Tiny House in de Ardèche (1: Ligging)

Een micromaison op meer dan 16000 m² grond

Waar ligt het kleine huisje? We gaan van groot naar klein, te beginnen met de kaart van Frankrijk. Ik ben graag volledig. Zoom je even mee (in)?

De Ardèche ligt op zo’n 1000 km afstand van Utrecht.
De Ardèche heeft departementsnummer 07. Ardèche maakt deel uit van de regio Auvergne-Rhône-Alpes. Ten zuiden ervan ligt het natuurreservaat en Nationaal Park de Cevennen maar het departement bestaat zelf ook voor zo’n 31% uit bos. De bekendste rivieren zijn de Rhône, de Ardèche, de Chassezac en de Doux.
De regio Auvergne-Rhône-Alpes is op 1 januari 2016 ontstaan door de samenvoeging van de regio’s Auvergne en Rhône-Alpes.
De regio Auvergne-Rhône-Alpes.
Hier zie je de departementen die deel uitmaken van de regio Auvergne-Rhône-Alpes en (in kleur) ook de provincies zoals ze bestonden in de 18e eeuw. Dat gelige gebied waar de Ardèche deel van uitmaakt heette vroeger Languedoc. Dat bestaat nog steeds natuurlijk en loopt viel zuidelijker door. Het blauwe gedeelte heette de Dauphiné. Ten westen van de Languedoc lag de Auvergne. Veel Fransen duiden die streken nog zo aan, vandaar dat ik ze er even bijzet.
We zoomen nu in op de drie arrondissementen van het departement Ardèche. Eén van die arrondissementen is Largentière. Een arrondissement bestaat uit kantons. We gaan naar het kanton Vallon-Pont-d’Arc in Largentière.
Het kanton (in dit geval het kanton Vallon Pont D’Arc dat deel uitmaakt van het arrondissement Largentière) omvat verschillende gemeenten. We gaan naar de gemeente Lagorce.
Eén van de gemeenten binnen het kanton Vallon-Pont-d’Arc heet Lagorce. Het ‘tiny house’ bevindt zich in de gemeente Lagorce. Dat is een gemeente in het departement Ardèche (regio Auvergne-Rhône-Alpes). De plaats maakt deel uit van het arrondissement Largentière.
Op deze kadastertekening zijn de vele stukjes land te zien van de buren en zie je ook een beekje ten westen van het terrein met nummer 1217. Op 1217 zoemen we in want dat is het terrein waar het over gaat (en waar dus het tiny house staat).
Het ‘Tiny House’ bevindt zich op het stuk grond dat wordt aangeduid als: numéro 1217 de la section K lieu-dit “Les Combeaux”, contenant 16613m². De op dit papier genoemde eigenaar is wijlen mijn vader.
Het terrein heeft als nummer 1217 (zie boven) en heet ‘Les Combeaux’. Het geel/oranje blokje in dit terrein is het tiny house. Zo krijg je een idee van de grootte van het stuk grond.

Zie de andere (nog komende) berichten voor meer details over het huisje zelf.

Limburgse dagen (de Griek in Vaals)

Naar de Griek in Vaals met de zusjes en zwagers van M – inclusief haar achterneefje Stijn, dat bij oma Lillian logeert – waarom ging ik dat zo lang uit de weg?

Zij van het restaurant vormen ook een familie, dat zie ik aan de neuzen, de ogen, de serveermotoriek. Ik zie het aan de mama (‘patrino’ in het Grieks) in een zwart gewaad van het fijnste kant en een zilveren kruis op haar borst.

Ze doet niet veel anders dan heen en weer schuifelen tussen de keuken en de bar. Ze schijnt zich met niets meer te bemoeien maar ziet natuurlijk alles. Ze monitort de afrekeningen.

Zou de ‘godfather’ van deze clan nog leven? Ik hunker naar zo’n positie. Pater familias zijn van een grillvleessyndicaat – nee, geen duistere maffiazaakjes daarnaast – die met vanzelfsprekend leiderschap de boel de boel laat.

Het scheelt dat de zusjes en zwagers van M hier goede klanten zijn. De coronaregels ten spijt, wordt er vriendschappelijk op schouders geklopt. De ouzo’s staan al klaar, nog voor wij plaats nemen.

Ook aan de kleine is gedacht. Hij krijgt een kinderaperitiefje waarvoor hij zich even losmaakt van de nek van zijn oma. Hij heeft vandaag als pluche variant zijn giraffe meegebracht. Wij zijn nog steeds vriendjes maar zou ik zijn beest met rust kunnen laten en geen ‘Dikkertje Dap’ willen zingen?

Bij en met de liefste familie van Limburg om niet te zeggen Nederland. Waar, na de vlaai, eveneens een eerlijk stuk vlees werd geserveerd.

Ik breng een toast uit op de familie. M heeft mij vandaag haar (groot)ouderlijk huis laten zien, waar ze vanzelfsprekend geluk heeft gekend. Ze toonde mij ook haar, door nonnen geregeerd, gymnasium, waar ze nooit kon aarden, maar hele hoge cijfers haalde.

Er worden nieuwe ouzo’s neergezet.

