Alweer een boekpresentatie (2)

Er zijn van die filmfragmenten die je niet kunt ontlopen. Ik kijk zelden tv. Zondagavond zat ik klaar voor een bewuste confrontatie. Daarna was het mij weer duidelijk: geschiedenis is het verhaal van wat mensen mensen aandoen.

De boekpresentatie van M. vond de volgende dag plaats op zijn zeventigste verjaardag. Het werd een gezellig samenzijn. Ik ontmoette oud-dorpsgenoten van hem van minstens zijn leeftijd. M. las een verhaal voor uit zijn bundel en vertelde, in een bibberige speech, hoe hij ertoe was gekomen om zo’n ‘persoonlijk geïnterpreteerde geschiedenis’ te schrijven van zijn geboorteplaats, in de rol van ‘observerend ingewijde’.

Zijn werk zat vol intimiteit, ontboezemingen, prille jeugdervaringen, gevoelens, interpretaties, roddels, achterklap, karakterduiding, daderprofielen enzovoort.

Mocht ik willen weten waarom hij nu alweer in herhaling verviel – dat wilde ik niet, ik had mijn taak als eindredacteur erop zitten – dan was het omdat hij ‘best wel’ geëmotioneerd raakte van alle aandacht. Wat de aanleiding was voor de bundel over zijn gehucht, had ik hem, buiten het licht van schijnwerpers, beter horen verwoorden. Nu kwam het erop neer dat het ‘kwam omdat hij er vandaan kwam’.

De advocate wierp volgens sommigen een muur op rondom haar persoonlijke leven. Je kunt ook stellen dat ze ruimte vrijmaakte voor gewichtiger zaken. Die ze voortvarend voor het voetlicht bracht.

Ook de huidige burgermeester deed zijn zegje. Veel nog levende vedetten uit de stukjes waren present. Ik kende niemand persoonlijk maar had, al corrigerend, over iedereen gelezen. De meeste regionale beroemdheden die in het boek werden genoemd, waren verscheiden, maar het zaaltje was gevuld met nabestaanden. Ze bleken blij met publicatie (en met de bitterballen). Alles was goed zolang hun bloedverwanten postuum berucht bleven.

Zondag hoorde ik weinig tot niets over jeugd, relaties of drijfveren. De strafadvocate I.W. had in ‘Zomergasten’ een doelbewuste televisieavond samengesteld waarbij ze zichzelf zorgvuldig buiten beschouwing liet. Ze kwam met mooie fragmenten en zei verstandige dingen. Dat de kijker over haar persoonlijke leven nagenoeg niets te weten kwam, werd meer dan goedgemaakt.

Haar taalgebruik was minder langdradig dan in haar pleidooien. Haar boek ‘De jacht op het recht’ schijnt vol oeverloze zinnen te staan. De interviewster had het meegenomen, maar gelukkig werd er nauwelijks geciteerd. Waarom de zinnen zo lang waren, wilde Janine Abbring weten. De advocate mompelde dat ze niet van de straat was en dat ze veel Russische schrijvers had gelezen.

Zodra het over het waarom gaat van eigen pennenvruchten wil het woordgebruik nog weleens in de verdediging schieten. Over menselijke zwakheden in z’n algemeenheid deed W. opvallend aangename uitspraken. Tegenover groepsdruk en massahysterie, die de ‘meute’ verleiden tot ‘wraaksentimenten’, staat een individu dat anders wil en durft. Natuurlijk behoort W. tot de laatste categorie. In een onbedoelde, overtuigende, pleitrede bracht ze dat voor het voetlicht zonder iets over zichzelf te zeggen.

Dit zijn de aforismen uit haar mond die me bij zijn gebleven, of die ik later in tv-recenties heb gelezen: [Ik ben] ‘een kluizenaar buiten de wetenschap van velen die niet de neiging heeft om de eigen ingewanden op tafel te leggen voor inspectie’. / [Ik wil] ‘verdieping, geen emotionele blootheid’. / ‘Laat de puzzelstukjes maar gewoon liggen.’ / ‘Het mag wel wat minder met het exhibitionisme van emoties.’ / ‘Alles is tegenwoordig op stoeptegelniveau.’ / ‘Je kan niet langszappen of je bent beland in iemands binnenste.”

