Het breidelen van de pers is verijdeld

Maar hoe huiverig worden bronnen door deze fratsen?

Heeft gijzeling van een journalist ooit het voor de uitvoerders van deze dwangmaatregel gewenste resultaat opgeleverd, namelijk dat de journalist de identiteit van zijn bron prijs gaf of de informatie deelde die hij dankzij die bron had gekregen?

De eerste dreiging van gijzeling van een journalist vond plaats in 1852. Directeur H. Nijgh van de NRC werd gedagvaard zijn bron te noemen. Is het daadwerkelijk van een gijzeling gekomen? Zo niet, dan zou dat kunnen betekenen dat Nijgh zijn bron uiteindelijk heeft prijsgegeven. Maar vaker zijn gijzelingen teruggedraaid omdat het gewenste resultaat er niet mee werd bereikt of omdat justitie bezweek onder de druk van het protest (van met name collega journalisten).

De volgende gijzeling vond plaats in 1905. Daar ging het ook om een hoofdredacteur, namelijk van De Locomotief te Semarang. Deze Vierhout bleef weigeren te getuigen en werd na enkele dagen vrijgelaten.

Journalisten maken zich sterk voor journalisten voor de rechtbank van Rotterdam.

In 1937 werd C.L. Hansen, redacteur van Het Vaderland, wekenlang gegijzeld. Resultaat: geen bruikbare informatie. Wel hevig protest om het onrecht dat hem was aangedaan.

In 1947 deed zich – bij mijn weten – het eerste geval van gijzeling voor, waarbij rechter-commissaris, rechtbank en hof voet bij stuk hielden. Zij vonden dat zij alleen konden beslissen of publicatie (van geheime notulen) werd gerechtvaardigd door een hoger belang en niet de beschuldigde hoofdredacteur van Elseviers Weekblad H.A. Lunshof. Diens bron had zijn geheimhoudingsplicht geschonden en moest dus worden opgespoord. Noemde Lunshof onder die druk zijn bron? Weet ik (nog) niet. Wel dat hij een boete kreeg van tien gulden.

In 1952 zat A.H. Hommerson, redacteur van de Zaanse editie van Het Vrije Volk, anderhalve maand in gijzeling. Zijn onthulling in de krant bleek echter op niets gebaseerd en werd door de krant zelf herroepen, nog voor hij vrij kwam. Resultaat derhalve: nihil.

In 1976 deed zich een interessant geval van gijzeling van journalisten voor waarbij de benadeelde – namelijk PSP-Kamerlid Van der Lek – het middel van gijzeling te zwaar vond. Hij drong wel aan op openbaring van documenten en bronnen om de suggestie weg te nemen dat hij voor de Russische inlichtingendienst zou werken. Van der Lek, die zelf journalist was geweest, vond het verschoningsrecht voor journalisten een hoog goed. Daar deden de betrokken journalisten dan ook een beroep op. Ze moesten een dwangsom betalen maar bleven zwijgen.

In 1988 eindigde een gijzeling van een redacteur van De Delfsche Courant in vrijlating. De raadkamer van de rechtbank in Den Haag vernietigde het vonnis van de rechter-commissaris. De journalist volhardde in zijn zwijgen. Resultaat van de gijzeling: nul.

In 2000 maakte de achttien dagen durende gijzeling van Sp!ts-verslaggever Koen Voskuil niet loslippiger.

In 2006 beriep misdaadjournalist Bas van Hout zich tegenover de rechter-commissaris in Rotterdam op zijn verschoningsrecht en verkeerde maar anderhalf uur in gijzeling.

In datzelfde jaar moesten twee journalisten van De Telegraaf getuigen in een zaak tegen ex-BVD’er Paul H. De rechter-commissaris in Den Haag liet Bart Mos en Joost de Haas in gijzeling nemen. Beiden weigerden hun bron te onthullen die geheime dossiers van de inlichtingendienst BVD (nu AIVD) had geleverd. Je zou kunnen zeggen dat de acties van de journalisten wel resultaat opleverden (de zaak tegen Paul H. kwam aan het rollen na publicatie) maar hun gijzeling niet. De journalisten hebben hun bron nooit prijsgegeven.

De laatste gijzeling van NOS-journalist Robert Bas begon op donderdag en is op vrijdagmiddag teruggedraaid. Een klein verschil met andere gijzelingen is dat in dit geval de bron al bekend was en dus geen verdachte in de zaak. De onderzoeksrechter wilde de journalist aan de tand voelen over de inhoud van de gesprekken met de bron. De rechter-commissaris vond de gijzeling gerechtvaardigd omdat de gestelde vragen aan de NOS-journalist niet raakten aan de identiteit van de bron; men wilde hem alleen maar vragen stellen over de informatie die was uitgewisseld. Men vond dat Bas geen beroep kon doen op het recht op bronbescherming. De Nederlandse Wet Bronbescherming beperkt zich slechts tot onthulling van een bron en die was, zoals gezegd, al bekend.

Bovendien zou het hier om een excessieve situatie gaan, noodzakelijk om een gijzeling te rechtvaardigen (In deze strafzaak ging het om een verdachte die opdracht zou hebben gegeven tot een liquidatie, waarbij bovendien iemand was doodgeschoten die niets met de drugsoorlog te maken had). Voor de rechter-commissaris woog het maatschappelijk belang zwaarder dan de argumenten van de journalist.

Onzin beweerde de advocaat van Robert Bas, zich beroepend op internationaal recht. Het Europees Hof kent aan bronbescherming een ruimere betekenis toe dan de Nederlandse wet – het gaat ook om de omstandigheden waaronder de journalist informatie verkrijgt en de inhoud van die informatie. Het recht op bronbescherming is dus ruimer dan alleen de identiteit van de verdachte. Kijk de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens er maar op na.