Hier mag iedereen druk zijn aan tafel, mits men de pikorde respecteert. Gesticuleren en argumenteren vormt de ware saus op de eiwitten. Niet teveel denkkracht ten toon spreiden. Ook niet te snedig willen zijn. Alleen maar ontzettend sociaal.

Theo, de opa van Stijn, schenkt mij zijn tweede drankje. Hij moet nog rijden.

Ik zet mijn vegetarische principes gedurende deze dagen aan de kant en bestel een Troje-schotel. Dat plateau bevat zoveel vlees dat het niet op één bord past. De extra bouwstoffen doen de beenspieren goed.

M en ik zijn vandaag helemaal naar Kelmis gewandeld in België waar de huizen oerlelijk bleken want door geen enkel bouwvoorschrift gehinderd. Maar de bewoners waren bijzonder behulpzaam, of ze nu Duits, Waals of Vlaams spraken. Wij vroegen de weg naar een oude zinkmijn. Die we overigens nooit hebben gevonden.

Ellen schuift haar tweede ouzo in mijn richting. Zij bestuurt de andere auto.

Wat zou ik graag de Griek zijn van dit dorp. De leverancier van een eerlijk stuk vlees aan hardwerkende autochtonen en immer tevreden (want op vakantie zijnde) toeristen. Ik zou er nooit helemaal bij horen en toch gemist worden als ik er niet was. Dat is mij in de tien jaar dat ik in Limburg woonde nooit gelukt.

Troje heet de zaak, dus niet Het Paard van Troje. Ik zit daar steeds aan te denken, ik weet niet waarom. Misschien zag ik mijzelf wel als zo’n paard in M’s familie. Maar ik heb me bedacht, al mijn aanvankelijk verzet is in de kiem gesmoord.

Jo schenkt mij de hele avond bij. De glazen zijn zomaar veranderd in tinnen kruikjes zonder bodem. We worden drinkebroers. Ik geef mij over. Deze Limburgse tak is mij lief.

Ik heb zin om heel hard ‘ouzo’ te roepen à la ‘Banzai’ van Japanse kamikazepiloten. Of ik dit voornemen heb uitgevoerd weet ik niet meer. M vertelde samenvattend dat ik aanwezig was.

We gaan voldaan in een kleine colonne huiswaarts. Er bevinden zich kinderzitjes in beide auto’s. Er passen maar drie volwassenen in één auto. Iedereen hier zorgt voor kleinkinderen. Er groeit een nieuwe tak aan de stamboom. Die de intensieve veehouderij weer nieuwe diensten zal bewijzen. Zoals ik hier, vanavond, in het Vaalser Troje.

PS: Een trouwe lezeres laat mij het volgende weten: ‘De vader van de Trojefamilie was er meestal. Men laat hem nu echter thuis want zijn warriger wordende amicaliteit werd de familie iets te gênant.’

Limburgse dagen (het Miljoenenlijntje)

Energietransitie (wachtend op waterstof of kernfusie)

Het spoor langs Simpelveld
leidt niet meer ondergronds
de mijnen in
en bovengronds
blijken de diesels uitgeteld.

Het historisch heden is hersteld
door hobbymachinisten.
Ook de toekomst
wordt een droom
van stoom, stoom, stoom…

Ronald van Noorden © 2020 Cum Suis


‘Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen.’ Met het jongere zusje van M. voor een oud seinhuis.

Limburgse dagen (de mooiste tocht sinds tijden)

Je sterft niet zomaar op een motor; eerst word je herboren.

Zodra ik plaats heb genomen op de motor van Jo, de zwager van M., schiet mij een anekdote te binnen over Theo Koomen, een radiojournalist bij de NOS die lange tijd verslag deed van de Ronde van Frankrijk. Ook hij zat achterop een motor. De man was ongebreideld enthousiast en vond altijd woorden voor wat er om hem heen gebeurde. Toch kon hij soms niet op de naam van een renner komen. Om zichzelf zoektijd te geven verzon hij een excuus om de verbinding te verbreken. Hij zei zoiets als: “Beste luisteraars, ik val even weg want we gaan nu door een tunneltje.”

Eerst gebruikte ik de schouders van mijn gids om mij aan vast te houden. Later ontdekte ik de greepjes bij het zadel.

Ik zit voor het eerst van mijn leven op een motor. Achterop of voorop, ik wist het vervoermiddel altijd te mijden. De ervaring bleef mij bespaard als gevolg van een aantal lang gekoesterde vooroordelen. Ten eerste had ik het idee dat mijn benen te kort waren voor zo’n ding. Dit bleek aantoonbaar onzinnig. Toen ik er beter op ging letten zag ik voldoende rijders van mijn lengte die niet omvielen voor het stoplicht.

Ten tweede associeerde ik motors met motorbendes. Die jongens mochten elkaar dan begroeten bij het passeren, het bleven onaangepaste vrijbuiters die geen belasting betaalden. Ook hier bleek ik over ‘bias’ te beschikken. Niemand met een nummerplaat blijft onzichtbaar voor de fiscus.

