Denkend aan Bart G.

Op de klep vallen’

Toegegeven, ik liep vaak onaangekondigd
bij hem binnen
en ik kwam dan voor haar,
niet voor zijn sofisme,
zijn informele logica
of zijn argumentatietheorieën.

Hij ontving mij niet als vriend maar als
een klankbord van het zojuist gestampte.
Hij filterde drogredenen
uit mijn straattaal, valsheid uit mijn
snuffelzinnen. Hij schonk thee
met lange tenen en kon mij nooit
vertellen of zij thuis was.

Ik durfde niet op haar deur te kloppen.
Soms kwam ik haar tegen in de
gezamenlijke keuken. Ze nam het
voor hem op maar wist ook niet waar
zijn taalkunde hem/ons/de wereld bracht.
Hij werd ‘aio’ en waarschijnlijk ooit
professor.

Ons taalgevoel was
meer lumbaal, zo hield ik staande.
Haar studie liep niet, noch ooit de
mijne, dat hadden wij gemeen.
Ook een verlangen naar een
animaal soort expressie
achter de dunne wand van onze bolleboos.

Helaas werd het nooit een
gezamenlijk zuchten.
Dat voorrecht viel zeer
onverwacht degene toe met de
beste papieren maar zonder een
greintje poëzie in zijn pijp.
Op hun feestje sloeg ik
met 1 slag een tafel
in de lengte doormidden.

Deze Bart dus,
die betekenissen had gesplitst in
semen, sememen en semantemen,
en jou precies kon zeggen of je in de grijze
zone zat van een begrip
en die midden in de vage vriendschap
componentenanalyse op je losliet…

Op deze hele soepterrine van
linguïstiek – een dunne bouillon uit
zo’n pakje, nooit iets van zichzelf –
was een passend deksel neergedaald
en nu zat hij te waken bij een wieg
en leek volkomen uit zijn taalverklaringen
te zijn vervluchtigd.

Ronald van Noorden ©Cum Suis, 2020

Denkend aan een niet zo verre vriend

Onontmoeting

Het zit als gegoten tussen ons, dus of
het ooit nog uit die mal moet? Misschien
doet deze afstand ons wel goed.

‘Haast je lente’ is jouw lijfspreuk.
Je legt je letters in de rijp die
als een lijkkleed op het land ligt.

Omdat ik tandjes heb geteld van je
versnelling in ’t voorbijgaan, vraagt ‘Het
Voertuig’ of wij uit zijn op ontmoeten.

Wij voelen vriendschap en misverbinding.
Ik zal zorgen dat ik nooit die kluwen aan de
klos word van jouw vliegers in de verte.

Ronald van Noorden © Cum Suis 2020

Aan schrijfwedstrijden meedoen

Een zeer goede vriend adviseert mij om wat vaker aan schrijfwedstrijden mee te doen. Dat is een goed idee. Ik word gewezen op een site die een overzicht geeft van alle aankomende wedstrijden. De eerste uitdaging die zich aandient vraagt om fictie in een genre waarin ik nog nooit iets heb geschreven.

Ik lees:

Welkom bij onze Haibun Wedstrijd 2020. Een haibun is een vorm van Japanse dichtkunst waarin zowel proza als poëzie aanwezig zijn. Een haibun hanteert beknopt maar beeldrijk proza waarin één of meer haiku’s zijn verwerkt. Het streven is om het proza en de poëzie in een spannende verhouding tot elkaar te laten staan, zodat de lezer nog een beetje moet nadenken over het verband’.

Ik schrijf onderstaand verhaal. Of het voor een ‘haibun’ kan doorgaan weet ik niet, dat moet de Haiku Kring Nederland maar bepalen die de wedstrijd organiseert. Ik stuur mijn verhaal ook door naar de zeer goede vriend. Deze adviseert mij om eerst mee te doen aan een wedstrijd in een ander genre.

Drie therapeutische haiku’s

Ik weet niet hoeveel vormen van creatieve dagbesteding er nodig waren om ons te genezen. En of dat eigenlijk wel de bedoeling was. Het ging er in eerste instantie om dat we onszelf zouden openen. Men sprak van veranderingsprocessen. Het bewerkstelligen van een vorm van acceptatie. De bereidheid om al knutselend je problemen te benoemen.

