Aan schrijfwedstrijden meedoen

Een zeer goede vriend adviseert mij om wat vaker aan schrijfwedstrijden mee te doen. Dat is een goed idee. Ik word gewezen op een site die een overzicht geeft van alle aankomende wedstrijden. De eerste uitdaging die zich aandient vraagt om fictie in een genre waarin ik nog nooit iets heb geschreven.

Ik lees:

Welkom bij onze Haibun Wedstrijd 2020. Een haibun is een vorm van Japanse dichtkunst waarin zowel proza als poëzie aanwezig zijn. Een haibun hanteert beknopt maar beeldrijk proza waarin één of meer haiku’s zijn verwerkt. Het streven is om het proza en de poëzie in een spannende verhouding tot elkaar te laten staan, zodat de lezer nog een beetje moet nadenken over het verband’.

Ik schrijf onderstaand verhaal. Of het voor een ‘haibun’ kan doorgaan weet ik niet, dat moet de Haiku Kring Nederland maar bepalen die de wedstrijd organiseert. Ik stuur mijn verhaal ook door naar de zeer goede vriend. Deze adviseert mij om eerst mee te doen aan een wedstrijd in een ander genre.

Drie therapeutische haiku’s

Ik weet niet hoeveel vormen van creatieve dagbesteding er nodig waren om ons te genezen. En of dat eigenlijk wel de bedoeling was. Het ging er in eerste instantie om dat we onszelf zouden openen. Men sprak van veranderingsprocessen. Het bewerkstelligen van een vorm van acceptatie. De bereidheid om al knutselend je problemen te benoemen.

In elk geval werden we steeds bedrevener met materialen. Karton en vliegerpapier en papier-maché. Pottenbakkersklei en tufsteen. Kralen, schelpen, licht buigzaam koperdraad. En kurk natuurlijk. Ik was liever creatief met hout. Ik kon iets met een beitel. Dat stuk gereedschap werd mij echter niet zomaar toevertrouwd. Mijn tweede grote passie bleek de kunst van het boekbinden.

Er werden ook professionals van buiten aangesteld. Expressiecoaches, schilderconsultants, toneelgoeroes en andere creatieve therapeuten. Het was een zegen om te wonen in een land waarin er tijd en geld beschikbaar bleek voor zulke zorg. Maar wij waren niet vanzelfsprekend dankbaar. Het behoorde tot de groepsdynamiek om tegendraads te zijn. Alsof we nog op de middelbare school zaten. Tjardi dichtte:

Nee

Ik zeg nee tegen
alles wat te doen valt bui-
ten deze regel.

De helper van die dag noemde zich meester Oboe. Ik vond het iets te veel op een artiestennaam lijken. Het was alsof ik die eerder had gehoord, maar dan in een circus. Toch was Oboe een heuse zenmeester naar het scheen, een verwaaide monnik uit Nagasaki, daar geboren in augustus 1945 toen de stad net zwaar gebombardeerd was. Hij woonde al enige tijd in Europa. Hij kwam naar hier toen zijn land opnieuw door elkaar werd geschud. Hij woonde toen in Kobe.

De aardbeving had een kracht van 7 punt 2. Door dat natuurgeweld stierven er nauwelijks minder mensen dan door de vernietigingskracht van de atoombom. Eerst had de buik van zijn hoogzwangere moeder hem gered. Daarna de romp van een vliegtuig. Dat de haikumeester net Japan verliet toen twee continentale platen ruw over elkaar schoven noemde hij ‘geluk hebben’. Marianne schreef:

Gokje

De lottoballen
1 2 3 4 5 en 7
zijn niet gevallen.

We werden geen fantastische haikuschrijvers, maar meester Oboe hielp ons een eind op weg. ‘Houd het dicht bij jezelf’ adviseerde hij. Ik schreef:

Boekenwurm

Ooit kwam ik uit de
A gekropen. O staat al-
tijd voor mij open.

Natuurlijk weer zo’n semi-diepzinnige fuckwijsheid die won. Oeps, klinkt hier jaloezie door?

De dichter als getuige van de richel

Schrijven op het scherp van de snedigheid.