Ten derde leek het mij volkomen bewezen dat motorrijders meer snelheidsovertredingen begaan dan welke andere weggebruikers dan ook. Dat kan waar zijn maar hoe zit het met de ongelukken die zij veroorzaken? Statistieken van het CBS erbij. Oeps, mijn derde vooroordeel wordt een hardnekkige. De cijfers laten zien dat een motorrijder ‘dertig keer meer kans [heeft] op een dodelijk ongeval per afgelegde kilometer’. Maar of dat altijd door te hard rijden komt?

Afwezigheid van airbag, gordel en kooiconstructie doen hun werk. En dan nog het evenwicht. Motoren vallen makkelijker om dan een auto (afdoende beenlengte ten spijt). Door een drempel of een steentje op de weg kan er al een ongelukje of zwaar ongeval ontstaan, ‘terwijl er ook nog eens een auto overheen kan rijden’ (bij dit laatste had ik niet stilgestaan. Het CBS maakt mij wijzer dan ik wil!). Ik vrees dat mijn derde vooroordeel, door verdere verdieping, van inhoud verandert, maar niet wordt weggepoetst. Motors zijn gewoon gevaarlijk.

Mijn vierde en laatste bezwaar betreft het lawaai dat ze maken. Ook daaraan zal ik nooit wennen. Op een terras in Thailand bedacht ik dat het geluid van deze voertuigen zich niet goed verhoudt tot het aantal personen dat ermee wordt vervoerd. Ik zag daar veel motorrijders met vrouw en kind achterop en soms nog wat kroost in een zijspan. Tegenover dergelijke taferelen stond ik sympathieker dan tegenover jongemannen die hun motor gebruikten om in geronk te zeggen waartoe het verstand niet bij machte was.

Mochten er bij mij nog bezwaren bestaan tegen de motor, dan zijn ze op deze eerste rit behoorlijk bedwongen. Ik begrijp nu wat de charme is. De vrijheid, het avontuur, de beleving van het landschap. De beweging die je echt aan den lijve voelt door rijwind en dat ronkende geval tussen je benen. Alle vooringenomenheden blijken waar! Je leeft van seconde tot seconde onder het rijden. Je maakt dingen veel bewuster mee dan in een ‘kooi van Faraday’.

Jo is een ervaren ‘biker’ die in alle situaties zijn rust en wijsheid behoudt (deze eigenschappen zijn beslist uitbreidbaar tot voorbij zijn hoedanigheid als motorbestuurder). Ik werd wel stil toen we een groepje wielrenners passeerden die nogal breed over de weg uitwaaierden. Van de andere kant stormde een auto aan. Ik twijfelde even aan mijn gids, de goede afloop en de life-uitzending. Ik sloot m’n ogen en bedacht mij een tunneltje zonder licht aan het einde. Daarna weer dat prachtige heuvellandschap.

De ironie van het lot wil dat Theo Koomen, die zo vaak op de motor zat tijdens wielerritten, stierf door een auto-ongeval, nadat hij de voetbalwedstrijd FC TwenteMVV had verslagen.

Limburgse dagen (Moresnet)

Een identiteit die vaak werd omgesmolten. ‘Als een klompje zinkerst.’

Ik zal bescheiden blijven. Ik ben op zoek naar een verhaal in een gebied waarover het beste essay allang is geschreven. Verder moet ik er voor waken dat ik mezelf niet overgeef aan de troostende illusie van een betekeninsvolle ervaring. Toeval blijft toeval, onder alle omstandigheden. De dag waarop M. en ik Moresnet bezoeken blijkt ook de datum waarop, in 1914, Duitsland er binnenviel en dit kleine gebied beroofde van haar neutrale status. Dat is slechts één van de vele gebeurtenissen waarmee het stuk grond met een oppervlakte van amper 344 hectare te maken kreeg.

Bij de eerste bezetting van je land door een vreemde mogendheid wordt de vaderlandsliefde meestal nog aangewakkerd. Maar stel nu dat je ergens woont waar de nationaliteitswisselingen zo snel gaan dat je nooit het gevoel hebt dat je ergens bij hoort. Bestaat er een betere remedie tegen patriottisme, nationalisme of chauvisnisme? Wat dat aangaat zou je iedereen een dergelijke ontheemdheid gunnen. Gedurende mijn verblijf in Limburg herlees ik een boekje genaamd ‘Zink’ van David van Reybrouck. Hij voert Joseph Rixen op. Deze man heeft in zijn leven vijf nationaliteitswisselingen gekend zonder ooit te zijn verhuisd.

Neutraal Moresnet, officieel Het Onverdeelde Gebied van Moresnet, was van 1816 tot 1920 een neutraal gebied met een oppervlakte van amper 344 hectare dat toebehoorde aan zowel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (vanaf de onafhankelijkheid aan de nieuwe staat België) als aan Pruisen (vanaf 1871 Duitsland). Het gebied, in de vorm van een stompe driehoek, lag ten zuiden van de Vaalserberg en reikte tot aan de hoofdweg van Aken naar Luik. (Bron: Wikipedia)

Zijn moeder is een dienstmeisje bij een fabriekseigenaar in Düsseldorf van wie ze zwanger raakt en die haar daarom verstoot. Ze komt in 1902 in Neutraal Moresnet terecht dat de reputatie heeft een plek te zijn waar je problemen geheim blijven. Ze brengt haar zoon tegen betaling onder bij een pleeggezin. De jongen wordt speelbal van de bewogen geschiedenis van het ministaatje, dat verder bekendheid verwerft als zinkexporteur, belastingparadijs, smokkelvrijplaats, gokoord en potentiële ‘Esperantostaat’.

