Wij respecteren zijn keuze

Pillendraaister


Drie dragees schreef de dokter
en altijd maar dat meisje
dat diens duisternis vertaalde met een lach.

Ze zette onleesbare briefjes om
van onbegrijpelijk naar onbeduidend,
zichzelf onbetaalbaar makend.

Ze scheen bezorgd, dat was al wat.
Ze maalde en mengde, bundelde
krachten tot een handvol hoop.

Navigerend tussen meterslange lades,
zwevend boven haar precisieschalen,
was zij het enige wat hielp.

“Lees de instructies” zei ze.
Ze waarschuwde altijd
voor bijwerking. Van wie? Van wat?

Maar onvermijdelijk dyslectisch
want te erg voor woorden,
keerde hij potjes in potjes, kraste

zijn vaarwel op een bijsluiter,
en verzamelde moed voor
geen terugkeer meer mogelijk.


Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Solovlucht van een bipolaire copiloot

Fijn dat het manische mannetje zich een keer weet te gedragen.

Locatie: een hiphopkelder van een middelgrote stad in de provincie. Ik vond de avond saai noch inspirerend. De optredens waren, tot dan toe, tamelijk voorspelbaar. Terwijl de tent toch ‘Home of the Brave’ werd genoemd. Die naam was trouwens ook niet origineel.

Toen ontstond er plotseling commotie. Een man van rond de zestig had het podium betreden. Dit kon best de volgende act zijn. Of een vader die zijn kind zocht. Een gezagsdrager misschien, die iets gewichtigs had mee te delen? Hij droeg een politiepet, maar dan zo één die ook voor style item kon doorgaan.

Het Eenmansimperium, ©Cum Suis

Hij zei op zoek te zijn naar een weggelopen hond en wilde een oproep plaatsen. Iemand moest van deze wending in het programma op de hoogte zijn, want op zijn aangeven werd op de achtergrond een begeleidingsband gestart. Al snel bleek dat hij het Beat Box tempo niet kon bijhouden. Eigenlijk reciteerde hij meer dan dat hij rapte.

Misschien maakte dit onderdeel uit van zijn optreden? Een poëtisch protest in een voormalig gemeenschapshuis waar nu alleen nog ruimte was voor Breakdance, bboy, hiphopdance, popping, DJ, Turntablism, scratchen, Rap en Graffiti workshops. Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.

Hij droeg een prozaïsch gedicht voor over ene ‘Raaf’ die misschien voor hem op de vlucht was of in het geheim een ‘terloops gezin’ had gesticht. Het beest kon ook zijn opgepakt door ‘witgejaste mannen’ en nu ergens in ‘een tuig’ staan alwaar zijn ‘kwijl werd opgemeten’.

Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie
heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je
zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop
(al was het honger dat je naar je hok dreef).

Tot zover deze zoektocht naar zijn huisvriend. Door het gejoel dat uitbrak kon ik de rest van de voordracht niet meer horen. De schrijver/performer begon te jammeren dat het een schande was, maar zo werkte dat hier. Het publiek had een mening en bepaalde. Deze grijsaard wist gewoon te weinig beats in een minuut te stoppen waardoor de boombooms met hem aan de haal gingen en de protesterende buurtjongeren voor zijn boodschap bedankten.

Later begreep ik dat het niet aan de woorden had gelegen. Je moest de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem er bij zien. In de rust van een bundel en bij onstentenis van zijn wat al te grote gedrevenheid kwam het geschrevene prachtig geserreerd over. Dat gevoel overkwam mij bladzij na bladzij. Dit leek me echt zo’n geval waar we vorm en vent moesten scheiden in het belang van de schoonheidsbeleving. 

Niet dat ik niets meer wilde weten van de persoon achter de schrijver. Dat zou oneerbiedig zijn richting zijn werk, waarvan ik juist een liefhebber dreigde te worden. Na nog een drietal van zijn optredens te hebben bijgewoond, op diverse plekken, was het mij echter duidelijk dat zijn openbare verschijning eerder afbreuk deed aan wat hij had te zeggen.