‘Ziehier de strenge man met het rode pennetje’, introduceerde M. mij bij K. die hij de ‘redacteur buitenboel’ noemde. Zowel de vormgever als ik kregen een gesigneerd exemplaar mee van zijn bundel. Ik ga die nogmaals grondig lezen. Volkomen voorbereid en autonoom. Hoe anderen hun dorp of ‘global village’ ook presenteren, je kijkt altijd naar de wereld met je eigen distantie en voorkennis.

‘Alles wat je ziet wordt gespiegeld aan wat je al weet’ om met de woorden van de strafadvocate te spreken.

Alweer een boekpresentatie (1)

‘Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert.’

Bij de boekpresentatie van een oud-journalist

Heb je ooit geloofd voor altijd bovenop het nieuws te leven?
En zag je werkelijk het lekken van je pen voor feiten aan?
Van wat ik teruglas denk ik: als jij de krant maar haalde.

Ooit kun je hoegenaamd geen kwaad meer. Nu doet er nog
iets zeer. Er zijn ideeën. Je borrelt na. Je graaft een gat om bij
een gat te komen. Dat boek? Nou goed, het is je eerste keer.

Je noemt je carrière veelbewogen en geeft over de terugtocht
van dat front nog altijd op als een soldaat. Je klinkt met oud-
gedienden die ook beknibbelden op wat ze het liefste deden.

Moet er werkelijk iets worden rechtgezet? Wie of wat stel
je veilig? Wat vreet er zo aan veteranen? Je wilt op een
verleden wijzen? Werk dat ons aanstaart van de planken?

Ik vond dat nu juist één van je sterkere kanten: dat er niets
van eeuwigheid aan je kleefde. Het scheen er onverhoeds bij
ingeschoten. Je was vergeten te ijveren voor het nageslacht.

Helaas. Onszelf vergeven gaat niet zonder inktverlies. Maar hoe
gedegen wij ons ook herschrijven, hardnekkig onkruid kruipt om-
hoog langs de regels. Niet uitblazen weet elke olifant met visie.

Ronald van Noorden; ©Cum Suis, 2020

De dichter als getuige van de richel

Schrijven op het scherp van de snedigheid.

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Barney’s Versie voor het naar bed gaan

Voelen, denken, dromen; drie hersenactiviteiten op één dag.

’s Morgens sta je met een boek in handen (‘Herzog’ van Saul Bellow) dat ooit een verpletterende indruk op je maakte. Je koopt het niet omdat je jezelf hebt wijsgemaakt dat er geen tijd meer is voor romans. Je interesse gaat uit naar het genre ‘populair wetenschappelijk’. (Je waagt je soms aan zuiver academische publicaties maar dat wordt al gauw te ingewikkeld).

Je vindt dat je een meer dan globale kennis moet hebben van onderwerpen als: kwantummechanica, evolutieleer, klimaatproblematiek, godsdienstfilosofie, ‘terra forming’, brandstofcellen, andere hernieuwbare energiebronnen, koraalriffen, bipolaire stoornis, groene technologie, ethiek, vrijdenken, stoïcisme, planten, dieren, het weer, psychiatrie, bewustzijn, computers, elektronica, relativiteitsleer, secularisatie, genetische manipulatie, nanotechnologie, ‘quantum computing’, virussen, zwarte gaten, atheïsme, paleoantropologie, stamcellen enzovoort, enzovoort…de lijst van wat er te weten valt is eindeloos.