De jonge Joseph, verwekt in Pruisen, geboren in neutraal gebied, woont sinds 1915 voor de volgende drie jaar in het westelijk deel van het Duitse keizerrijk. Na de wapenstilstand in 1918 wordt Brussel zijn hoofdstad; hij is pas vijftien en al aan zijn derde nationaliteit toe. Na zijn dienstplicht in het Belgische leger, trouwt Joseph met Jeanne Lafèbre, afkomstig uit Tilburg. Tussen 1934 en 1950 worden elf kinderen geboren, negen zonen en twee dochters. Ze wonen in Kelmis, waar hij bakker is.

In mei 1940 valt Hitler België binnen en annexeert het voormalige Neutraal Moresnet. Inwoners krijgen de Duitse nationaliteit en moeten onder de Wehrmacht gaan dienen. Het nazibestuur wil Jeanne eren met het ‘Ehrenkreuz der Deutsche Mutter’, hetgeen ze weigert. ‘Wat heeft zij als Nederlandse die naar België is verhuisd te maken met een Führer die beweert dat het gezin ‘het slagveld van de moeder’ is?’

In 1943, na de nederlaag bij Stalingrad, wordt Joseph ingelijfd bij de Wehrmacht; later deserteert hij. Na de bevrijding keert hij terug bij zijn gezin, maar wordt gearresteerd door een ondergrondse verzetsorganisatie. Niet als Belg, verdacht van collaboratie, maar als Duitser in dienst van de Wehrmacht.

Een prachtige zin uit het boek vat de geschiedenis van Joseph Rixen samen: “Zonder ooit in zijn leven te verhuizen is hij Neutraal geweest, rijksingezetene van het Duitse keizerrijk, inwoner van het koninkrijk België en staatsburger binnen het Derde Rijk. Voor hij wederom Belg zal worden, zijn vijfde nationaliteitswissel, wordt hij afgevoerd als Duits krijgsgevangene. Hij heeft geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn hem overgestoken.”

M. en ik staken de grens van Moresnet over bij het drielandenpunt van Vaals in het uiterste noorden. We deden dat zo onopvallend mogelijk want we wisten niet precies welke coronaregels er golden voor Nederlanders in België. Twee uur later arriveerden we in Kelmis. Het was ons inmiddels wel duidelijk dat er niet werd gecontroleerd op wat dan ook. Wat dat aangaat had het jaar 1850 kunnen zijn. Toen had Neutraal Moresnet slechts één wetsdienaar, de veldwachter, die niemand kon arresteren omdat het land geen gevangenis bezat.

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux,
Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très vieux,
Qui, de ses précepteurs méprisant les courbettes,
S’ennuie avec ses chiens comme avec d’autres bêtes.
Rien ne peut l’égayer, ni gibier, ni faucon,
Ni son peuple mourant en face du balcon.
Du bouffon favori la grotesque ballade
Ne distrait plus le front de ce cruel malade;
Son lit fleurdelisé se transforme en tombeau,
Et les dames d’atour, pour qui tout prince est beau,
Ne savent plus trouver d’impudique toilette
Pour tirer un souris de ce jeune squelette.
Le savant qui lui fait de l’or n’a jamais pu
De son être extirper l’élément corrompu,
Et dans ces bains de sang qui des Romains nous viennent,
Et dont sur leurs vieux jours les puissants se souviennent,
II n’a su réchauffer ce cadavre hébété
Où coule au lieu de sang l’eau verte du Léthé

(Spleen – Baudelaire)

Limburgse dagen (hello & goodbye)

Altijd op drift maar tenslotte toch rust; te vroeg en te onherroepelijk.

M. had me al vaker uitgenodigd om mee te gaan naar haar familie in Limburg. Haar zusjes en schoonbroers kende ik van haar verjaardagsfeestjes in Amsterdam, maar ik had ze nog nooit op eigen bodem bezocht. Bij die eerste ontmoetingen in de hoofdstad vond ik ze heel welwillend. Ze accepteerden de ‘man die zich niet wilde binden’. Er leek een principe van kracht: als M. mij zag zitten, was dat voor hen voldoende.

Na jaren waarin ik wegbleef van familiebezoek kon zo’n onthaal verdiend zijn, maar vanzelfsprekend vond ik het – mijzelf kennende – niet. Eén ding pleitte in mijn voordeel: door dit lange uitstel had ik bewezen dat de relatie met M. geen kortdurende affaire was. Een ontmoeting in Limburg werd steeds onvermijdelijker. Ook dat bevorderde hun gastvrijheid. Ze maakten de drempel laag. Hun warmte voelde authentiek. De deur zwaaide zo vanzelfsprekend voor mij open, dat ik me al bij voorbaat schaamde voor het moment waarop ze hun vergissing zouden inzien.