(recensie wordt vervolgd)

Verdwaalde


Opeens herkende hij zijn buurt niet meer.
Hij dacht dat de verkeerde tram
hem te ver van huis had gebracht;
hij stapte uit en alles was hem vreemd.

Hij liep zichzelf teruggekeerd voorbij,
zag vreemde voeten onder zich verdwijnen.
Aan wie vroeg hij de weg dat hij een
kamer in dit huis kreeg naast de mijne?

Hier was het goed, hij werd meteen begrepen.
Maar hij verdwaalde dieper in zichzelf.
Er staken, zei hij, ogen in zijn rug;
hij moest en zou naar huis terug.

Daar is hij ook beland. Gehaald door iemand
die hem vreemd was, werd hij met foto’s
van zichzelf bedrogen; hij kreeg het ware
nooit zo waar meer onder ogen.

Maar hij mocht opgaan in andermans
verleden, en kon, al had hij het te leen,
wel instaan voor het leven van een
man die ooit gelukkig scheen.


Schrijver: Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Bij de boekpresentatie van een oud-journalist.

Heb je ooit geloofd voor altijd bovenop het nieuws te leven?
En zag je werkelijk het lekken van je pen voor feiten aan?
Van wat ik teruglas denk ik: als jij de krant maar haalde.

Ooit kun je hoegenaamd geen kwaad meer. Nu doet er nog
iets zeer. Er zijn ideeën. Je borrelt na. Je graaft een gat om bij
een gat te komen. Dat boek? Nou goed, het is je eerste keer.

Je noemt je carrière veelbewogen en geeft over de terugtocht
van dat front nog altijd op als een soldaat. Je klinkt met oud-
gedienden die ook beknibbelden op wat ze het liefste deden.

Moet er werkelijk iets worden rechtgezet? Wie of wat stel
je veilig? Wat vreet er zo aan veteranen? Je wilt op een
verleden wijzen? Werk dat ons aanstaart van de planken?

Ik vond dat nu juist één van je sterkere kanten: dat er niets van
eeuwigheid aan je kleefde. Het scheen er onverhoeds bij
ingeschoten. Je was vergeten te ijveren voor het nageslacht.

Helaas. Onszelf vergeven gaat niet zonder inktverlies.
Maar hoe gedegen wij ons ook herschrijven, hardnekkig
onkruid kruipt omhoog langs de regels.

Ronald van Noorden; ©Cum Suis, 2020

Painting: The writer and his destiny by Kiril Katsarov.

Het voormalige gedicht R/r

Op de rug van vuile zwanen is het moeizaam vliegen.

Voordat René Stoute een verhalenbundel schreef met een meeslepende titel, scheen hij een onverschillig stuk vreten dat bietsend en gappend door de hoofdstad zwierf. Dit vertelde mij een oud klasgenoot uit de provincie die ook naar Mokum was verhuisd. De mannen waren geen vrienden, wel lotgenoten, twee grachtengordeljunks met schrijfaspiraties. (De klasgenoot beweert te zijn afgekickt. Zijn writersblock bleek onherstelbaar.)

Ik leefde in Amsterdam in dezelfde periode als zij. Ik verbleef ook veel op straat. Mijn klasgenoot kwam ik regelmatig tegen. Hij versperde mij de weg omdat hij iets belangrijks had te melden. Het kwam er altijd op neer dat hij geld van mij wilde. Stoute zag ik nooit. Hij ziet er bleek uit op een foto uit die tijd die ik op internet vond. In levende lijve is hij voor mij onzichtbaar gebleven. ‘Maar is dat laatste niet juist het kenmerk van zulke jongens?’ probeert de klasgenoot.

Het gedicht R/r is ontstaan nadat ik had gelezen van de geslachtsverandering van schrijver en dichter René Stoute. Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied.

De tweede regel van mijn gedicht bevat een verwijzing naar de titel van haar debuut; de verhalenbundel ‘Op de rug van vuile zwanen’. Het werk kwam uit in 1982. De schrijfster zou vanaf toen nog ruim tien jaar als man door het leven moeten.

