De winterconciërge is weer in het land

Helaas kun je een film maar één keer op die ene manier beleven.

Welke film, dat deed er niet toe. Het ging om onze prille, wederzijdse gevoelens. Inez en ik hadden eigenlijk alleen de beschutting nodig van een bioscoopzaal. Een goed verhaal was mooi meegenomen. Toch konden we een hoop verdragen. Als ze ons maar met rust lieten.

Nou ja, zo klef waren we nu ook weer niet dat een zitplaats op de achterste rij, een beker popcorn en het schemerdonker, volstonden. Op een doordeweekse avond in een provinciestadje had je helaas slechts de keuze uit een film of drie. Dus legden we ons neer bij The Shining. Horror was niet echt ons ‘ding’.

Het griezelige plot zou zich daarna gestadig ontspinnen

Het hielp dat de leuningen van de stoelen in de bioscoop konden worden opgeklapt en dat de film al vanaf de negende minuut enge passages bevatte. Eng voor Inez althans, dat wilde zeggen: gunstig voor mij. De schoolvriendin kroop bij die eerste onheilspellende scènes wat dichter tegen mij aan. Het griezelige plot zou zich daarna gestadig ontspinnen. Voor mij was de film al geslaagd.

Met wie was het zoontje Danny aan het praten in z’n eentje? Met zijn imaginaire vriendje? Zijn ongecontroleerd bewegende vinger leek bezield. Er stak een zware grafstem in. Een geest uit het verleden? Zijn Likkepot klonk akelig bezeten. Kinderen met ingebeelde spookverschijnselen, het zou een bekend horrormotief worden.

De familie Torrance moest zich toen nog begeven naar het leegstaande Overlook Hotel, waar ze in de winter de egards gingen waarnemen en waar vader Jack zou proberen de rust te vinden om als schrijver zijn writersblock te overwinnen. Dat zou nog moeilijk worden.

Voordat Jack de klus van conciërge aanvaardde, legde de eigenaar uit wat er met de vorige beheerders was gebeurd. Dat mocht je opvatten als een bloederige vooruitwijzing. We begrepen als kijkers dat de vorige bewoners onze wintergasten, over hun graf heen, nog vaak gingen lastigvallen.

De telepathische gave van het zoontje Danny viel bij mij, als overtuigd niet-spiritueel, bijzonder slecht. Een jongetje dat beelden van gebeurtenissen uit het verleden kan oproepen en die met anderen communiceert die ook ‘The Shine’ hebben? Ik had er slechts een afkeurend gesis voor over. Uitgerekend Inez, die van angst hele stukken van het verhaal zou gaan missen, legde mij het zwijgen op.

“Stil nou, het is maar een verhaal.”

Dat bleek een uitstekend argument. Ik moest juist blij zijn dat de film, door gebruikmaking van welke middelen dan ook, volledig slaagde in z’n opzet. Inez leek er volkomen in op te gaan, al durfde ze regelmatig niet te kijken.

“Wat gebeurt er nu?” zou ze – met haar gezicht in mijn kraag of daaromtrent- nog vaak aan mij vragen. Ik werd een soort van beeldvertaler voor een blinde:

“Er klotst nu bloed uit de deuren van de hotellift.”

De (inmiddels beruchte) identiek geklede tweelingzusjes kwamen ook al vroeg in beeld, plotseling opduikend maar roerloos stilstaand in perfecte slagorde. In de labyrintische hotelgangen van het desolate hotel, met op de achtergrond dat snerpende synthesizergeluid van Wendy Carlos, bleken ze een probaat middel om kijkers de stuipen op het lijf te jagen. Maar ik had mijn plicht te vervullen. Ik had Inez’ angsten op mijn revers geprikt als een medaille voor onverschrokkenheid. Ik mocht me niet te druk maken.

Ik merkte aan haar hoe een mens binnen een mum van tijd klassiek geconditioneerd raakt. Het volstond om de camera heel langzaam door de gangen te bewegen zonder dat er feitelijk iets gebeurde. Die muziek alleen al. Ik zat op het puntje van m’n stoel terwijl Inez haar gezicht verder in mijn borst begroef. Ter hoogte van mijn hart zeg maar, dat nog nooit zo hard had geklopt om zoveel opwindende redenen.

Graag werd ik door haar angst en beven tot het einde toe in mijn mannelijkheid bevestigd. Die traditionele rol van onaangeroerde beschermer werd me bijna te machtig. Toen de getormenteerde Jack met zijn bijl op de deur van de badkamer begon te beuken, waar zijn vrouw zich doodsbenauwd voor hem verschool (‘Here is Johnny’), moest ik zelf even wegkijken.