M. ging terug naar haar ‘wortels’, zoals ze vaker deed. Ditmaal onder begeleiding van een vriendje dat vrijheid boven verantwoordelijkheid stelde. Ik had meer dan tien jaar in Limburg gewoond maar zag deze trip niet als een terugkeer. Helaas voelde ook voor M. de thuiskomst ditmaal anders. Een bezoek aan haar hartsvriendin in Amsterdam, de dag voor ons vertrek, had haar de indruk gegeven dat het snel bergafwaarts ging. Ze vroeg zich af of ze niet in de buurt moest blijven voor als de toestand zou verslechteren.

Vijlen en Vaals voelen ver als je vriendin in haar laatste fase verkeert. M. wilde haar bijstaan. Met name de dochter, die veel zorg op zich nam, kon steun gebruiken. Maar deze reis naar Limburg stond gepland. En over het vluchtplan van degene die ons ging verlaten viel nooit iets te voorspellen. M. liet mij de plekken van haar jeugd zien. We zouden ook Moresnet bezoeken. M. liep er blind naartoe. Zo vaak ze deze tocht had ondernomen, zo ver scheen dat dichtstbijzijnde buitenland haar nu. Voor het eerst liet ze haar mobiel ook ’s nachts aanstaan.

Waar we ook heen gingen met onze gedachten, we maakten een paar prachtige wandelingen. Toen kwam het gevreesde bericht. Net voor het einde van onze korte vakantie. De vriendin was nog in leven maar niet meer te redden. We waren zo’n vier uur van haar verwijderd. De vraag of ze nog bij kennis zou zijn hing gedurende de hele terugreis in de lucht. Tijdens die treinrit staarden we wezenloos naar buiten of herhaalden dingen die we al wisten.

Dat zij – Spaans van geboorte – een vrouw leek van zes continenten. Dat ze zich misschien wel ergens thuis had willen voelen, maar dat het er nooit in had gezeten. Dat dit voornamelijk voortkwam uit relaties (ze verdiende geen prijs voor partnerkeuze). Ze had haar jonge gezin over de aarde gesleept in het belang van de liefde, maar nergens rust gevonden. En toch was ze steeds een voorbeeld geweest van hoe je alles uit het leven kunt halen.

Nergens rust gevonden, behalve straks misschien. De noodgedwongen rust aan het eind van een bewogen, koortsachtig, opwindend, passievol bestaan. Waar ook het beeld bij hoorde van ontworteling, waardoor je haar eufemistisch ‘ongebonden’ kon noemen. Als er één leven zonder thuis was. Geen vaste plek, alleen maar pleisterplaatsen. Een raar idee dat ze zo vroeg en zo onherroepelijk werd stilgezet.

Limburgse dagen (het jongetje)

‘Ik denk dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor mannen niet functioneert, biologisch gesproken.’ (Frank Koerselman)

“Oma, hoe heet dat jongetje?” vroeg Stijn, het achterneefje van M. dat bij haar tweelingzus Lilian logeerde. Ik ontmoette het ventje op de eerste vakantiedag in Limburg. M. en ik hadden ons net geïnstalleerd bij Ellen, haar jongste zus in Vijlen, waar we een aantal dagen zouden logeren. Misschien vond ik snel aansluiting bij het jongetje omdat hij ook uit Holland kwam. Als hij zijn Limburgse familie dialect hoorde ‘kallen’ durfde hij “Doe eens normaal” te roepen, wat ik, als verse gast en volwassene, natuurlijk niet moest proberen.

Later die week bezochten we zijn oma en opa in Simpelveld. Mijn band met Stijn was meteen weer dik in orde, maar al voordat we hun huis hadden verlaten voelde ik dat er een anekdote in de maak was. Het “Oma, hoe heet dat jongetje?” was nu “Oma, kan dat jongetje even z’n mond houden” geworden. De gretigheid waarmee M. het verhaal nu verbreidt, wijst, vermoed ik, op de behoefte aan het overbrengen van een boodschap, iets dat hoort bij humor.

Thuisgekomen neem ik de stapel NRC’s door om weer snel synchroon te lopen met het heden. In de krant van zaterdag stuit ik op ‘de vijfde aflevering van een reeks zomeravondgesprekken’. Het blijkt om een gedachtewisseling te gaan tussen Peter Buwalda (48) en Frank Koerselman (73). Het artikel begint met: ‘De nog altijd jongensachtige schrijver en de hooggeleerde psychiater vallen elkaar aan, incasseren rake klappen en hangen na drie uur allebei in de touwen.’

Thema van de woordenstrijd? Het einde van de mannelijke autoriteit. De mening van Koerselman had hij al eerder geventileerd in zijn pamflet ‘Ontvadering’. Daarin schetst hij de rampzalige gevolgen daarvan voor gezin en samenleving. Koerselman heeft de boeken van Buwalda zorgvuldig gelezen. Over ‘Otmars zonen’ zegt hij: ‘Ook in deze roman dondert de vader naar beneden en wint de vrouw […] door gebruik te maken van zijn zwakheden.’