Niet alleen de titel sprak me aan, ook het boek deed me veel indertijd, mede omdat ik in de beschreven periode zelf nogal zieltogend door Amsterdam zwierf. Ik voelde verwantschap met de junk die al schrijvend probeert zijn verslaving te boven te komen. Het vervolg is voorspelbaar en dramatisch.

In 1991 bracht de schrijver zijn behoefte aan travestie aan het licht achter een, bewust transparant gehouden, façade van fictie. Terzelfdertijd kwam Maarten ‘t Hart met een soortgelijke boodschap. Die was niet zozeer in literatuur vervat maar werd veel openlijker uitgedragen. Ik vroeg mij af of diens belijdenis eerder een provocatie was dan een daadwerkelijk verlangen om gekleed te gaan als lid van de andere sekse. Het antwoord doet er niet toe. Feit is dat alle media-aandacht zich richtte op de in, weinig modieuze, vrouwenkleding uitgedoste ‘t Hart. Waarschijnlijk vanwege zijn grotere bekendheid als publieksschrijver. Ik gun hem die aandacht. Hij is een groot schrijver. Zijn uitdossing was allesbehalve glamoureus. Een dragqueen leek hij zeker niet. Maar ook dat doet niet ter zake. Wat ik mij nu afvraag is of een soortgelijke aandacht iets voor Stoute had kunnen betekenen. Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?

De gendertransformatie die Renate niet lang daarna onderging verliep allesbehalve gemakkelijk. Het schrijven wilde ook niet meer zo. Het lichaam van de schrijfster werd herinnerd aan een slopend drugsverleden middels opspelende leverkwalen. Ook stress was een constante factor. Een combinatie van problemen werd de schrijfster fataal. René heeft een veel te kort bestaan als Renate mogen doorbrengen.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied. Zij verdient dan ook meer dan mijn ene gedichtje.

Soms is het triest dat je werk niet wordt opgepikt zoals je voor ogen stond. Vaker is zo’n misverstand alleen maar lachwekkend. Doorgaans ook best wel begrijpelijk. Ik heb onderstaand gedicht indertijd opgestuurd om mee te doen aan Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. Ik was blij dat ik met mijn bescheiden eerbetoon de eerste ronde haalde en minder opgetogen dat het niet terechtkwam in de selectie van de laatste 100 (dan wordt het opgenomen in een verzamelbundel). Mijn uitverkoring voor althans die eerste schifting had als voordeel dat het gedicht van een kort commentaar werd voorzien door een vakjury. Men had er het volgende over te zeggen:

‘Het begin is sterk, met de Niels Holgersson-achtige beschrijving, daarna wordt het cryptisch en onhelder. Concentreer je op een beeld en werk dat uit.’

Ik had een tamelijk helder beeld van de door Amsterdam zwervende junk toen ik het schreef. Zoals ik boven al suggereerde heeft het indertijd niet veel gescheeld of ik was zelf in het drugscircuit terecht gekomen. Het moet een worsteling geweest zijn voor Stoute om daarvan afgekickt verslag uit te brengen. De verhalen die hij bij De Arbeiderspers inleverde dienden dan ook ingrijpend geredigeerd te worden.

Ook ik kon wel wat redactieadviezen gebruiken indertijd. Zo had ik wat mannelijke persoonsvormen door vrouwelijke moeten vervangen. Ik had ieder misverstand over mijn onderwerp kunnen wegnemen door in de titel gewoon de man en de vrouw bij naam te noemen. Die veranderingen heb ik onderstaand doorgevoerd:

René / Renate (over R. Stoute)


Haar neus nog vol van wat hij had gedaan
– hij had op zwanenruggen meegevlogen –
werden de uren gram voor gram gewogen
waarin zij leerde op zichzelf te staan.

Zijn laatste boek ging over spijt
van wonden die tot bloedens toe genezen,
verdriet dat hangt rond ieder afscheid
en ‘t heft in eigen hand dat zich laat vrezen.

