die z’n gestolen waar in een kluis moest onderbrengen. Dat werd een burcht in de moerassen.

Dan is er nog Kasteel Vorden. Hoewel omgebouwd tot landhuis in de 19de eeuw, lijkt dit bouwwerk daadwerkelijk te kunnen bogen op een verleden als kasteel met een defensieve functie. Neem de respectabele leeftijd. Neem het ooit ommuurde voorplein en de ophaalbrug. Maar van riddergevechten met strijdbijlen, kruisbogen, hellebaarden, langbogen en morgensterren is helaas ook nu weer niets in de annalen terug te vinden.

Misschien had ik me als kind niet zo moeten fixeren op middeleeuwse oorlogsvoering. Ik wilde altijd ridder zijn als mijn vriendjes cowboytje speelden. Floris, Ivanhoe, Robin Hood of Thierry de slingeraar, ik droomde ervan om in toernooien te bewijzen hoe moedig, eerlijk en rechtvaardig ik was. Misschien had ik me in mijn pubertijd minder bezig moeten houden met computerspelletjes als ‘Age of Chivalry’ en andere ‘Armor Games’. Dan had ik me wellicht ook minder Don Quichotterig gedragen tegenover zogenaamde jonkvrouwen in mijn adolescentie. Ik begrijp het nu: er is te laat een einde gekomen aan mijn fixatie op de riddertijd.

Ik nam ooit deel aan een rondleiding in kasteel Haarzuilens. Er liep alleen een bus bejaarden mee uit Geertruidenberg. Na een kwartier voegde zich één verlate Fransman bij de groep. De gids schakelde, speciaal voor hem, meteen over op het Engels. De vreemdeling toonde geen dankbaarheid voor deze gastvrije aanpassing. Hij produceerde sisklanken bij ieder jaartal dat viel. Later begreep ik dat hij badinerend deed over de schrikbarend jonge leeftijd van de burcht. Haha, nee in Frankrijk hadden ze pas kastelen!

Ik zal mij niet op eenzelfde wijze lollig maken om de eerder genoemde gebouwen. Ik vond ze prachtig, dat lijkt me het belangrijkst. En bovendien: noblesse oblige. Ik heb iets ridderlijks in me dat heel ver teruggaat. Ik denk tot aan de tijd van mijn eerste ridderpak.