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Claude Lorrain – Apollo en de Muzen op berg Helicon

Vertolkster gezocht van een vertaling

Beste Mevrouw Kaandorp,

Ik heb een vertaling c.q. bewerking gemaakt van het lied ‘Entre l’amour et l’amitié’ van Henri Tachan.
Nu weet ik wel dat u een eigen repertoire hebt en als geen ander in staat bent om originele songs te schrijven.
Volgens mij kunt u genoemd lied echter prachtig vertolken.
Wilt u mijn vertaling raadplegen?
Ik hoop van u te horen.

Met een vriendelijke groet,
Ronald van Noorden

Licentie verleend door UMG (namens Universal Music Division Barclay) en 1 organisatie voor muziekrechten.

Ha Ronald,

Mooi lied, mooie bewerking ook. Ik krijg gemiddeld per jaar een liedje of 10 toegestuurd door allerlei vriendelijke mensen. Ik heb er helaas nog nooit een kunnen gebruiken. Vaak zijn ze gewoon te slecht, soms behoorlijk goed, maar het grootste probleem is meestal dat het gewoon mijn idioom niet is. Er staan dan woorden in die ik zelf nooit zou gebruiken en dus ongeloofwaardig klinken uit mijn mond.

Jouw lied zit erg goed in elkaar, een mooi thema ook, maar het is niet een tekst die bij mij past.

Maar bedankt voor het toesturen en ik wens je veel succes met teksten schrijven.

Hartelijke groet,
Brigitte Kaandorp

v

Entre l’amour et l’amitié
Henri Tachan

Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
Il n’y a qu’un lit de différence,
ligt heus geen wereld van verschil,
Un simple “pageot”, un “pucier”
(Een simpel bed, onaangediend)
Ik heb je lichaam niet verdiend

Où deux animaux se dépensent,
(vraagt het verlangen wat ’t wil,)
maar waar een weg is is een wil.

Et quand s’installe la tendresse
Als dan wat tederheid ontstaat
Entre nos corps qui s’apprivoisent,
tussen van schuld doordrongen lijven,
Que platoniquement je caresse
Als ik je strikt platonisch streel
De mes yeux ta bouche framboise,
maar wij de liefde haast bedrijven,
Alors l’amour et l’amitié
staart dan verliefd zijn of bevriend
N’est-ce pas la même romance?
niet door dezelfde roze bril?
Entre l’amour et l’amitié
Zeg me, verliefd zijn of bevriend

Dites-moi donc la différence…
wat is nog eigenlijk het verschil?

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
ils ont barbelé des frontières,
heeft men de grenzen aangegeven,
Nos sentiments étiquetés,
Onze gevoelens, uitgekiend,
Et si on aime trop sa mère
’t wordt allemaal precies omschreven
Ou bien son pote ou bien son chien,
Zo hou je van je man, zo van je hond
Il paraît qu’on est en eau trouble,
we worden in ’t nauw gedreven,
Qu’on est cliniquement freudien
Jij bent een homo, jij bent bie
Ou inverti ou agent double,
dus wil je daar dan ook naar leven?
Alors qu’l’amour et l’amitié
Of wij verliefd zijn of bevriend
Ont la mêm’e gueule d’innocence,
houdt dat maar liever even stil
Entre l’amour et l’amitié
Zeg me, verliefd zijn of bevriend
Dites-moi donc la différence…
wat is nog eigenlijk het verschil…

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Entre l’amour et l’amitié
Met dat verliefd zijn of bevriend
La pudeur a forgé sa chaîne,
voelden wij ons vaak verlegen,
A la barbe du Monde entier
Je werd gezien, je werd gescreend
Et de ses gros rir’es gras de haine,
je had de hele wereld tegen,
Bon an, mal an, les deux compagnes
Door dik en dun, wij met z’n twee
Se dédoublent ou bien s’entremêlent,
je kon ons niet meer zomaar scheiden,
Comme sur la haute montagne
Wij vlogen op de wolken mee
Le ciel et la neige éternelle,
er kwam geen ander tussenbeiden,
Entre l’amour et l’amitié
Of je bevriend bent of verliefd
Se cache un petit bout d’enfance,
daar staat een kind nog niet bij stil,
Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
Il n’y a qu’un lit de différence…
ligt heus geen wereld van verschil…

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Paroles et Musique: Henri Tachan
Vertaling/bewerking: Ronald van Noorden

Het is een vrij beroep maar toch…

De kunstenaar die in haar handen zat, belandde nooit in haar hoofd.