In elk geval werden we steeds bedrevener met materialen. Karton en vliegerpapier en papier-maché. Pottenbakkersklei en tufsteen. Kralen, schelpen, licht buigzaam koperdraad. En kurk natuurlijk. Ik was liever creatief met hout. Ik kon iets met een beitel. Dat stuk gereedschap werd mij echter niet zomaar toevertrouwd. Mijn tweede grote passie bleek de kunst van het boekbinden.

Er werden ook professionals van buiten aangesteld. Expressiecoaches, schilderconsultants, toneelgoeroes en andere creatieve therapeuten. Het was een zegen om te wonen in een land waarin er tijd en geld beschikbaar bleek voor zulke zorg. Maar wij waren niet vanzelfsprekend dankbaar. Het behoorde tot de groepsdynamiek om tegendraads te zijn. Alsof we nog op de middelbare school zaten. Tjardi dichtte:

Nee

Ik zeg nee tegen
alles wat te doen valt bui-
ten deze regel.

De helper van die dag noemde zich meester Oboe. Ik vond het iets te veel op een artiestennaam lijken. Het was alsof ik die eerder had gehoord, maar dan in een circus. Toch was Oboe een heuse zenmeester naar het scheen, een verwaaide monnik uit Nagasaki, daar geboren in augustus 1945 toen de stad net zwaar gebombardeerd was. Hij woonde al enige tijd in Europa. Hij kwam naar hier toen zijn land opnieuw door elkaar werd geschud. Hij woonde toen in Kobe.

De aardbeving had een kracht van 7 punt 2. Door dat natuurgeweld stierven er nauwelijks minder mensen dan door de vernietigingskracht van de atoombom. Eerst had de buik van zijn hoogzwangere moeder hem gered. Daarna de romp van een vliegtuig. Dat de haikumeester net Japan verliet toen twee continentale platen ruw over elkaar schoven noemde hij ‘geluk hebben’. Marianne schreef:

Gokje

De lottoballen
1 2 3 4 5 en 7
zijn niet gevallen.

We werden geen fantastische haikuschrijvers, maar meester Oboe hielp ons een eind op weg. ‘Houd het dicht bij jezelf’ adviseerde hij. Ik schreef:

Boekenwurm

Ooit kwam ik uit de
A gekropen. O staat al-
tijd voor mij open.

Alweer een boekpresentatie (1)

‘Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert.’

Bij de boekpresentatie van een oud-journalist

Heb je ooit geloofd voor altijd bovenop het nieuws te leven?
En zag je werkelijk het lekken van je pen voor feiten aan?
Van wat ik teruglas denk ik: als jij de krant maar haalde.

Ooit kun je hoegenaamd geen kwaad meer. Nu doet er nog
iets zeer. Er zijn ideeën. Je borrelt na. Je graaft een gat om bij
een gat te komen. Dat boek? Nou goed, het is je eerste keer.

Je noemt je carrière veelbewogen en geeft over de terugtocht
van dat front nog altijd op als een soldaat. Je klinkt met oud-
gedienden die ook beknibbelden op wat ze het liefste deden.

Moet er werkelijk iets worden rechtgezet? Wie of wat stel
je veilig? Wat vreet er zo aan veteranen? Je wilt op een
verleden wijzen? Werk dat ons aanstaart van de planken?

Ik vond dat nu juist één van je sterkere kanten: dat er niets
van eeuwigheid aan je kleefde. Het scheen er onverhoeds bij
ingeschoten. Je was vergeten te ijveren voor het nageslacht.

Helaas. Onszelf vergeven gaat niet zonder inktverlies. Maar hoe
gedegen wij ons ook herschrijven, hardnekkig onkruid kruipt om-
hoog langs de regels. Niet uitblazen weet elke olifant met visie.

Ronald van Noorden; ©Cum Suis, 2020

De dichter als getuige van de richel

Schrijven op het scherp van de snedigheid.

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Vertolkster gezocht van een vertaling

Beste Mevrouw Kaandorp,

Ik heb een vertaling c.q. bewerking gemaakt van het lied ‘Entre l’amour et l’amitié’ van Henri Tachan.
Nu weet ik wel dat u een eigen repertoire hebt en als geen ander in staat bent om originele songs te schrijven.
Volgens mij kunt u genoemd lied echter prachtig vertolken.
Wilt u mijn vertaling raadplegen?
Ik hoop van u te horen.

Met een vriendelijke groet,
Ronald van Noorden

Licentie verleend door UMG (namens Universal Music Division Barclay) en 1 organisatie voor muziekrechten.