Het was duidelijk, in z’n genre deed de film het beter dan voorbeeldig. Schrijver Stephen King mocht het dan niks vinden, omdat het verhaal wat al te losjes omging met zijn oorspronkelijke roman, maar The Shining kon – aangepast op essentiële punten om nog meer te ‘shinen’ – niet anders dan één van de beroemdste horrorklassiekers worden.

Ik had het voordeel ontdekt van huiveringwekkende verhaallijnen. De bijna ondraaglijke spanning in gruwelvoorstellingen was een uitstekend middel om meisjes te troosten. Niet dat die situatie zich na Inez nog eenmaal voordeed in mijn leven. Jammer maar helaas. In al de veertig jaar sinds de première heb ik deze film alleen nog in m’n eentje bekeken.

The Shining bestaat inderdaad veertig jaar en om dat te gedenken draaien de bioscopen momenteel de ‘extended edition’. Deze duurt 23 minuten langer dan de indertijd voor de internationale markt gemonteerde versie van bijna twee uur. Drie-en-twintig minuten langer met een kalverliefje aan mijn zijde, het zou me absoluut niet gaan vervelen. Maar inmiddels zijn we allemaal ouder en filmwijzer geworden.

Verborgen lagen, je kunt er een hele documentaire aan wijden.

Ik heb de film gedurende al die decennia een paar keer bekeken en begrijp er inmiddels iets meer van. Het is mij verder duidelijk dat verschillende uitleggers er verschillende dingen in willen zien en dat er dus controverse bestaat over de verklaring van scènes die inmiddels zo’n beetje museumstukken zijn geworden. Er is dus ook de nodige verwarring bijgekomen.

Sommigen wijzen op de cryptische boodschappen die regisseur Kubrick in deze film heeft gestopt uit schuldbesef over het feit dat hij het publiek zou hebben bedot met nepbeelden die hij maakte in opdracht van de NASA. Verborgen lagen, je kunt er een hele documentaire aan wijden, en dat is dan ook gedaan (zie Room 237 van Jay Weidner).

Heeft Kubrick het niet eigenlijk over de Holocaust, vragen sommigen zich af. Of worden we stiekem bestookt met subliminale reclametechnieken? Subteksten, vergaande veronderstellingen, academische hypotheses. Vaak diepere betekenissen dan wat de regisseur heeft willen zeggen. Eenmaal in roulatie gebracht, schijnt een film al niet meer van de maker te zijn.

Ook ik heb mij The Shining een beetje toegeëigend. Maar niet om er eigen speculaties op los te laten. Ik koester er de hierboven beschreven herinnering aan. Ben ik één van de weinigen die, bij de eerste keer kijken, niet heeft gerild van angst maar van begeerte? De speling van het lot wil dat Inez nu in Amerika woont alwaar ze een B&B runt met Troy, haar derde man. Ze bezitten drie kinderen en een hond genaamd Jack.

Limburgse dagen (de Griek in Vaals)

Naar de Griek in Vaals met de zusjes en zwagers van M – inclusief haar achterneefje Stijn, dat bij oma Lillian logeert – waarom ging ik dat zo lang uit de weg?

Zij van het restaurant vormen ook een familie, dat zie ik aan de neuzen, de ogen, de serveermotoriek. Ik zie het aan de mama (‘patrino’ in het Grieks) in een zwart gewaad van het fijnste kant en een zilveren kruis op haar borst.

Ze doet niet veel anders dan heen en weer schuifelen tussen de keuken en de bar. Ze schijnt zich met niets meer te bemoeien maar ziet natuurlijk alles. Ze monitort de afrekeningen.

Zou de ‘godfather’ van deze clan nog leven? Ik hunker naar zo’n positie. Pater familias zijn van een grillvleessyndicaat – nee, geen duistere maffiazaakjes daarnaast – die met vanzelfsprekend leiderschap de boel de boel laat.

Het scheelt dat de zusjes en zwagers van M hier goede klanten zijn. De coronaregels ten spijt, wordt er vriendschappelijk op schouders geklopt. De ouzo’s staan al klaar, nog voor wij plaats nemen.

Ook aan de kleine is gedacht. Hij krijgt een kinderaperitiefje waarvoor hij zich even losmaakt van de nek van zijn oma. Hij heeft vandaag als pluche variant zijn giraffe meegebracht. Wij zijn nog steeds vriendjes maar zou ik zijn beest met rust kunnen laten en geen ‘Dikkertje Dap’ willen zingen?