Haar man noemde haar een kleikunstenares. Hij vond haar werk zo mooi dat hij een professionele oven wilde aanschaffen. Dan hoefde ze niet steeds met die broze beelden over straat. Er was genoeg ruimte voor zo’n ding in het nieuwe huis. Zij vond het onzin. ‘Teveel eer’ zei ze. Dat bakken kon net zo goed op de kleiclub.

Potten draaien deed ze ook (die ze daarna voorzag van opgelegd reliëf). Ze had een vaste hand, zelfs als ze de schijf al trappend in beweging moest houden. Ditmaal vroeg haar man haar niets meer; hij zorgde voor een elektrische draaitafel thuis. Zelf vervaardigde hij hierop ook weleens wat. Ze waren nooit lang samen maar zij met haar beelden en hij als pottenbakker wekten kortstondig de indruk van een harmonisch huwelijk.

Johnson Tsang’s ‘Mind-Bending’ Sculptures. Uit de serie ‘Open Mind’.

Anderen zagen ook wat zij kon. Hun bewondering vermengde zich bij sommigen met eigenbelang. Ze namen voorbeelden mee – beeldjes, plaatjes, amuletten – en vroegen haar om een kopie. Ze kon geen nee zeggen. Zo zat ze eens gedenkpenningen te maken voor een carnavalsvereniging. Haar man stak er een stokje voor. De Raad van Elf kon de pot op. Zijn vrouw was een kunstenares, geen productiemedewerkster.

Zijn carrière verliep voorspoedig. Ze verhuisden naar een nog rianter huis. Hij richtte daar een atelier voor haar in met alles erop en eraan. Hij stimuleerde haar zich nu volledig te storten op het kunstenaarschap. Aan reproducties deed ze allang niet meer, maar helaas liep haar levensstijl niet synchroon met de nieuwe mogelijkheden. Het zat ‘m dan ook niet in de middelen.

Hij verbleef steeds vaker en steeds langer in het buitenland. Hij kreeg de allures van een internationale zakenman die deed wat hij wilde en meer. Hij gedroeg zich als zo’n typische ‘Nouveau Riche’ die een gevaar vormt voor zichzelf. Zij waakte over een huishoudpot van uitdijende proportie maar koesterde – wars van weelde – het meisje van gewone komaf. Zij vervolmaakte in haar villa in een chique buitenwijk in Brussel in stilte het gewoon zijn (en blijven).

Het kunstenaarschap zat levenslang in haar handen maar nooit in haar hoofd. Ik herinner mij onderling geplaag en wederzijdse kritiek van minzaam elkaar respecterende ouders. Het zijn spaarzame momenten waarop mijn vader en moeder in één ruimte verkeerden. Soms zie ik hen samen in haar ‘hobbykamer’. Dat leverde meestal één werk op van haar hand en één gewrocht dat meteen in elkaar werd gekneed. Er is echter één exemplaar van zijn misvormde vazen bewaard gebleven.

Ik verbeeld me hoe mijn moeder het ding met ingehouden lach meeneemt naar haar kleiclub en het daar van een glazuurlaag voorziet. Zelfs zij kon er nauwelijks iets van schoonheid aan verlenen. Nu brengt het misbaksel, beter dan wat dan ook, mijn vaders bewondering voor haar in beeld. Verder zie ik er het blijvende bewijs in van hun liefde ondanks alles. Sommige dingen kunnen werkelijk mooi zijn van lelijkheid.

De Achtkastelenroute van Vorden (36 km)

Een rondgang langs voornamelijk landgoederen en buitenhuizen

De Achtkastelenroute van Vorden bevat bij mijn weten maar één kasteel waar echt door ridders werd gevochten. Ik voel geen reden om daar ironisch over te doen. Het zit alleen maar in mijn hoofd dat het bij een kasteel om een bouwwerk moet gaan dat ooit onder middeleeuwse omstandigheden is verdedigd door en tegen geharnaste mannen van onberispelijk, want nobel, gedrag.

