Woordenboeken dicteren niets

Ze volgen de vindingrijkheid van taalgebruikers

Taalgebruikers denken soms dat ze een woord niet mogen gebruiken als het niet in een woordenboek staat. Deze gedachtegang is even onhoudbaar als de opvatting dat men iets niet mag eten als het niet in een kookboek voorkomt. Vergeet de spelregels, beste lezers. We spelen hier geen scrabble. Taalpuristen voeren een verloren strijd tegen een vitaal communicatiesysteem. Elk woord dat in ons opborrelt staat ons vrij ter beschikking en mogen we vrijelijk toepassen.

Nou ja, misschien is het belangrijk dat we begrepen worden en de ander niet te zeer beledigen. Maar zelfs die doelen hoeven we niet na te streven. Ik kan me iemand voorstellen die juist op onbegrip wil stuiten of gewoon niet begrepen wil worden.

De woordvoorraad van onze taal overtreft de 400.000 woorden. Elke dag komen er naar schatting drie of vier nieuwe woorden of woordbetekenissen bij. Het grootste woordenboek van het Nederlands, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, bevat naar schatting drie miljoen trefwoorden. Toch kan er behoefte zijn aan een woord dat nog niet bestaat.

Woordenboeken dicteren niets, maar volgen de vindingrijkheid van taalgebruikers. Wie een woordenboek opslaat, komt lang niet altijd aan zijn trekken. Woordenboeken lopen voortdurend achter. Het gezag van een woordenboek is zo groot als het gezag dat de gebruiker er aan wil toekennen.

Wat iemand aan zijn dagboek toevertrouwt blijft vaak voor anderen verborgen. Maar het gebruik van woorden die anderen krenken kan wel strafbaar zijn. Aan het vrijelijk uiten van wat ons zoal voor de geest komt zitten dus ethische grenzen. Wanneer een rechter moet bepalen of het gebruik van een woord een belediging inhoudt, kan hij een woordenboek raadplegen, maar het woord zelf treft nooit blaam.

Het voorstel om discriminerende betekenissen uit de woordenboeken te schrappen, lost weinig op. Een woordenboek kan niets verbieden, een wetboek wel, maar alleen als een rechter dat nodig acht. Ik moest hier aan denken nu er standbeelden van foute leiders worden beklad, of zelfs uit de publieke ruimte verdwijnen omdat ze discriminerend zijn.

Ook woorden symboliseren soms het allerergste. Maar eenmaal onder de mensen, kun je ze nooit meer opheffen. Daarmee lijken ze hardnekkiger dan virussen. Gelukkig maar. Wat geldt voor de geschiedenis, geldt ook voor de taal: wie woorden wil schrappen is gedoemd om die te herhalen.

Taal is constant in transitie

Een stijlboek biedt tijdelijke strengheid.

Stijlboeken ogen streng. Maar ja, wel begrijpelijk dat de krant met één smoel naar buiten wil treden. In eerste instantie hebben journalisten een eigen verantwoordelijkheid voor wat ze schrijven. Zo’n naslagwerk is dus wel handig. “Kan het nieuwe stijlboek worden geïnstalleerd als update van de spellingcontrole in mijn tekstverwerker?” wil een zelfverklaard opinieschrijver weten. Zo niet, dan moet hij de cosmetische controle van zijn stukken aan de redactie overlaten. (Die werkt trouwens ook zonder automatische spelling-, grammatica- en stijlcontrole).

Het stijlboek van de NRC heeft een herziening gekregen. Naast actualiseren was het doel om enige uniformiteit en consistentie aan te brengen ‘in een liberaal-organische taaljungle.’ Men heeft de operatie niet te stringent benaderd. Sinds de spellinghervorming van 2006 volgt het blad de ‘witte spelling’ en wijkt daarmee af van het ‘officiële’ Groene Boekje. Ook die ‘witte spelling’ is niet heilig voor de krant, getuige enkele afwijkingen op de daarin gepresenteerde voorschriften.

Een greep uit de stijlboeken die de afgelopen jaren zijn verschenen.

In een bepaald opzicht lijken de opstellers van stijlboeken eerder relativerend van aard dan streng. Zij weten als geen ander dat taal leeft. Taalwetten bezitten geen eeuwigheidswaarde. Het kan met taal alle kanten op, dat kunnen we dagelijks lezen en horen. Er zijn schitterende voorbeelden van dichterlijke vrijheid en taalkundige originaliteit. Vaker echter lijkt het persoonlijke tintje dat men aan zijn taal geeft op een tekort aan kennis, interesse of creativiteit. Dat vraagt om bewaking.