Op zijn logeeradres in Simpelveld wilde Stijn me op een meer wijzen. Deze bevond zich achterin de tuin, die heel erg afliep. Ik daalde met hem mee naar dat laagste punt en zag een ingegraven teil vol kroos. “Nou Stijn, dat is wel een heel klein meer” zei ik “dat noem ik meer een afvoerputje.” Mijn realiteitszin stelde hem teleur, zodat ik snel iets opbeurends verzon. “Gelukkig zit de stop er nog in.”

Dat kon spannender, realiseerde ik me, zodat ik mijn hand in het water stak en de stop eruit trok. Met een slurpend geluid deed ik alsof de wereld door het putje werd opgeslurpt. Ik klom naar het huis op de heuvel maar rolde terug over het gazon. Al snel buitelde Stijn met mij mee. Totdat ik de stop weer op z’n plaats had geduwd. Eind goed, al goed. Boven, op het terras, vroegen de volwassenen zich af waarom wij zo’n lol hadden.

Schrijven is schrappen en nathouden

‘Damegambiet’ heeft het nog lang niet.

Ik schrijf een kort verhaal dat ik van plan ben ‘Damegambiet’ te noemen. Het gaat zo:

Wie was die dame die zich afdroogde met mijn handdoek toen ik daar zwom, zo’n zestig meter van het strand vandaan? Zij lachte haar tanden bloot en zwaaide. Ik kon niet goed terugzwaaien want ik was de grond kwijt onder mijn voeten en de zee kon je niet echt kalm noemen. Ik was zo ver het water in gezwommen als ik durfde.

Ze verbaasde mij maar ik moest lachen. Best brutaal dat ze zomaar mijn handdoek van het strand had durven rapen. Ze had hem inmiddels weer teruggespreid en was er op gaan zitten. Ze zwaaide nogmaals. Daarna gebaarde ze iets dat de borstcrawl moest voorstellen. Ik beschouwde het als een aanmoediging. Onder haar baywatchblik durfde ik nog wel iets verder de zee in.

Toen ik even later achterom keek was ze weer gaan staan en had mijn handdoek om haar middel geslagen. Ze applaudisseerde. Ze maakte nu het onmiskenbare gebaar van een duik. Ze wilde zeker zien hoe lang ik onder water kon blijven? Dus dook ik onder en zwom zo hard als ik kon in haar richting.

Het zou een leuke middag worden, dat wist ik nu al. Ik schatte in dat mijn badmeesteres van hier was. Ze kon me waarschijnlijk andere dingen van het eiland tonen dan wat een toerist normaal te zien krijgt.

Toen ik boven kwam snakte ik naar adem. Ik scheen gedesoriënteerd. Ik meende uit koers te zijn geraakt. Was ik heel ergens anders uitgekomen? Ik zag mijn handdoek nergens noch de dame. Bij nadere beschouwing zag ik ook mijn andere bezittingen niet meer die ik op goed vertrouwen had achtergelaten. Het waren de gebruikelijke dingen; mijn plastic slippers en een oude badtas met daarin een boek, een lunchtrommeltje, een blikje diet coke en wat fruit. Er had ook een T-shirt in gezeten waarmee ik wel blij was. Maar niets van grote waarde natuurlijk.

Het shirt bezat voor mij betekenis omdat daarop het logo van mijn schaakclub stond. Ik was wel te spreken over mijn rating de laatste tijd. Droeg ik dat kledingstuk, dan werd ik steeds op aangename wijze aan die score herinnerd, die voor mijn doen echt hoog was.

Vijf dagen later liep ik ’s avonds door de drukke winkelstraat van Ko Samuï toen ik bij een straatrestaurantje mijn dievegge ontwaarde. Misschien zag ik de jongen tegenover haar nog net iets eerder, of althans dat wat hij aanhad.

Uiteindelijk kregen zij en ik natuurlijk oogcontact. Ik zag twijfels ontstaan maar geen schrik. Ik wist niet of ze mij ook in een andere hoedanigheid kende dan alleen als een dobberend hoofd in de verte. Was ik voor haar alleen maar die witte boei in zee geweest? Nu had ik een petje op een bezat ik een lichaam. Ik droeg een ‘I Love Ko Samui’ T-shirt.

Ik zwaaide allerhartelijkst en wees op mijn borst. Toen richtte ik mijn vinger op de jongen. Daarna stak ik snel mijn duim omhoog want ik wilde niet dat zij op de vlucht zou slaan. Zij begreep dat ik niet boos was. Ik zwaaide nogmaals. Ik deed alsof het publiek de zee was en ik er doorheen moest crawlen.

In het vliegtuig fantaseerde ik hoe groot de garderobe van haar zoontje inmiddels moest zijn. Allemaal unieke opschriften waarmee hij op school kon pronken. Het plezierde mij te bedenken dat hij zo’n 11 uur vliegen van mijn woonplaats vandaan soms reclame zat te maken voor mijn club. En een beetje voor mij misschien. Een net iets meer dan middenmoter op schaakgebied.