Waarom zou je een jonger gebouw niet ook kasteel noemen? Als de vorm van een kasteel er helemaal inzit? Misschien had ik wat meer slotgrachten en ophaalbruggen verwacht. Enkele van de kastelen op de route hebben die ook. Maar de functie lijkt nogal kosmetisch. Zijn dit ooit militaire bouwwerken geweest?

Kunstenares Carin Unverzagt, die ik zeker voor jonkvrouw zou hebben versleten in mijn vroegere jaren, deed mij, voor mijn verjaardag, een werk cadeau van haar hand. Het stelt een ridder voor die mij – het zijn haar woorden – ‘in zekere zin best typeert’. Hij heeft een ‘borstelschild’ in zijn handen. (Ik mocht zelf een titel verzinnen.)

Tegenwoordig verkoopt men ‘landgoederen’ die op een stukje grond staan ter grootte van een postzegel. Makelaars adverteren met termen die gewoon niet kloppen. Vaak heeft dat meer met de omgeving te maken dan met het onderkomen zelf. Een ‘villa in het groen’ bevindt zich meestal aan de rand van een bosje dat geen naam mag hebben.

Deze kastelen, tja, wat moet ik er van zeggen? Kasteel Hackfort is grotendeels verwoest door Spaanse troepen in 1586 tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Lang na de riddertijd dus. Daarvóór heeft er geen ridderlijke interactie van betekenis plaatsgevonden.

Kastelen De Wiersse, ’t Medler en Onstein zijn meer buitenplaatsen. Kasteel De Kieftskamp stamt echt niet uit de Middeleeuwen. Kasteel Den Bramel werd in z’n hedendaagse vorm in omstreeks 1725 op de ruïnes gebouwd van iets dat ook al geen kasteel mocht heten. Geen van de gebouwen heeft een ridderlijk verleden.

Kasteel De Wildenborch stamt uit 1372 en was daadwerkelijk in het bezit van een ridder. Had deze Sweder Rodebaert zich maar edelmoedig cq. ridderlijk gedragen, maar hij staat bekend als een roofridder. Een ordinaire crimineel dus die z’n gestolen waar in een kluis moest onderbrengen. Dat werd een burcht in de moerassen.

Dan is er nog Kasteel Vorden. Hoewel omgebouwd tot landhuis in de 19de eeuw, lijkt dit bouwwerk daadwerkelijk te kunnen bogen op een verleden als kasteel met een defensieve functie. Neem de respectabele leeftijd. Neem het ooit ommuurde voorplein en de ophaalbrug. Maar van riddergevechten met strijdbijlen, kruisbogen, hellebaarden, langbogen en morgensterren is helaas ook nu weer niets in de annalen terug te vinden.

Misschien had ik me als kind niet zo moeten fixeren op middeleeuwse oorlogsvoering. Ik wilde altijd ridder zijn als mijn vriendjes cowboytje speelden. Floris, Ivanhoe, Robin Hood of Thierry de slingeraar, ik droomde ervan om in toernooien te bewijzen hoe moedig, eerlijk en rechtvaardig ik was. Misschien had ik me in mijn pubertijd minder bezig moeten houden met computerspelletjes als ‘Age of Chivalry’ en andere ‘Armor Games’. Dan had ik me wellicht ook minder Don Quichotterig gedragen tegenover zogenaamde jonkvrouwen in mijn adolescentie. Ik begrijp het nu: er is te laat een einde gekomen aan mijn fixatie op de riddertijd.

Ik nam ooit deel aan een rondleiding in kasteel Haarzuilens. Er liep alleen een bus bejaarden mee uit Geertruidenberg. Na een kwartier voegde zich één verlate Fransman bij de groep. De gids schakelde, speciaal voor hem, meteen over op het Engels. De vreemdeling toonde geen dankbaarheid voor deze gastvrije aanpassing. Hij produceerde sisklanken bij ieder jaartal dat viel. Later begreep ik dat hij badinerend deed over de schrikbarend jonge leeftijd van de burcht. Haha, nee in Frankrijk hadden ze pas kastelen!