Waar blijft de tijd voor fictie? Nou ja, een gedicht of een ‘zeer kort verhaal’ komt nog wel binnen. Als een vitaminepilletje. Maar literair werk van langere adem? Hoe moet je dat in godsnaam in je dag proppen? Moe van al de feitelijke kennis zet je ’s avonds een film op ter ontspanning. Je hebt een ipad aan het plafond bevestigd. Daar lig je onder. Op je hoogslaper. De ‘sleeptimer’ telt de minuten af. Meestal val je ergens halverwege in slaap.

Barney volgt in ‘Barney’s Versie’ zijn grote liefde (die zijn derde vrouw wordt) op de trouwdag met zijn tweede vrouw.

Vanavond houdt ‘Barney’s Version’ je aandacht langer vast. Is het een geweldige film? Misschien niet. Maar soms lijkt herkenning voldoende. Wat is het aan de etterbak en cynicus Panovski dat je geboeid in hem blijft tot het einde? Sowieso het uitstekende acteerwerk van Paul Giamatti (hij kreeg een Golden Globe voor deze rol). De relatie met zijn vader ongetwijfeld; een interessante rode draad in de film en in het leven van de hoofdrolspeler.

Maar bovenal vind je het besluiteloze voortmodderen van Barney aandoenlijk. Verstoken van doelbewuste – want op ware wensen gebaseerde – keuzes belandt hij in benarde situaties zoals dat zo vaak gebeurt als beslissingen niet op tijd noch met volle overtuiging worden genomen. Hij sleept zich voort totdat een werkelijk opkomen voor zichzelf niet langer achterwege kan blijven. De moraal wordt gelukkig niet goedkoop daarna: ook dan blijft het een gesukkel van jewelste. Maar hij is tenminste één keer oprecht verliefd geweest (in zijn derde huwelijk).

Ziezo, dat was een aardige synopsis van een uiterst geloofwaardig want navolgbaar bestaan. Barney heeft mensen geraakt met zijn aanwezigheid. Hij zat ook zichzelf in de weg. Het einde van het eerste huwelijk beklemt je zelfs nu nog. Het beslaat het eerste kwartier van de film. Barney heeft een vrouw bezwangerd. Hij voelt de verantwoordelijkheid om met haar te trouwen. Zij maakt een volkomen onverschillige indruk. Haar kind blijkt verwekt door een ander.

Uit boosheid blijft Barney langer van huis weg dan goed is voor beiden. Zij schrijft een brief die hem – door omstandigheden – te laat bereikt. Uit haar zinnen spreekt spijt en liefde. Hij vindt zijn vrouw dood op bed. De schoonvader die later een bezoek brengt aan Barney, vertelt hoe vaak hij zijn dochter – ‘altijd al lastig’ – moest disciplineren en verklaart daarmee ongevraagd waarom zij was wie zij was; op zijn minst het slachtoffer van kleinburgerlijkheid en gebrek aan ouderlijke zorg.

Het is te laat voor Barney om dingen recht te zetten. Steeds weer achter de feiten aanlopen, roep je zo’n situatie over jezelf af? Ach nee, het leven zit vol onvermijdelijkheden, hoe goed je ook je best doet. De één gooit het op een akkoordje met zichzelf, de ander leeft zeer verantwoord en lijkt op het juiste moment de juiste beslissingen te nemen. Maar dat je fouten maakt onderweg, het schijnt erbij te horen. Natuurlijk, er zijn ook regelrechte klootzakken. Je kunt als kijker ongeduldig worden van Barney, of je ongemakkelijk voelen door de gelijkenissen met je eigen geëmmer; hij blijft een sympathieke sukkel.

Je leest nog even een recensie voor het slapen gaan. Pas dan begrijp je dat de film op een roman is gebaseerd. Roger Ebert schrijft: ‘I haven’t read the much-loved novel by Richler, which is told in Barney’s voice and has been compared by some to Saul Bellow’s Herzog. The novel is said to be richer and more complex than the movie, but having only seen the movie, I can respond favorably to what it does achieve.’