Zoveel uitleg deed de geest geen goed.
‘t Verleden dat zij trachtte te verdrijven
kon hij zo nuchter niet beschrijven
of ‘t kroop haar toch weer in het bloed.


Schrijver: Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Naschrift:
Zoals wij weten speelt Nils Holgersson de hoofdrol in een kinderboek van Selma Lagerlöf. Ik wist van dit jochie alleen maar dat hij voor straf was omgetoverd in een duimgroot wezen. Ik geloof wel dat ik het kinderboek vroeger bezat maar verhalen over kleine mensen schoof ik altijd meteen aan de kant.

Op wikipedia leerde ik dat Nils zijn lot een beetje had verdiend. Hij had namelijk een kabouter gevangen genomen en geweigerd hem vrij te laten. Nils was sowieso een nogal naar wezentje voordat hij uitvloog. Bijna alle wezens op de boerderij waar hij woonde maakten kennis met zijn sadistische trekjes. Toen hij er in slaagde om mee te vliegen op de rug van zwanen en hij zijn woonplaats dus achter zich kon laten leek iedereen blij dat hij weg was. Voor hem begon er een leerzaam en louterend avontuur.

Toen ik op zoek ging naar wat meer informatie over de titel van Stoutes’ boek, en dan met name het feit dat ‘zijn’ zwanen vuil zijn, werd er, ter verklaring, op sommige plaatsen ook naar een versregel van Paul van Ostaijen verwezen. ‘t Is grappig om te lezen dat veel mediabronnen elkaar wat dit betreft napraten maar dat niemand de gewraakte regel ook daadwerkelijk kan citeren. Die is er dan ook niet.

Wij hebben, volgens mij, geen sprookjes nodig, noch citaten uit het werk van Ostaijen, om ‘Op de rug van vuile zwanen’ te verklaren. De titel verwijst naar het bestaan als heroïne-junk dat Stoute tot zijn 27ste heeft geleid. Zowel de ‘zwanen’ als het ‘vuile’ ervan worden met dat gegeven afdoende verklaard.

Limburgse dagen (de mijnen)

Vandaag een eigen lied en een veel mooier lied van Jean Ritchie.

Kompelcomplex


Wat heeft dit doolhof hen misleid.
Hier gingen zoveel longen, zoveel ruggen stuk,
zoveel vergeten levens, bezet door arbeid.
Hier groef men goud en vond men geen geluk.

Met in de verste gangen onbereikbaar licht:
door paters en patronen lonkend in het zicht
gesteld genadebrood, en, ver onder modaal,
een winstopslagje op de laagste loonschaal.

Welke plichten stonden hen voor ogen
dat niet viel toe te geven aan rebelse dromen?
Hoe konden zij, zo vaak hun vlucht werd overwogen,
in deze duisternis weer tot bezinning komen?

Stomme gravers in dat klokhuis aarde
wier handen joegen naar een nieuw record.
Zelfs als de schaftfluit hen bedaarde
ging het werk nog in hun hoofden door.


Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

The L&N Don’t Stop Here Anymore” is a ballad written and released by Jean Ritchie in 1965.
Though Jean Ritchie typically eschewed controversial topics, the subject of impoverishing coal miners was touchy enough for the musician that she originally released “L&N” in 1965 under her maternal grandfather’s name, Than Hall. Ritchie grew up in Viper, Kentucky‘s Slabtown Holler, and a Louisville and Nashville Railroad passenger train ran right by the mouth of the hollow. Difficult times began when the local coal mines closed and the trains stopped coming; “The L&N Don’t Stop Here Anymore” reflects that time. In 2008, Ritchie still owned the family farm in Viper and fought against mountaintop removal mining, a form of surface mining she called “a sin“.
Michelle Shocked and Kathy Mattea covered the song, but it was made famous by Johnny Cash, who published his own cover of the ballad after hearing June Carter Cash sing it. (Bron: Wikipedia)

“The L & N Don’t Stop Here Anymore”