Ik zal mij niet op eenzelfde wijze lollig maken om de eerder genoemde gebouwen. Ik vond ze prachtig, dat lijkt me het belangrijkst. En bovendien: noblesse oblige. Ik heb iets ridderlijks in me dat heel ver teruggaat. Ik denk tot aan de tijd van mijn eerste ridderpak.

Anders mooi is ook niet lelijk

‘Pantha Rei’ in luxe zijtakken van het IJ.

M. en ik waren erg gecharmeerd van hoe het hier was, maar moeten bekennen dat de nieuwe buurt ook iets heeft. Nou ja, op het ‘Miljoenengebouw’ na dan, waar horecaondernemer Won Yip een penthouse kocht. Te hoog voor Amsterdam, en misschien ook te hoekig. Meneer Yip verkocht alweer een deel van zijn 1440 m² aan Marcel Boekhoorn, die zelf het noodlijdende HEMA van de hand deed. Zo nam iedereen afscheid van iets.

De rest van de wijk is lager maar even ‘loeistrak’, ‘ritmisch’ en ‘zorgvuldig’, zoals een krant recenseerde. Als alles klaar is, keert overal het water terug in deze Westelijke havens. Weer een stukje Venetië van het Noorden erbij? Nou nee, daarvoor is het toch iets te symmetrisch allemaal. Is dat erg? Ach, het Prinseneiland ligt op loopafstand.

Op deze ingetekende foto is het zand in de insteekhavens al verwijderd. De Silodam valt links net buiten beeld. Het Pontsteigergebouw (bijgenaamd ‘Miljoenengebouw) was het eerste grote project in de Houthavens dat de aandacht trok.

In de oude Houthavens, waar de stad wegkalfde in wat laatste bedrijfjes, konden we een paar jaar geleden nog op een strandje liggen aan het IJ. Geen echt strand natuurlijk. Meer een tijdelijk met rust gelaten zandvlakte – strand West genaamd – dat even wildernis mocht zijn, net als de rest van de nog onbebouwde vlakte. Dit ‘niemandsland’ tussen de Spaarndammerbuurt en het IJ kreeg tijdelijk bestaansrecht omdat metselbazen de crisis uitzaten. Ook de woningmarkt lag hier dus op z’n gat.

Dat vond de natuur niet erg. Het gebied bevatte een verrassend gevarieerde hoeveelheid dieren- en plantensoorten, zoals de stadsecoloog en een journaliste van AT5 in een reportage lieten zien. Wij waren waarschijnlijk te luidruchtig; wij zagen nooit een vos of een steenmarter. Het is hier nooit stil geweest, wel woest en avontuurlijk.

Vervoer van hout vond na de oorlog veel minder over water plaats, zodat de gemeente besloot om de insteekhavens te dempen. In 1998 sloot de schippersbeurs die was gevestigd in De Bonte Zwaan. Daarmee verdwenen ook een winkel, een kinderopvang en een kleuterschool. Het drijvend kantoorschip werd verplaatst naar de Haparandadam en diende daar als expositie- en werkruimte voor kunstenaars. Pont 13 aan de overkant ging dienst doen als bar/restaurant. In het afgemeerde schip Rochdale One aan de Stavangerweg mochten tijdelijk studenten wonen.

De Silodam is een lange strekdam die aan de oostgrens van de Oude Houthaven uitsteekt in het IJ. Hier zag je al snel waar het in het hele Westelijk havengebied naar toe zou gaan. De Stenen Silo en de Betonnen Silo, waarin men vroeger graan opsloeg, werden omgevormd tot luxe appartementengebouwen. Het Pontsteigergebouw was het eerste grote project dat daarna de aandacht trok.

Natuurlijk lieten projectontwikkelaars lang geleden hun ogen vallen op de kavels langs de kades van het IJ. Als er in 2008 geen kredietcrisis was ontstaan hadden de bulldozers en graafmachines deze droomlocatie allang geprepareerd voor nieuwbouwwijken. Dat is nu toch gebeurd, en de werkzaamheden – nieuwe crisis of niet – stoppen ditmaal voor niets of niemand. Vooralsnog kunnen we, tussen de bouwpercelen, in het tijdelijke zand van de gedempte invaarten, nog bloemetjes plukken. Maar het soort van natuur dat stadsecologen en andere natuurminnaars hier gelukkig maakte, is voorgoed geweken.