Ha Ronald,

Mooi lied, mooie bewerking ook. Ik krijg gemiddeld per jaar een liedje of 10 toegestuurd door allerlei vriendelijke mensen. Ik heb er helaas nog nooit een kunnen gebruiken. Vaak zijn ze gewoon te slecht, soms behoorlijk goed, maar het grootste probleem is meestal dat het gewoon mijn idioom niet is. Er staan dan woorden in die ik zelf nooit zou gebruiken en dus ongeloofwaardig klinken uit mijn mond.

Jouw lied zit erg goed in elkaar, een mooi thema ook, maar het is niet een tekst die bij mij past.

Maar bedankt voor het toesturen en ik wens je veel succes met teksten schrijven.

Hartelijke groet,
Brigitte Kaandorp

Entre l’amour et l’amitié
Henri Tachan

Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
Il n’y a qu’un lit de différence,
ligt heus geen wereld van verschil,
Un simple “pageot”, un “pucier”
(Een simpel bed, onaangediend)
Ik heb je lichaam niet verdiend

Où deux animaux se dépensent,
(vraagt het verlangen wat ’t wil,)
maar waar een weg is is een wil.

Et quand s’installe la tendresse
Als dan wat tederheid ontstaat
Entre nos corps qui s’apprivoisent,
tussen van schuld doordrongen lijven,
Que platoniquement je caresse
Als ik je strikt platonisch streel
De mes yeux ta bouche framboise,
maar wij de liefde haast bedrijven,
Alors l’amour et l’amitié
staart dan verliefd zijn of bevriend
N’est-ce pas la même romance?
niet door dezelfde roze bril?
Entre l’amour et l’amitié
Zeg me, verliefd zijn of bevriend

Dites-moi donc la différence…
wat is nog eigenlijk het verschil?

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
ils ont barbelé des frontières,
heeft men de grenzen aangegeven,
Nos sentiments étiquetés,
Onze gevoelens, uitgekiend,
Et si on aime trop sa mère
’t wordt allemaal precies omschreven
Ou bien son pote ou bien son chien,
Zo hou je van je man, zo van je hond
Il paraît qu’on est en eau trouble,
we worden in ’t nauw gedreven,
Qu’on est cliniquement freudien
Jij bent een homo, jij bent bie
Ou inverti ou agent double,
dus wil je daar dan ook naar leven?
Alors qu’l’amour et l’amitié
Of wij verliefd zijn of bevriend
Ont la mêm’e gueule d’innocence,
houdt dat maar liever even stil
Entre l’amour et l’amitié
Zeg me, verliefd zijn of bevriend
Dites-moi donc la différence…
wat is nog eigenlijk het verschil…

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Entre l’amour et l’amitié
Met dat verliefd zijn of bevriend
La pudeur a forgé sa chaîne,
voelden wij ons vaak verlegen,
A la barbe du Monde entier
Je werd gezien, je werd gescreend
Et de ses gros rir’es gras de haine,
je had de hele wereld tegen,
Bon an, mal an, les deux compagnes
Door dik en dun, wij met z’n twee
Se dédoublent ou bien s’entremêlent,
je kon ons niet meer zomaar scheiden,
Comme sur la haute montagne
Wij vlogen op de wolken mee
Le ciel et la neige éternelle,
er kwam geen ander tussenbeiden,
Entre l’amour et l’amitié
Of je bevriend bent of verliefd
Se cache un petit bout d’enfance,
daar staat een kind nog niet bij stil,
Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
Il n’y a qu’un lit de différence…
ligt heus geen wereld van verschil…

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Paroles et Musique: Henri Tachan
Vertaling/bewerking: Ronald van Noorden

IJdelheid reikt ver in valse verzinsels

Terwijl de geldingsdrang maar niet van de grond komt.

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

Het lukt westerlingen vaak niet om de top te bereiken zonder sherpa’s. Wie kent hún namen?

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

Veertien richels, veertien sommetten

Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!

Soms schuift zij aan in de Jordaan

Waarna ik weer zo heerlijk mezelf ben.

Natuurlijk mag de geldbezitter de woningbezitster aan haar hoofd zeuren met de vraag of zij haar onderkomen aan hem wil verkopen. Hij mag haar zoveel brieven schrijven als hij wil. Het zou leuk zijn als hij dat een beetje stijlvol deed, zegt ze. Dan komt ze misschien nog eens verder dan de eerste zinnen. Dan zal ze zijn lucratieve voorstellen in doorzichtige smeekbedes misschien niet binnen een minuut verscheuren. Ze is eigenlijk bijzonder intolerant maar weet dat het geen zin heeft om vastgoedjongens iets te verbieden.