Dat een boek waarmee je ’s morgens in je handen staat, ’s avonds in een artikel wordt genoemd, is een ander aspect van de loop van het leven, dat je – als altijd gespeend van het geloof in voorbeschikking – hardnekkig onder het toeval schaart. Je legt ‘Herzog’ terug maar ondergaat de strekking daarvan iets later met een omweg. Soms wordt het brein bevredigd met weetjes, soms stimuleren gebeurtenissen van onverwachte waarde je synapsen op andere manieren. Rare hersenen. Tijd om ze hun dromen te gunnen.

‘Hoe = Het NU 2020’ = een vraag zonder vraagteken

Het gaat best goed antwoordt de expositie.

‘Hoe gaan we deze vrije dag besteden?’ vroeg mijn vader vaak in het weekend. ‘Wordt het nátuur of cúltuur?’ De derde optie was ‘pretpark’, maar die voegde hij er nooit aan toe. Als De Efteling ook mocht was het geen keuze meer voor mijn zusje en mij. Dan hadden we al plaatsgenomen op de achterbank van zijn roestende fiat. Mijn moeder smeerde steevast broodjes. Zij verzoende zich met iedere keuze.

Het is een uitgemaakte zaak dat ik vandaag naar een expositie ga met een kunstenares. Ook natuurbeleving wordt zodoende een voldongen feit. We hebben geen auto. Van ons vandaan is de tentoonstelling ’t best bereikbaar over de dijk aan de oostkant van de IJssel. Ik noem het één van de mooiste stukjes fietspad van Nederland. Je rijdt dwars door de uiterwaarde richting Bronkhorst.

Illustrator Leendert Masselink liet zich voor de expositieposter inspireren door de paddenstoelvormige bewegwijzering van de ANWB.

‘Hoe = Het NU 2020’ heet de tentoonstelling die van 13 juni t/m 6 september in Het Kunstgemaal wordt gehouden. Hoewel er achter het jaartal geen vraagteken staat, heb ik de neiging om namens 2020 te antwoorden. ‘Met mij als jaar is het uitstekend. Dankzij de Corona gaat het zowaar ietsje beter met de natuur. De economie – die de grote veroorzaker is van alle ellende – lijkt bijna te zijn ingestort. Het kan dus haast niet mooier.’

Dan realiseer ik me weer het belang van de kunst en dat die niet goed floreert zonder een wereldhandelssysteem dat althans een beetje levensvatbaar is. Ik vind ook dat overheden moeten bijspringen om culturele verworvenheden overeind te houden. Als ik daar niet nadrukkelijk genoeg in ben, dan toch zeker mijn expositie minnende reisgenote. Ze hamert op het belang van cultuur en maakt zich vaak boos dat er zoveel vanzelfsprekender steun gaat naar andere – in haar ogen minder relevante – zaken.

Zij staat al maanden droog wat openbare kunstinname betreft. Voor haar betekent dat een serieuze ondervoeding. Niet dat ze zelf heeft stilgezeten in haar atelier. Er heeft daar in lockdown een interessante productie plaatsgevonden van kleine dierlijke sculpturen die evenzeer naar expositie verlangen. Ook was ze weer begonnen met tekenlessen aan kinderen. Maar dat was thuis. Een heuse tentoonstelling had ze al enige tijd niet bijgewoond. Ze werd er echt een beetje ziek van.

‘Bezoekers zijn welkom als zij ten minste 48 uur klachtenvrij zijn’ lees ik op een bordje voordat wij de ruimte betreden. Maximaal vijf mensen mogen maar naar binnen. We blijken de enige bezoekers. Wij willen dit meemaken. Hiervóór was er slechts een Coronaveilige raamtentoonstelling, zegt de gastvrouw. Daaraan hebben we zo goed als zeker niets gemist. Ik tuur al maanden bij iedereen naar binnen.