Vergeet het, ik ben geen fotograaf

Altijd te laat, zelfs voor een snapshot.

Ik had het geluid niet thuis kunnen brengen als mijn huis niet was gefotografeerd door de overbuurvrouw. Zij stuurde mij een getuigenverslag van een bescheiden, maar tevredenstemmende, gebeurtenis die plaats vond op mijn dak. Er was daar een ooievaar neergestreken die ik niet met eigen ogen kon waarnemen omdat ik nu eenmaal binnen zat en onder precies dat dak leefde dat de buurvrouw in beeld had gebracht. Dankzij de foto kon ik de vogel echter bijna in real time zien. En even later klonk er dus geklepper. Toen was het plaatje compleet.

Dieren poseren niet, zoals wij weten, maar als wij ons stil houden en afstand bewaren, bieden zij ons zo’n zelfde soort vrede voor een prachtig shot. Hoe zeldzamer het dier, hoe zenuwachtiger ik doorgaans word. De telelens en het camouflagetentje zouden enorme diensten kunnen bewijzen. Maar zoveel heb ik er niet voor over. Het moet wel op m’n smartphone passen, anders vliegen ze maar op.

Oeps. Te Laat. Dat bedoel ik dus.

Alles wat blijft zitten voor mijn lens is eigenlijk de moeite van het fotograferen niet waard. Vroeger bezat ik een hele verzameling niet unieke natuurmomenten. Goed doorvoede huiskatten, gekooide paradijsvogels, leeuwen en zebra’s in keurig gescheiden panoramalandschappen, varanen achter glas.

Ik woonde met een vriendin en haar twee katten in een appartement op steenworp afstand van Blijdorp. We hadden een abonnement op de diergaarde. Ik heb Bokito nog ‘gevangen’ voordat hij de overstap waagde van zijn kunstmatige eiland naar een maffe dame die met hem stond te flirten. Eigenlijk had ik deze interactie moeten filmen en niet slechts een verveelde ‘zilverrug’ te midden van de rest van zijn gorillafamilie.

Weten wanneer je moet schieten, dat onderscheidt de fotograaf van de beller met een toestel annex camera. Op de één of andere manier ben ik altijd te laat met mijn snapshots. Laatst liep ik tegen een boommarter aan die met een prooi in zijn bek tegen een eik opklauterde, naar een holte op zo’n vier meter hoogte. Hij moest nog een aardige afstand afleggen, toen ik hem betrapte.

Hij kon zich eigenlijk niet goed voor mij uit de voeten maken. De zwaarte van de buit – ik geloof dat het een egel was – bemoeilijkte zijn klimtocht. De marter verraadde zijn schuilplaats en misschien wel een nest vol met jongen, maar hij moest nu wel door, dat begreep ik. Je laat dat kostbare voedsel niet uit je bek vallen als je bijna bij je eindbestemming bent. Er wachtten hem knorrende magen.

Hij gaf me de tijd, maar ik had mijn toestel niet paraat. Ik drukte op een knop en belandde in WhatsApp. Voordat ik goed en wel kon filmen, was de gebeurtenis geen unicum meer. Anderen vangen hun zeldzame momenten altijd beter. Gelukkig heb ik vrienden en kennissen die hun hoofd wel koelhouden in spannende situaties. Zij schijnen door het leven te gaan met hun camera’s in voortdurende aanslag, want zij missen geen enkel waardevol moment.

Ik ben ongeschikt voor uniekheid. Als ik doordrongen raak van de niet alledaagsheid van een tafereel, komt er iets trillerigs over mij, wat zelfs een amateurfotograaf zich niet kan permitteren. Ik laat het vereeuwigen dus maar aan anderen over. Wat bij mij in beeld komt, staat alleen nog stil voor het geheugen.

‘Hoe = Het NU 2020’ = een vraag zonder vraagteken

Het gaat best goed antwoordt de expositie.