Zij is inmiddels ook vermogend. Ze zit niet op een schopstoel maar een nieuwe bestseller zou welkom zijn. Om de ‘private equity bedelaars’ nog verder op afstand te houden. Want echt, die kereltjes helpen de stad om zeep.

Wist je dat Remco Campert in zijn boek ‘Het leven is vurrukkulluk’ Kees, inmiddels verworden tot een haveloze grijsaard, nog eenmaal diens jeugdliefde Rosa Overbeek (inmiddels ‘juffrouw van de retirade’ in het Vondelpark) laat ontmoeten? Twee figuren dus uit het beroemde boek Kees de jongen van Theo Thijssen.

Ja, ze heeft haar huidige vrijheid verdiend met schrijven, hoewel die vrijheid relatief is. Een schrijver is zowel een meester is als een slaaf, zegt ze, en beiden zitten nooit stil. Maar het maakt nogal een verschil als je je vermogen bij elkaar gaardt in een creatief beroep of bij elkaar graait door speculatie en zogenaamde durfinvesteringen.

Een roman schrijven is eigenlijk ook een durfinvestering, bedenkt ze nu. Veel gewaagder nog dan al dat gespeculeer met woningen. Op een gegeven moment is het truukje voor de vastgoedcowboys bekent. Je koopt een huis van iemand in geldnood, je splitst de ruimte in kleinere ruimten die je apart verhuurt; zolang er woningnood is kan het succes niet uitblijven.

Maar dat schrijven? Je ‘verbouwt’ je zinnen – om even in die termen te blijven – tot het grote huis (dat een roman is) er picobello uitziet. Dan ontvang je geïnteresseerden. Die kijken graag even rond maar zoeken toch iets anders. Er is geen aanbodtekort op de boekenmarkt. Hoe vaak wil de presentatie van een prachtig doortimmerd literair werk maar niet van de grond komen?

Ook voor haar is dat nog steeds een angst. Hoewel ze naam heeft gemaakt in de boekenwereld. Ze is de meest vermogende van ons Thijssengroepje, maar als we ergens van onder de indruk zijn is het haar geestelijke rijkdom. Ik althans val vaak een beetje stil als zij aanschuift. Ik weet nooit wanneer ik het aan zal durven om m’n gedichten onder haar neus te wrijven. Opdat ze mij leest.

Ze hoeft haar huis er niet voor te verlaten. Ik wil alleen maar dat mijn zelfpromotiemateriaal op een boekenplank komt te staan in haar schrijfkamer. Waar ze blijft wonen en werken tot het einde der tijden.

Een naam die de lading niet dekt

Toch blijkt mijn boekje down under wel bruikbaar.

Hij vroeg er zelf om. Dus heb ik een naar Australië geëmigreerde vriend mijn bundel toegezonden. Vroeger gaf hij niets om poëzie maar er kon in al die jaren iets veranderd zijn. Het blijkt dat ouder wordende immigranten, hoe goed geassimileerd ze ook lijken in hun tweede vaderland, opeens weer versjes in hun moedertaal gaan zingen.

Mijn boekje is inmiddels berucht in huize VanderVeen. Het ligt op het nachtkastje. Vader heeft vrouw en kinderen wijsgemaakt dat het pikante lectuur bevat. Hij spreekt de naam van mijn eenmansbedrijfje dan ook uit als ‘Cum Sauce’. Zijn gezin was onthutst. Wie noemt zijn zaak nou ‘Spermasaus’? Ik meende zelfs iets van walging te zien in gezichten op de achtergrond toen ik laatst met mijn vriend zat te skypen.   

Achtergronden van videobellers die boekdelen spreken.

Ik had in eigen land al moeite om uit te leggen wat ik met de naam Cum Suis bedoelde. Ik schreef op mijn site:

Ik heb voor de Latijnse uitdrukking Cum Suis gekozen om een platform te zijn voor collectieve schrijfprojecten. Cum Suis betekent ‘met de zijnen’. Je spreekt het uit als ‘koem soewis’. De afkorting wordt vaak gebruikt in wetenschappelijke publicaties (Professor Van Dalen c.s.). Dan gaat het om werk van deskundigen waarbij ieder zijn bijdrage levert op grond van de eigen specialisatie. Een dergelijke toepassing laat ik graag aan de geleerden over. Maar het gezamenlijke van die aanpak spreekt mij aan. Liever dan commercieel te zijn, wil ik mij met Cum Suis presenteren als een organisatie voor gezamenlijke belangen en bezigheden.