Maar liefst 100 kunstenaars doen aan de duo-tentoonstelling mee. ‘Duo’ omdat een ander deel van het werk is ondergebracht bij ACEC in Apeldoorn. De objecten hier zijn genummerd van 1 t/m 100. Nummer honderd is een grenspaal in ruste. Als je die gepasseerd bent weet je dat je alle werken hebt gezien.

De tentoonstelling richt zich op kunst uit het oosten van het land. Betekent dit dat de kunstenaars in deze contreien zijn geboren, dat ze hier naar de academie gingen of dat ze ergens vlakbij aan het werk zijn? Eigenlijk wordt het antwoord mij niet duidelijk. Ze kunnen wel in Amsterdam wonen, suggereert de gastvrouw, die een meer plausibele want pragmatische reden geeft; als je zegt dat je kunst toont uit het oosten des lands, trek je per definitie meer en ook een breder soort publiek aan.

Dit artificiële lokmiddel gun ik de organisatie van harte. Je moet het de kunst niet te moeilijk maken. Zo aten wij, voor we naar binnen gingen, oesterzwambitterballen in het belendende café. Ze deden me denken aan de broodjes van mijn moeder, onder het motto: op mooie dagen doet de precieze voeding er niet toe. Cultureel of culinair, als het overheersende gevoel maar klopt. Zo moet mijn moeder de dagjes uit ook benaderd hebben. Daarom maakte het haar niks uit waar we heengingen.

Inmiddels is de wind gaan waaien op de dijk. Op de terugweg stayer ik tevreden achter de hulpmotor aan van de kunstvriendin.

Smerige spelletjes in een coronabubbel

Toch viel Teeuwen niet in alles tegen.

Wat is dat toch met absurdistische humor dat het echt raak moet zijn om grappig te wezen? Je zou zeggen dat alles kan, juist omdat het nergens over hoeft te gaan. Het tegendeel is waar: de kracht van de nonsensicale grap lijkt te balanceren op het scherpst van de snedigheid (als ik het zo bewust niet-snedig mag zeggen). Het is lopen over een hele smalle richel tussen het al te banale en het al te absurde.

Dat streven kan, met andere woorden, teveel in kolder blijven hangen, en teveel in clichégrappen. Hans Teeuwen weet deze valkuilen over het algemeen te vermijden, maar gisteren zag ik mijn tenen toch een paar maal krommen. Dat overkwam me in het uurtje tv-cabaret waarmee hij ons op deze zaterdagavond via omroep Pow trachtte te vermaken.

Op de achtergrond van een slotlied van Hans Teeuwen, tussen de coulissen in zijn eigen woning, was André van Duin te zien. Niet alles was even begrijpelijk. Ik laat, als blijvend fan, voorbeelden van wat ik minder vond achterwege. Dit lied op het einde vond ik schitterend.

De voorstelling (‘Smerige spelletjes, de coronaconference’) ­beschrijft een dag uit het leven van iemand die in de lockdown zit. Die allerlei manieren probeert te vinden om zichzelf bezig te houden. En daar steeds bizarder van wordt. De opnamedag in mei duurde van twee uur ’s middags tot twee uur ’s nachts: in Teeuwens’ huis­kamer, zonder publiek, zonder lach.

“Dat had ook een voordeel”, zegt de caberetier tegen het Parool “omdat je dan de deadpan, de straight face langer kunt volhouden. De tekst bepaalt het ritme en niet de interactie met het publiek. Als je normaal gesproken in een volle zaal staat en er wordt gelachen, dan moet je even wachten en word je uit je rol gehaald. Daardoor is het minder echt. Nu is het meer acteren dan komedie, maar wordt de illusie niet doorbroken.”

Ik ben een grote fan van hem maar realiseerde me dat het gevaarlijk is om je blind over te geven aan je favorieten. Daar zat ik dan met al mijn hoge verwachtingen. Voor ik het wist voelde ik mijn goedlachse kaken verkrampen. Ik probeerde voor mezelf te beredeneren wat ik mistte: consistentie wellicht?