‘Hoe gaan we deze vrije dag besteden?’ vroeg mijn vader vaak in het weekend. ‘Wordt het nátuur of cúltuur?’ De derde optie was ‘pretpark’, maar die voegde hij er nooit aan toe. Als De Efteling ook mocht was het geen keuze meer voor mijn zusje en mij. Dan hadden we al plaatsgenomen op de achterbank van zijn roestende fiat. Mijn moeder smeerde steevast broodjes. Zij verzoende zich met iedere keuze.

Het is een uitgemaakte zaak dat ik vandaag naar een expositie ga met een kunstenares. Ook natuurbeleving wordt zodoende een voldongen feit. We hebben geen auto. Van ons vandaan is de tentoonstelling ’t best bereikbaar over de dijk aan de oostkant van de IJssel. Ik noem het één van de mooiste stukjes fietspad van Nederland. Je rijdt dwars door de uiterwaarde richting Bronkhorst.

Illustrator Leendert Masselink liet zich voor de expositieposter inspireren door de paddenstoelvormige bewegwijzering van de ANWB.

‘Hoe = Het NU 2020’ heet de tentoonstelling die van 13 juni t/m 6 september in Het Kunstgemaal wordt gehouden. Hoewel er achter het jaartal geen vraagteken staat, heb ik de neiging om namens 2020 te antwoorden. ‘Met mij als jaar is het uitstekend. Dankzij de Corona gaat het zowaar ietsje beter met de natuur. De economie – die de grote veroorzaker is van alle ellende – lijkt bijna te zijn ingestort. Het kan dus haast niet mooier.’

Dan realiseer ik me weer het belang van de kunst en dat die niet goed floreert zonder een wereldhandelssysteem dat althans een beetje levensvatbaar is. Ik vind ook dat overheden moeten bijspringen om culturele verworvenheden overeind te houden. Als ik daar niet nadrukkelijk genoeg in ben, dan toch zeker mijn expositie minnende reisgenote. Ze hamert op het belang van cultuur en maakt zich vaak boos dat er zoveel vanzelfsprekender steun gaat naar andere – in haar ogen minder relevante – zaken.

Zij staat al maanden droog wat openbare kunstinname betreft. Voor haar betekent dat een serieuze ondervoeding. Niet dat ze zelf heeft stilgezeten in haar atelier. Er heeft daar in lockdown een interessante productie plaatsgevonden van kleine dierlijke sculpturen die evenzeer naar expositie verlangen. Ook was ze weer begonnen met tekenlessen aan kinderen. Maar dat was thuis. Een heuse tentoonstelling had ze al enige tijd niet bijgewoond. Ze werd er echt een beetje ziek van.

‘Bezoekers zijn welkom als zij ten minste 48 uur klachtenvrij zijn’ lees ik op een bordje voordat wij de ruimte betreden. Maximaal vijf mensen mogen maar naar binnen. We blijken de enige bezoekers. Wij willen dit meemaken. Hiervóór was er slechts een Coronaveilige raamtentoonstelling, zegt de gastvrouw. Daaraan hebben we zo goed als zeker niets gemist. Ik tuur al maanden bij iedereen naar binnen.

Maar liefst 100 kunstenaars doen aan de duo-tentoonstelling mee. ‘Duo’ omdat een ander deel van het werk is ondergebracht bij ACEC in Apeldoorn. De objecten hier zijn genummerd van 1 t/m 100. Nummer honderd is een grenspaal in ruste. Als je die gepasseerd bent weet je dat je alle werken hebt gezien.

De tentoonstelling richt zich op kunst uit het oosten van het land. Betekent dit dat de kunstenaars in deze contreien zijn geboren, dat ze hier naar de academie gingen of dat ze ergens vlakbij aan het werk zijn? Eigenlijk wordt het antwoord mij niet duidelijk. Ze kunnen wel in Amsterdam wonen, suggereert de gastvrouw, die een meer plausibele want pragmatische reden geeft; als je zegt dat je kunst toont uit het oosten des lands, trek je per definitie meer en ook een breder soort publiek aan.

Dit artificiële lokmiddel gun ik de organisatie van harte. Je moet het de kunst niet te moeilijk maken. Zo aten wij, voor we naar binnen gingen, oesterzwambitterballen in het belendende café. Ze deden me denken aan de broodjes van mijn moeder, onder het motto: op mooie dagen doet de precieze voeding er niet toe. Cultureel of culinair, als het overheersende gevoel maar klopt. Zo moet mijn moeder de dagjes uit ook benaderd hebben. Daarom maakte het haar niks uit waar we heengingen.