Het eigen taalgebruik kan een grote charme en originaliteit bezitten. Maar het bevat ook een beperking tegenover de werkelijkheid van de taal als geheel: de taal dus die door gebruikers tezamen in stand wordt gehouden. Als je te veel afwijkt van die norm verlies je de aansluiting. In het uiterste geval word je niet meer begrepen.

De één wat meer dan de ander, maar we maken allemaal subjectief gebruik van de taal. Wie kent haar wetten, haar regels en haar normen uit z’n hoofd of wil zich er steeds aan houden? De taaltuin is een te groot en mistig gebied voor zelfs een taalpurist om niet zo af en toe in te verdwalen. Soms raken we serieus de weg kwijt. Of we permitteren ons een slingerpaadje juist uit liefde voor verboden – maar fascinerende – terreinen.

Taalwetenschappers laten zien dat je ook objectief over taal kunt nadenken. Met de bestudering van het fenomeen bereik je meer dan met het opleggen van regels. Met andere woorden: taalbewustzijn doet betere diensten dan taalbescherming. Regels en voorschriften hebben zo hun nut als eigen taalgebruik en eigen voorkeur de communicatie van de taalgemeenschap dreigen aan te tasten. Maar wanneer gebeurt zoiets?

Het is goed om te weten dat er getrainde bewakers zijn. Het is fijn om te beseffen dat deze toezichthouders niet snel ingrijpen. Over het algemeen laten ze ons en ons taalgebruik met rust. Ze zien wel waar het heen gaat. Als iemand de taal iets te persoonlijk neemt, maakt hij zichzelf, zoals gezegd, onverstaanbaar. Die zelfregulerende werking lijkt afdoende.

Wanneer wordt het afwijkende geaccepteerd en kan men zeggen dat het incorrecte correct is geworden? De fouten van nu worden niet snel de grammatica van de toekomst maar taal is een open systeem dat nooit voor eens en voor altijd wordt ingesteld; het kan radicale kanten opgaan als de machtige stem van de massa dat wil. Maar alles is tijdelijk.

Taal is een verschijnsel, onderworpen aan de tijd en aan de mensen, dus verandering is onontkoombaar. Wijziging van een aantal stijlregels blijft een beetje een cosmetische operatie. Het verbaast mij altijd dat dit zoveel commotie teweegbrengt. Als het nou over ideologische taalkeuzes ging waaruit een maatschappijvisie en -kritiek van de krant zouden blijken.

Die journalistieke principes heeft de NRC apart opgetekend. Ze staan in de NRC Code (https://nrccode.nrc.nl/). Daarin is te lezen hoe de krant met meer controversiële, maatschappelijke of ideologische taalkwesties omgaat. Men streeft ernaar een beschrijvende krant te zijn, geen voorschrijvende, maar een verandering in de maatschappelijke praktijk zie je altijd terug in het taalgebruik, aldus de hoofdredacteur. Het is goed dat de NRC eenieder oproept om daarop alert te blijven.

Leenwoorden als de spiegel van onze cultuur

De Indo-europese taalfamilie is voor ons het belangrijkst, omdat ze de voorloper van de Germaanse talen en dus ook van het Nederlands is, maar dat niet alleen: ze is de voorloper van vrijwel alle talen in Europa en verder van een aantal talen in India. In Europa zijn alleen het Baskisch, Turks, de
aan elkaar verwante talen Fins, Ests, Laps en Hongaars en een groot aantal kleine Turkse, Oeralische en Kaukasische talen in de voormalige Sovjet-Unie geen Indo-europese talen.

Het Indo-europees is nooit geschreven. Vanaf ongeveer 2500 voor Chr. viel het Indo-europees langzaam uiteen in verschillende takken. Dat kwam, doordat het Indo-europees zich over een groot gebied verspreidde waardoor het het onderling contact verloor, en doordat het in de verschillende gebieden in aanraking kwam met andere talen, die invloed op delen van het Indo-europees uitoefenden. De verschillende takken vielen na enige tijd ook weer uiteen in verschillende talen. Sommige daarvan zijn inmiddels alweer verdwenen (bij voorbeeld het Thracisch), die laat ik hier buiten beschouwing.

Andere bestaan nog steeds. De verschillende talen bezitten gemeenschappelijke woorden die teruggaan op het Indo-europees. Doordat de talen steeds meer uit elkaar groeiden, veranderde de vorm van de woorden. In die verandering zit een zekere regelmaat, waardoor het mogelijk is de oorspronkelijke vorm via klankwetten te reconstrueren. Zo weten we dat het Nederlandse woord gast, het Latijnse hostis en het Russische gost’ alledrie teruggaan op een gemeenschappelijk Indo-europees woord, net als Nederlands hart, Latijn cor, Grieks kardia en Russisch serdce.