When I was a curly-headed baby
My daddy set me down on his knee
Saying “Son you go to school, you learn your letters
Don’t you be no dusty miner, boy like me”

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty row of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

I used to think my father was a black man
With scrip enough to buy the company store
But now he goes to town with empty pockets
And his face is as white as the February snow

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty road of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

Never thought I’d live to lean to love the coaldust
Never thought I’d pray to hear those temples roar
But God I wish the grass would turn to money
And then them greenbacks would fill my pockets once more

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty road of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

Last night I dreamed I went down to the office
To get my payday like I done before
But them old kudzu vines was covering the doorway
And there was leaves and grass growing up through the floor

I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler
Where the coal cars rolled and rumbled past my door
But now they stand in a rusty road of all empties
Because the L & N don’t stop here anymore

Songwriter: Jean Ritchie

Limburgse dagen (het Miljoenenlijntje)

Energietransitie (wachtend op waterstof of kernfusie)

Het spoor langs Simpelveld
leidt niet meer ondergronds
de mijnen in
en bovengronds
blijken de diesels uitgeteld.

Het historisch heden is hersteld
door hobbymachinisten.
Ook de toekomst
wordt een droom
van stoom, stoom, stoom…

Ronald van Noorden © 2020 Cum Suis


‘Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen.’ Met het jongere zusje van M. voor een oud seinhuis.

Denkend aan Bart G.

Op de klep vallen’

Toegegeven, ik liep vaak onaangekondigd
bij hem binnen
en ik kwam dan voor haar,
niet voor zijn sofisme,
zijn informele logica
of zijn argumentatietheorieën.

Hij ontving mij niet als vriend maar als
een klankbord van het zojuist gestampte.
Hij filterde drogredenen
uit mijn straattaal, valsheid uit mijn
snuffelzinnen. Hij schonk thee
met lange tenen en kon mij nooit
vertellen of zij thuis was.

Ik durfde niet op haar deur te kloppen.
Soms kwam ik haar tegen in de
gezamenlijke keuken. Ze nam het
voor hem op maar wist ook niet waar
zijn taalkunde hem/ons/de wereld bracht.
Hij werd ‘aio’ en waarschijnlijk ooit
professor.

Ons taalgevoel was
meer lumbaal, zo hield ik staande.
Haar studie liep niet, noch ooit de
mijne, dat hadden wij gemeen.
Ook een verlangen naar een
animaal soort expressie
achter de dunne wand van onze bolleboos.

Helaas werd het nooit een
gezamenlijk zuchten.
Dat voorrecht viel zeer
onverwacht degene toe met de
beste papieren maar zonder een
greintje poëzie in zijn pijp.
Op hun feestje sloeg ik
met 1 slag een tafel
in de lengte doormidden.

Deze Bart dus,
die betekenissen had gesplitst in
semen, sememen en semantemen,
en jou precies kon zeggen of je in de grijze
zone zat van een begrip
en die midden in de vage vriendschap
componentenanalyse op je losliet…

Op deze hele soepterrine van
linguïstiek – een dunne bouillon uit
zo’n pakje, nooit iets van zichzelf –
was een passend deksel neergedaald
en nu zat hij te waken bij een wieg
en leek volkomen uit zijn taalverklaringen
te zijn vervluchtigd.

Ronald van Noorden ©Cum Suis, 2020

Denkend aan een niet zo verre vriend

Onontmoeting

Het zit als gegoten tussen ons, dus of
het ooit nog uit die mal moet? Misschien
doet deze afstand ons wel goed.

‘Haast je lente’ is jouw lijfspreuk.
Je legt je letters in de rijp die
als een lijkkleed op het land ligt.

Omdat ik tandjes heb geteld van je
versnelling in ’t voorbijgaan, vraagt ‘Het
Voertuig’ of wij uit zijn op ontmoeten.

Wij voelen vriendschap en misverbinding.
Ik zal zorgen dat ik nooit die kluwen aan de
klos word van jouw vliegers in de verte.