Inmiddels is de wind gaan waaien op de dijk. Op de terugweg stayer ik tevreden achter de hulpmotor aan van de kunstvriendin.

Misbaksels verdienen geen voetstuk

Leve de verfspuiters met een inclusiever beeld van het verleden.

Ik ben er voor hoor: het van top tot teen bekladden van ‘monumentale’ mannen die fout zaten in onze koloniale geschiedenis en dus beslist geen voetstuk verdienen. Dat verkeerde verleden vormt voor mij niet eens het hoofdprobleem. Het zou slechts een aanleiding zijn om er eens lekker over heen te gaan met verfpotten in verschillende kleuren. En om teksten op de sokkel te schrijven als ‘Wangedrocht’, ‘Misbaksel’ of ‘Lelijk uitgietsel’.

Heftiger mag ook natuurlijk (Dief, Racist, Fascist, Fuck You), maar zelf voel ik geen boosheid, slechts completeerwoede. Ik heb deze sculpturen als kunstwerk altijd te onaf gevonden, juist omdat ze zo af waren. Er ontbrak iets aan, een destructieve ‘touch’. Dat hyperrealistische heeft iets onbehaaglijks. Dat een reactie mijnerzijds uitbleef had te maken met luiheid en goed fatsoen. En met angst voor de gevolgen.

Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen.

Houd je van één of meer van de volgende dingen: druipsteenkaarsen, stalagmieten, veel stroop op je pannenkoek, filmpjes van tsunami’s of aardverschuivingen, lawines, bouwvallen, schroothopen, sloopplaatsen, Jackson Pollock en ander abstract expressionisme? Dan zal deze nieuwste ‘rage’ je aanspreken, denk ik.

Vogelkak op bronzen koppen heb ik ook altijd prachtig gevonden. Van die witgele meeuwenflatsen met nog iets onverteerbaars erin. Als vrije vogel zou ik deze heren graag in de haren zitten. Ik zou keihard krijsen en mijn grote boodschap doen vol onverwerkte klonters. Jammer hoor dat er altijd een ambtenaar opduikt met een hogedrukspuit die het ‘verhaal’ dat daar ontstaat – de kunstzinnige interactie zeg maar – onbewogen uitwist.

Nu maken mensen met kennis van zaken en veel gevoel voor rechtvaardigheid mikpunten van deze voorbije helden. Ik vind het resultaat van hun acties veel beter dan een bordje erbij met een genuanceerde uitleg over de historische figuur in kwestie. Boze mensen schrijven betere teksten. Woorden die ik niet uit m’n spuitbus zou krijgen. Esthetischer ook vanwege de rijkgeschakeerde kronkels en het bonte kleurgebruik.

Verwijdering van ledematen komt het resultaat ook ten goede, vind ik. Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen. Niet doen overheden. De wisselwerking in het spanningsveld tussen heden en verleden geeft deze struikelblokken de esthetische status die openbare kunst zo vaak moet ontberen.

Nou goed, een overtuigende tekst richting bestuurders is niet aan mij besteed. Ik heb weleens een gedichtje geschreven over dit fenomeen, dat ik hierbij afdruk. Ondertussen zeg ik: succes woedende massa, maak iets moois van jullie pispalen. (P.S.: met het ‘crapuul’ in onderstaand rijm doel ik niet op jullie hoor.)

Schijtnesten (Memento Park)

Ze leken bij hun leven reeds verouderd,
toch staan ze hier nog even breedgeschouderd
op hun sokkels aan de grond:
de boven elke smart verheven beelden
van hoogbevoorrechten en ruimbedeelden
hun hoofden zwaar van stront.

Het onkwetsbaar brons van de gewezen helden
moest het in ieders plaats ontgelden
maar na de stenen en de kogels
waaraan ’t crapuul zich heeft bezeerd
is de rust onder hun blikken weergekeerd;
standvastig nog als pleisterplaats van vogels.

(Uit de bundel Schrammenbloed, ©Cum Suis, 2012)