Dan neem ik kennis van een ‘Zeer Kort Verhalenwedstrijd’. Ik lees:

Zeer Kort Verhalenwedstrijd
SCHRIJF EEN EILANDVERHAAL
Literatuurprijs van Schiermonnikoog 2020
Doe mee met de Literatuurprijs 2020, een ZKV Verhalenwedstrijd en stuur uw korte eilandverhaal van minimaal tweehonderd en maximaal driehonderd woorden in naar de Bibliotheek van Schiermonnikoog.
De Bibliotheek organiseert deze wedstrijd samen met Kunstgroep SJain en De Literaire Werkplaats. Dat gebeurt in het kader van het ‘Het Losse Land - Kunstfestival 2020’. De organisatoren hebben ‘Eiland’ gekozen als thema voor de Literatuurprijs van Schiermonnikoog 2020. Ingezonden verhalen hebben een duidelijke relatie hebben met eiland als locatie of als begrip. 
Iedere deelnemer mag één ZKV, Zeer Kort Verhaal, insturen naar de Bibliotheek Schiermonnikoog. De schrijver A.L. Snijders, de naamgever van het ZKV, heeft gezegd dat hij eiland een prachtig thema vindt voor een zeer kort verhaal, echt een creatieve uitdaging. U kunt een ZKV insturen tot en met 1 augustus 2020. De jury van de ZKV Verhalenwedstrijd bestaat uit burgemeester Ineke van Gent, cabaretier Bert Visscher en oud-bibliothecaris Simone de Boer. Deze jury nomineert vijf deelnemers voor de Literatuurprijs van Schiermonnikoog.

Maximaal 300 woorden? Hoe krijg ik dat voor elkaar? Was het Henry David Thoreau die iets zei over reduceren? Ik herschrijf:

Een heel ver eiland

Wie was die dame die zich afdroogde met mijn handdoek toen ik daar zwom, ver van het strand vandaan? Zij lachte haar tanden bloot en zwaaide. Ik kon slecht terugzwaaien zonder grond onder mijn voeten. De zee gedroeg zich bepaald niet kalm. Ik was zo ver het water in gezwommen als ik durfde.

Ik moest lachen. Best brutaal dat ze mijn handdoek van het strand raapte. Ze had hem inmiddels weer teruggespreid en was erop gaan zitten. Ze gebaarde nu iets dat de borstcrawl moest voorstellen. Ik beschouwde het als een aanmoediging. Onder haar baywatchblik zwom ik nog verder de zee in.

Toen ik even later achterom keek was ze weer gaan staan en had mijn handdoek om haar middel geslagen. Ze applaudisseerde en maakte vervolgens het gebaar van een duik. Ze wilde zeker zien hoe lang ik onder water kon blijven? Dus dook ik onder en zwom zo hard als ik kon in haar richting.

Weer boven snakte ik naar adem. Ik meende uit koers te zijn geraakt. Was ik heel ergens anders uitgekomen? Ik zag mijn handdoek nergens noch de dame. Bij nadere beschouwing zag ik ook mijn andere bezittingen niet meer. Niets van waarde natuurlijk maar wel een ‘I Love Schiermonnikoog’ T-shirt dat mij goed zat.

Vijf dagen later liep ik ’s avonds door de drukke winkelstraat van Ko Samuï toen ik haar bij een straatrestaurantje ontwaarde. Misschien zag ik de jongen tegenover haar nog net iets eerder, of althans dat wat hij aanhad.

Eenmaal thuis fantaseer ik hoe groot de garderobe van haar zoontje inmiddels moet zijn. Allemaal unieke opschriften. Het pleziert mij te bedenken dat hij, op zo’n 11 uur vliegen van mijn geboortegrond, reclame loopt te maken voor een heel ver eiland. Net als ik toen.

Het juiste aantal woorden is bereikt. Wat moest ik veel laten varen voor een eilandverhaal dat voldoet aan de wedstrijdvereisten. Ik heb dat hele schaakgebeuren uit mijn stukje geschrapt (dat noem ik nog eens een gambiet). Ik bracht een T-shirt in stelling dat ik nooit heb bezeten. Nu wil ik die wedstrijd op Schiermonnikoog wel winnen. Dan kan ik ook dát eiland eens bezoeken. In m’n Ko Samuï T-shirt.

P.s. 1: Wat Henry David Thoreau zei was het volgende:

“Simplicity, simplicity, simplicity! I say, let your affairs be as two or three, and not a hundred or a thousand; instead of a million count half a dozen, and keep your accounts on your thumb nail.”

― Henry David Thoreau, Walden

P.s. 2: Een mij dierbare lezeres adviseert mij om de laatste zin ‘Net als ik toen’ te schrappen. Ze heeft gelijk, dat is een overbodigheid. Scheelt ook weer vier woorden.

Dan liever een brommer op zee

Jongens zonder verhaal die op en neer sjezen.

Talloze andere indelingen daargelaten, formuleer ik de mijne voor vandaag als volgt: je hebt uitvinders en uitslovers. Nee wacht, er moet een beter woord zijn als tegenhanger van degenen die hun denkkracht doneren aan de mensheid. Oppenheimer is niet de enige die zich nog dagelijks omdraait in zijn graf. Hoe vaak zie je het uitschot niet aan de haal gaan met goedbedoelde inventies?