Doordat de talen een eigen ontwikkeling doormaakten, werd het echter ook mogelijk dat talen woorden leenden van andere talen, zelfs oorspronkelijke erfwoorden, omdat deze in de loop der tijd een verschillende vorm hadden gekregen. Zo hebben we naast het erfwoord vader het hieraan verwante Latijnse woord pater geleend.

Met de meeste talen die – net als het Nederlands – teruggaan op het Indo-europees, hebben wij contact gehouden. Uit de meeste talen hebben we ook, direct of indirect, woorden geleend. Daarom is het de moeite waard hier een overzicht van de verschillende takken te geven. Met het Albanees, het Armeens en de Baltische talen (Lets, Litouws) hebben we nooit rechtstreeks contact gehad. Met de Aziatische tak, het Indo-iraans, hebben we wel wat contact gehouden. Het Indo-iraans bestaat uit een Iraanse tak (met als belangrijkste vertegenwoordiger het Perzisch; ook het Koerdisch en het uitgestorven Scytisch zijn Iraanse talen), en een Indische tak met als oudste taal het Sanskriet of het Oudindisch en als moderne talen onder andere het Bengali, Hindi, Punjabi, Singalees, Urdu en tevens de Zigeunertalen. Verder hebben we contact gehad met de Europese takken Grieks, Keltisch (met de moderne talen Welsh, Iers en Gaelisch in Engeland en Bretons in Frankrijk), en het Slavisch, dat verdeeld wordt in het Oostslavisch (Oekraïens, Russisch, Witrussisch), het Westslavisch (Pools, Slowaaks, Tsjechisch) en het Zuidslavisch (Bulgaars, Kroatisch, Macedoons, Servisch, Sloveens). Overigens is het verschil tussen het Kroatisch en het Servisch heel gering, en werd de taal van de Serven en Kroaten in het zeer nabije verleden Serbokroatisch genoemd. Sinds de oorlog in voormalig Joegoslavië proberen de Kroaten kunstmatig het verschil tussen het Servisch en het Kroatisch te vergroten.

De twee belangrijkste Indo-europese takken zijn voor ons het Italisch en het Germaans. Het Italisch is het voorstadium van het Latijn. Het vulgair Latijn dat van 400 tot de negende eeuw gesproken werd, noemen we Romaans. Uit dit Romaans zijn de moderne Romaanse talen voortgekomen, zoals het Catalaans, Frans, Italiaans, Portugees, Provençaals, Retoromaans, Roemeens, Spaans. Met de Romaanse talen hebben we gedurende lange tijd contact gehad, en uit deze talen hebben we verreweg de meeste woorden geleend.

Tot slot dan het Germaans, onze voorvader. Vroeger ging men ervan uit dat de Germaanse tak zich in drie groepen splitste: Oostgermaans, Noordgermaans en Westgermaans. Tegenwoordig gaat men ook wel uit van een vijfdeling (genoemd naar de plaats van herkomst): Noordgermanen, Oostgermanen (of OderWeichselgermanen), Elbegermanen (waartoe onder anderen de Langobarden, Beieren en Alamannen behoorden), Wezer-Rijngermanen (onder anderen de Franken) en de Noordzeegermanen (Friezen, Angelen en Saksen). Bij deze vijfdeling komen Nederlands en Duits niet voort uit één tak, maar hebben stammen uit verschillende takken aan de talen bijgedragen.

De splitsing in takken ging uiteraard zeer geleidelijk, maar was waarschijnlijk vóór het begin van de jaartelling een feit. Uit de periode dat het Germaans nog een eenheid vormde, stammen de Germaanse erfwoorden baas, ooievaar, zeuren, die niet in andere Indo-europese talen voorkomen. Na de periode van eenheid splitste het Germaans zich volgens de traditionele opvatting in het Oostgermaans, bestaande uit het uitgestorven Gotisch (dat enige tijd gesproken is van de Zwarte Zee tot Spanje en Noord-Afrika); het Noordgermaans, waaruit het moderne Deens, Faeröers, IJslands, Noors en Zweeds zijn ontstaan; en het Westgermaans, waaruit het moderne Engels, Duits, Fries, Platduits (of Nederduits) en Nederlands zijn ontstaan.

Het spreekt vanzelf dat de ontwikkeling van het Westgermaans naar het moderne Nederlands geleidelijk was. In de periode 900 tot 1200 spreken we van Oudnederlands of Oudnederfrankisch; uit deze periode zijn nauwelijks geschreven bronnen overgeleverd. Van 1200 tot 1500 spreken we van
Middelnederlands (waarbij de i3de-eeuwse taal wel Vroegmiddelnederlands wordt genoemd), en in de periode daarna van Nieuwnederlands (waarbij het Nederlands van de 16de eeuw wel Vroegnieuwnederlands wordt genoemd). Ook de andere talen kennen vergelijkbare (niet identieke!) periodiseringen.