Van dat collectieve ben ik allang weer afgestapt. Cum Suis is nu een eenmansuitgever in de meest letterlijke zin. Ik publiceer alleen maar eigen teksten. Behalve het drukken doe ik alles zelf. Niets ‘met de zijne’ dus. Ook hier dekt Cum Suis de lading niet. De naam is ongelukkig gekozen.

Het nachtkastje is op zich een eervolle ligplek voor een bundel. Mijn boekje schijnt down under een soort van signaalfunctie te hebben. Soms hoeft mijn vriend er maar een klein stukje uit voor te lezen of zijn vrouw begrijpt waar hij heen wil. De harde g in de Nederlandse taal blijft ze raar vinden maar voor de rest werkt zijn koeterwaals klaarblijkelijk opwindend.

Ook zij grijpt soms naar de ‘Cum Sauce Bible’. Ze slaat het boekje op, imiteert wat Nederlands klinkende klanken en kijkt alsof ze er iets van heeft begrepen. Een pikante blik, neem ik aan. Onleesbare teksten van ‘Klaarkomsaus’, een pornografische boekenmaker uit een onzedig land. Mijn bundel als afrodisiacum. De Kamasutra is er niets bij. De vriend snapt meteen wat zij wil zeggen.

Mijn dichterschap heeft in Brisbane een nieuwe dimensie gekregen.

Wij geloofden niet in laatste rustplaatsen

Toch heb ik spijt van die vuilniszak vader.

Natuurlijk is het geen schande pa, dat je agrarische droom begon op een stuk grond van 73 hectare en eindigde in een volkstuintje. Op dat laatste stukje aarde ging je even dapper tekeer als op je landgoed. Er kwam genoeg fruit en groente vanaf en het smaakte ons net zo goed. “Een klein bezit is beter voor je rug” grapte je vergoelijkend. Je leek het verlies en je noodgedwongen terugkeer naar Nederland verwerkt te hebben.

Toen je overleden was hoefden we alleen de huur maar op te zeggen en het perceeltje netjes aangeharkt achter te laten. Ik had een deel van je as in Frankrijk willen uitzaaien. Ruimte genoeg op je voormalige domein. Sorry vader, het is er niet van gekomen. Jouw restanten zijn een beetje achteloos verwaaid. Ik heb mijzelf deze onverschilligheid vergeven in het besef dat een hereniging na de dood, met welke plek op aarde dan ook, voor ons atheïsten een symbolische daad is zonder betekenis.

Toch heb ik spijt van die vuilniszak.

La Chadenède was 73 hectare groot en strekte zich naar het oosten uit tot op de helft van twee watervallen.
Bij het verlaten van zijn tuin

't Is klaar, zegt de tuinman. Hij legt zijn werktuig neer.
Hout en staal van eeuwen. De schoffel die zich scherpt
door gebruik. De spade die geen druk meer voelt.
Zijn snoeischaar die te laat komt voor de loten.

Aarde ontbrandt maar men stopt zijn gewicht in
een oven. Het voorjaar zal zijn as verwerken. Nu
gaan struiken zijn perken te buiten. Ik weet dat
in verlaten gaarden bomen nog uitbundig bloeien.

Onbeheerst dringt er vocht door in elke tentakel. Veel
vrucht straks. Maar overvloed verkleint de kwaliteit.
Is het niet eervol, dat, in een soort van onpraktische
weelde, deze tuin al schrikt van zijn afwezigheid?

Zijn klompen nauwelijks gelicht of het medeleven
meldt zich. Wat potentiele huurders begroeten ons
respectvol maar gehaast. 'Wie maakt hier schoon?'
vraagt de opzichter, alsof wij een woning verlaten.

Grond, daar moest je zuurstof in jagen. Dat spitten,
dat kon hij als geen ander. Ieder voorjaar reet
hij nieuwe voren. Drie spaden diep. Tussendoor
veel mest. En compost van de lofoogst van jaren.

Onhandig gehark nu. We keren wat kluiten. Onze
toewijding…sorry vader, het wordt niet wat het was.
We strooien je terug in haastig omgewoelde aarde.
We draaien ons om en er groeit alweer gras.

(Ronald van Noorden)