Uitvinders kwamen met de motor op de proppen, uitbaters verwerkten die in een monsterlijk ding dat ze omdoopten tot waterscooter. Wat een wezenloos wezen is de waterrecreant die zijn heil zoekt bij zo’n voertuig. Wie wil vrijwillig rondsjezen met zo’n geval tussen z’n benen?

De man aan de waterkant laat ook nog weten dat toevallig gistermiddag het lichaam van het Duitse meisje dat werd vermist op Ameland in zee is teruggevonden.

‘Oh maar het kan ook een heel functioneel hulpmiddel zijn’, legt de man aan de kant mij uit. Hij heeft mijn misprijzen gehoord. ‘De Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij gebruikt ze bijvoorbeeld’, zegt hij bijna vermanend. Nou goed, dat wil ik wel aannemen, maar we staan hier naar een rivier te kijken waarop je met zo’n ding maar twee kanten op kunt.

Dat is ook wat de gebruikers doen. Ze gaan stroomafwaarts en stroomopwaarts en dan weer terug. Dan ergens draaien en richting het vertrekpunt maar weer. Ze zijn niet op weg. Er ontbreekt een bestemming. De beweging is het doel maar zonder diepgang. Er zit geen benul in de verplaatsing. De gemiddelde gans volgt nog minder z’n instinct dan deze dwaze dolers.

Ik ben hun weg kwijt, zij zoeken die totaal niet. Nat worden en de romp op het water laten klappen lijkt de lol. Golven maken. Lekker gassen ook. Je kunt het ding laten loeien in z’n vrij, net als bij een landvoertuig. Ze doen hier waarschijnlijk precies wat ze – bij gebrek aan andere ambities – ook op hun motor doen. Hún vorm van vermaak.

De pont waar ze steeds langs razen maakt niet alleen precies de tegenovergestelde beweging, de bedoeling van de veerman staat ook diametraal op die van hen. Deze is namelijk wel functioneel. Zijn boot heet ‘Steeds Voorwaarts’; een zeer waarachtige naam voor een vaartuig met twee voorkanten. De kapitein is serieus met z’n vak bezig. Zijn passagiers willen van de Achterhoek naar Dieren of omgekeerd. De overvaart duurt pakweg drie minuten.

De opvarenden ondergaan de scooteraars gelaten. Ik zie althans geen emotie. De scooters maken golven die het dek doen schommelen. De herrie is doordringend. Vreemd dat de pontgangers dit zo wezenloos langs zich heen laten glijden. Is het omdat zij op weg zijn (zij wél) en dit tafereel slechts een korte onderbreking uitmaakt van hun reis? Ik begrijp opeens waarom ik me opwind en zij niet. Ik behoor tot de ingezetenen. Ik kijk naar de rivier omdat ik ernaast woon.

Als ik hier maar kortstondig zou verblijven zou alles me worst wezen. Ik ben tegen toeristische verplaatsingen maar begin nu toch de bedoeling van wereldreizen te begrijpen. Steeds alles achter je laten, je nooit verantwoordelijk voelen voor welke gekken dan ook. Je bent toch maar een tijdelijke waarnemer. Dit is jouw omgeving niet. Jouw soort van mensen hoef je hier niet te ontmoeten.

Nou goed, dan maar geen medestanders. Ik voel me even machteloos als sommige van de figuren in de bundel ‘In de bovenkooi’ van Maarten Biesheuvel (waarin trouwens ook het bekende ‘Een brommer op zee’ voorkomt). De mens staat met lege handen tegenover het lijden. God valt niet meer te vertrouwen. Na een mooie jeugd krijg je niets dan teleurstellingen te verwerken over de wereld.

Ik geniet van deze verhalenbundel – sommige bezigheden verheffen gelukkig nog wel – maar met één van de thema’s ben ik het niet eens. Het wordt o.a. behandeld in ‘Een dwaze hoogleraar’. In dit verhaal vervoert een gekke professor een blok ijs per fiets door de woestijn op basis van wetenschappelijke formules. Later blijkt natuurlijk dat het zonder zijn berekeningen ook gelukt zou zijn. Hierin en nog in andere verhalen laat Biesheuvel zien dat hij wetenschap onzin vindt en dat je de ‘ware wetenschap’ bij de ongeletterden moet zoeken.

Aanschouw in dat geval deze rivierscooteraars. Gelukkig bestaat er ook bij hen zoiets als verveling. De jongens willen hun testosteron waarschijnlijk weer op andere wijze laten gelden. Ik vermoed dat ze langs de oever hun thuisbasis hebben. Ze druipen af richting hun camping als een aqua-onderafdeling van de Hells Angels (de kekke zwembroekjes buiten beschouwing gelaten). Het wordt tijd voor ander vocht. Benieuwd wie ze straks het leven zuur gaan maken.

IJdelheid reikt ver in valse verzinsels

Terwijl de geldingsdrang maar niet van de grond komt.

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

Het lukt westerlingen vaak niet om de top te bereiken zonder sherpa’s. Wie kent hún namen?

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

Veertien richels, veertien sommetten

Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!