Voor deze en andere argumenten van advocaat Van Ardenne is men gevoelig gebleken. Resultaat: Alweer een raadkamer die de beslissing van de rechter-commissaris terugdraait. Alweer felle protesten van met name journalisten die de gijzeling zien als een bedreiging voor de persvrijheid. Maar misschien wel het meest negatieve gevolg is de afschrikkende werking die uitgaat van deze gijzeling. Ook al heeft de rechtbank van Rotterdam de rechter-commissaris teruggefloten, mogelijke bronnen worden begrijpelijkerwijs huiveriger om informatie met journalisten te delen als ze zien dat journalisten op deze manier onder druk zijn te zetten.

Taal is constant in transitie

Een stijlboek biedt tijdelijke strengheid.

Stijlboeken ogen streng. Maar ja, wel begrijpelijk dat de krant met één smoel naar buiten wil treden. In eerste instantie hebben journalisten een eigen verantwoordelijkheid voor wat ze schrijven. Zo’n naslagwerk is dus wel handig. “Kan het nieuwe stijlboek worden geïnstalleerd als update van de spellingcontrole in mijn tekstverwerker?” wil een zelfverklaard opinieschrijver weten. Zo niet, dan moet hij de cosmetische controle van zijn stukken aan de redactie overlaten. (Die werkt trouwens ook zonder automatische spelling-, grammatica- en stijlcontrole).

Het stijlboek van de NRC heeft een herziening gekregen. Naast actualiseren was het doel om enige uniformiteit en consistentie aan te brengen ‘in een liberaal-organische taaljungle.’ Men heeft de operatie niet te stringent benaderd. Sinds de spellinghervorming van 2006 volgt het blad de ‘witte spelling’ en wijkt daarmee af van het ‘officiële’ Groene Boekje. Ook die ‘witte spelling’ is niet heilig voor de krant, getuige enkele afwijkingen op de daarin gepresenteerde voorschriften.

Een greep uit de stijlboeken die de afgelopen jaren zijn verschenen.

In een bepaald opzicht lijken de opstellers van stijlboeken eerder relativerend van aard dan streng. Zij weten als geen ander dat taal leeft. Taalwetten bezitten geen eeuwigheidswaarde. Het kan met taal alle kanten op, dat kunnen we dagelijks lezen en horen. Er zijn schitterende voorbeelden van dichterlijke vrijheid en taalkundige originaliteit. Vaker echter lijkt het persoonlijke tintje dat men aan zijn taal geeft op een tekort aan kennis, interesse of creativiteit. Dat vraagt om bewaking.

Het eigen taalgebruik kan een grote charme en originaliteit bezitten. Maar het bevat ook een beperking tegenover de werkelijkheid van de taal als geheel: de taal dus die door gebruikers tezamen in stand wordt gehouden. Als je te veel afwijkt van die norm verlies je de aansluiting. In het uiterste geval word je niet meer begrepen.

De één wat meer dan de ander, maar we maken allemaal subjectief gebruik van de taal. Wie kent haar wetten, haar regels en haar normen uit z’n hoofd of wil zich er steeds aan houden? De taaltuin is een te groot en mistig gebied voor zelfs een taalpurist om niet zo af en toe in te verdwalen. Soms raken we serieus de weg kwijt. Of we permitteren ons een slingerpaadje juist uit liefde voor verboden – maar fascinerende – terreinen.

Taalwetenschappers laten zien dat je ook objectief over taal kunt nadenken. Met de bestudering van het fenomeen bereik je meer dan met het opleggen van regels. Met andere woorden: taalbewustzijn doet betere diensten dan taalbescherming. Regels en voorschriften hebben zo hun nut als eigen taalgebruik en eigen voorkeur de communicatie van de taalgemeenschap dreigen aan te tasten. Maar wanneer gebeurt zoiets?

Het is goed om te weten dat er getrainde bewakers zijn. Het is fijn om te beseffen dat deze toezichthouders niet snel ingrijpen. Over het algemeen laten ze ons en ons taalgebruik met rust. Ze zien wel waar het heen gaat. Als iemand de taal iets te persoonlijk neemt, maakt hij zichzelf, zoals gezegd, onverstaanbaar. Die zelfregulerende werking lijkt afdoende.

Wanneer wordt het afwijkende geaccepteerd en kan men zeggen dat het incorrecte correct is geworden? De fouten van nu worden niet snel de grammatica van de toekomst maar taal is een open systeem dat nooit voor eens en voor altijd wordt ingesteld; het kan radicale kanten opgaan als de machtige stem van de massa dat wil. Maar alles is tijdelijk.

Taal is een verschijnsel, onderworpen aan de tijd en aan de mensen, dus verandering is onontkoombaar. Wijziging van een aantal stijlregels blijft een beetje een cosmetische operatie. Het verbaast mij altijd dat dit zoveel commotie teweegbrengt. Als het nou over ideologische taalkeuzes ging waaruit een maatschappijvisie en -kritiek van de krant zouden blijken.

Die journalistieke principes heeft de NRC apart opgetekend. Ze staan in de NRC Code (https://nrccode.nrc.nl/). Daarin is te lezen hoe de krant met meer controversiële, maatschappelijke of ideologische taalkwesties omgaat. Men streeft ernaar een beschrijvende krant te zijn, geen voorschrijvende, maar een verandering in de maatschappelijke praktijk zie je altijd terug in het taalgebruik, aldus de hoofdredacteur. Het is goed dat de NRC eenieder oproept om daarop alert te blijven.