Het is waar dat de schetsen uit een kluizenaarsbestaan in lockdowncoronatijd nogal fragmentarisch overkwamen. Maar ze waren wel te vangen onder een duidelijke noemer. We zagen een man die gek werd van dat noodgedwongen thuiszitten. Dat leidde tot absurdistische bezigheden uit verveling. Het stijlkenmerk van Teeuwen en de gevolgen van de situatie waarin zijn ikfiguur verkeerde vielen hier eigenlijk prachtig samen. Nee, inconsistent was de tv-voorstelling niet. In de gegeven omstandigheden leek het juist wel toepasselijk dat hij liep te malen in zijn woning.

Moet alles altijd maar grappig zijn, kun je je afvragen. Ik denk dat wat ik onder andere goed vind aan Hans Teeuwen, zijn enorme durf is, dat gebrek aan schaamte, die overgave van het ongebreideld jezelf kunnen zijn voor een camera en voor publiek. Daar ontbrak het gisteravond ook niet aan. In alles wat hij deed en zei leek Teeuwen uit te zenden dat hij absoluut niet bezig was met wat wij er van vonden. In dat opzicht scheen hij helemaal de oude.

De noodzaak van lachwekkendheid is misschien groter bij iemand die geen echte boodschap uitdraagt (Bert Visser, Jochem Meijer) dan bij een geëngageerd caberètier die af en toe wil aansporen tot nadenken (Freek de Jonge, Youp van ’t Hek). Ik schaar Teeuwen niet onder de louter grappenmakers en ook niet onder de grote ‘boodschappers’. Er spreekt soms maatschappelijke betrokkenheid uit zijn teksten en typetjes. Maar lekker kunnen lachen om zijn mallotigheden en overdrijvingen is wel waarop ik mezelf zat te verkneuterenen toen ik om 22:00 overschakelde naar Nederland 3.

Grappigheid stelt eisen aan juist het serieuzere aspect van de humor. Van schateren tot zacht gegrinnik, het maakt niet uit wat je teweegbrengt, maar als je het voornemen hebt om mensen te laten lachen moet het wel leuk blijven, ondanks de serieuzere bedoelingen. Misschien gingen zijn kijkers gisteravond, in hun, iets te lang voor de wereld afgesloten, huiskamers, meer voor de lach dan hijzelf. Misschien wilde hij ons juist wel iemand voorschotelen die werkelijk doordraait tussen de muren van zijn woning. Voor zo iemand is komedie een bijkomstigheid.

“Wat er nu gebeurt, is wat een lockdown blijkbaar met mensen kan doen.” laat Teeuwen zich in het Parool ontvallen. “Ze trekken zich terug in hun socialemediabubbel en komen er knettergek uit. Dat lijkt de les.”

Zijn show leek wat mij betreft teveel op een zoeken. Er zaten stukjes in die zo geïmproviseerd overkwamen dat ze een beetje met hem aan de haal gingen. Soms bekroop mij een ‘kijken naar Andy Kaufman-achtige’ ongemakkelijkheid. En dat terwijl ook ik niet in een zaal zat maar thuis in mijn eigen beschermde coronabubbel. De vergelijking met het leven van menig kijker, die de neiging tot idioterie door isolatie aan den lijve ervaart, moet groot zijn geweest. Toch raakte hij mij een paar keer kwijt.

Zijn uitvergrotingen kunnen mij over het algemeen niet extatisch genoeg zijn. Geef me absurdisme pur sang, daar ligt het probleem ook al niet. Ik denk dat mijn conclusie is, dat ik hem gewoonweg niet grappig genoeg vond, en ja, dat behoorde hij – zo’n ontrouwe, want eenzijdig ingestelde, fan ben ik kennelijk – van mij wel te zijn. Hans Teeuwen vindt zelf dat deze thuisshow naar meer smaakt. Ik niet. Ook laat hij zich ergens ontvallen: “Wat grappig is, is grappig.” Tja, maar het ongekeerde is natuurlijk ook waar.