Ronald van Noorden © Cum Suis 2020

Aan schrijfwedstrijden meedoen

Een zeer goede vriend adviseert mij om wat vaker aan schrijfwedstrijden mee te doen. Dat is een goed idee. Ik word gewezen op een site die een overzicht geeft van alle aankomende wedstrijden. De eerste uitdaging die zich aandient vraagt om fictie in een genre waarin ik nog nooit iets heb geschreven.

Ik lees:

Welkom bij onze Haibun Wedstrijd 2020. Een haibun is een vorm van Japanse dichtkunst waarin zowel proza als poëzie aanwezig zijn. Een haibun hanteert beknopt maar beeldrijk proza waarin één of meer haiku’s zijn verwerkt. Het streven is om het proza en de poëzie in een spannende verhouding tot elkaar te laten staan, zodat de lezer nog een beetje moet nadenken over het verband’.

Ik schrijf onderstaand verhaal. Of het voor een ‘haibun’ kan doorgaan weet ik niet, dat moet de Haiku Kring Nederland maar bepalen die de wedstrijd organiseert. Ik stuur mijn verhaal ook door naar de zeer goede vriend. Deze adviseert mij om eerst mee te doen aan een wedstrijd in een ander genre.

Drie therapeutische haiku’s

Ik weet niet hoeveel vormen van creatieve dagbesteding er nodig waren om ons te genezen. En of dat eigenlijk wel de bedoeling was. Het ging er in eerste instantie om dat we onszelf zouden openen. Men sprak van veranderingsprocessen. Het bewerkstelligen van een vorm van acceptatie. De bereidheid om al knutselend je problemen te benoemen.

In elk geval werden we steeds bedrevener met materialen. Karton en vliegerpapier en papier-maché. Pottenbakkersklei en tufsteen. Kralen, schelpen, licht buigzaam koperdraad. En kurk natuurlijk. Ik was liever creatief met hout. Ik kon iets met een beitel. Dat stuk gereedschap werd mij echter niet zomaar toevertrouwd. Mijn tweede grote passie bleek de kunst van het boekbinden.

Er werden ook professionals van buiten aangesteld. Expressiecoaches, schilderconsultants, toneelgoeroes en andere creatieve therapeuten. Het was een zegen om te wonen in een land waarin er tijd en geld beschikbaar bleek voor zulke zorg. Maar wij waren niet vanzelfsprekend dankbaar. Het behoorde tot de groepsdynamiek om tegendraads te zijn. Alsof we nog op de middelbare school zaten. Tjardi dichtte:

Nee

Ik zeg nee tegen
alles wat te doen valt bui-
ten deze regel.

De helper van die dag noemde zich meester Oboe. Ik vond het iets te veel op een artiestennaam lijken. Het was alsof ik die eerder had gehoord, maar dan in een circus. Toch was Oboe een heuse zenmeester naar het scheen, een verwaaide monnik uit Nagasaki, daar geboren in augustus 1945 toen de stad net zwaar gebombardeerd was. Hij woonde al enige tijd in Europa. Hij kwam naar hier toen zijn land opnieuw door elkaar werd geschud. Hij woonde toen in Kobe.

De aardbeving had een kracht van 7 punt 2. Door dat natuurgeweld stierven er nauwelijks minder mensen dan door de vernietigingskracht van de atoombom. Eerst had de buik van zijn hoogzwangere moeder hem gered. Daarna de romp van een vliegtuig. Dat de haikumeester net Japan verliet toen twee continentale platen ruw over elkaar schoven noemde hij ‘geluk hebben’. Marianne schreef:

Gokje

De lottoballen
1 2 3 4 5 en 7
zijn niet gevallen.

We werden geen fantastische haikuschrijvers, maar meester Oboe hielp ons een eind op weg. ‘Houd het dicht bij jezelf’ adviseerde hij. Ik schreef:

Boekenwurm

Ooit kwam ik uit de
A gekropen. O staat al-
tijd voor mij open.

Natuurlijk weer zo’n semi-diepzinnige fuckwijsheid die won. Oeps, klinkt hier jaloezie door?