Bij en met de liefste familie van Limburg om niet te zeggen Nederland. Waar, na de vlaai, eveneens een eerlijk stuk vlees werd geserveerd.

Ik breng een toast uit op de familie. M heeft mij vandaag haar (groot)ouderlijk huis laten zien, waar ze vanzelfsprekend geluk heeft gekend. Ze toonde mij ook haar, door nonnen geregeerd, gymnasium, waar ze nooit kon aarden, maar hele hoge cijfers haalde.

Er worden nieuwe ouzo’s neergezet.

Hier mag iedereen druk zijn aan tafel, mits men de pikorde respecteert. Gesticuleren en argumenteren vormt de ware saus op de eiwitten. Niet teveel denkkracht ten toon spreiden. Ook niet te snedig willen zijn. Alleen maar ontzettend sociaal.

Theo, de opa van Stijn, schenkt mij zijn tweede drankje. Hij moet nog rijden.

Ik zet mijn vegetarische principes gedurende deze dagen aan de kant en bestel een Troje-schotel. Dat plateau bevat zoveel vlees dat het niet op één bord past. De extra bouwstoffen doen de beenspieren goed.

M en ik zijn vandaag helemaal naar Kelmis gewandeld in België waar de huizen oerlelijk bleken want door geen enkel bouwvoorschrift gehinderd. Maar de bewoners waren bijzonder behulpzaam, of ze nu Duits, Waals of Vlaams spraken. Wij vroegen de weg naar een oude zinkmijn. Die we overigens nooit hebben gevonden.

Ellen schuift haar tweede ouzo in mijn richting. Zij bestuurt de andere auto.

Wat zou ik graag de Griek zijn van dit dorp. De leverancier van een eerlijk stuk vlees aan hardwerkende autochtonen en immer tevreden (want op vakantie zijnde) toeristen. Ik zou er nooit helemaal bij horen en toch gemist worden als ik er niet was. Dat is mij in de tien jaar dat ik in Limburg woonde nooit gelukt.

Troje heet de zaak, dus niet Het Paard van Troje. Ik zit daar steeds aan te denken, ik weet niet waarom. Misschien zag ik mijzelf wel als zo’n paard in M’s familie. Maar ik heb me bedacht, al mijn aanvankelijk verzet is in de kiem gesmoord.

Jo schenkt mij de hele avond bij. De glazen zijn zomaar veranderd in tinnen kruikjes zonder bodem. We worden drinkebroers. Ik geef mij over. Deze Limburgse tak is mij lief.

Ik heb zin om heel hard ‘ouzo’ te roepen à la ‘Banzai’ van Japanse kamikazepiloten. Of ik dit voornemen heb uitgevoerd weet ik niet meer. M vertelde samenvattend dat ik aanwezig was.

We gaan voldaan in een kleine colonne huiswaarts. Er bevinden zich kinderzitjes in beide auto’s. Er passen maar drie volwassenen in één auto. Iedereen hier zorgt voor kleinkinderen. Er groeit een nieuwe tak aan de stamboom. Die de intensieve veehouderij weer nieuwe diensten zal bewijzen. Zoals ik hier, vanavond, in het Vaalser Troje.

PS: Een trouwe lezeres laat mij het volgende weten: ‘De vader van de Trojefamilie was er meestal. Men laat hem nu echter thuis want zijn warriger wordende amicaliteit werd de familie iets te gênant.’

Limburgse dagen (de mooiste tocht sinds tijden)

Je sterft niet zomaar op een motor; eerst word je herboren.

Zodra ik plaats heb genomen op de motor van Jo, de zwager van M., schiet mij een anekdote te binnen over Theo Koomen, een radiojournalist bij de NOS die lange tijd verslag deed van de Ronde van Frankrijk. Ook hij zat achterop een motor. De man was ongebreideld enthousiast en vond altijd woorden voor wat er om hem heen gebeurde. Toch kon hij soms niet op de naam van een renner komen. Om zichzelf zoektijd te geven verzon hij een excuus om de verbinding te verbreken. Hij zei zoiets als: “Beste luisteraars, ik val even weg want we gaan nu door een tunneltje.”

Eerst gebruikte ik de schouders van mijn gids om mij aan vast te houden. Later ontdekte ik de greepjes bij het zadel.

Ik zit voor het eerst van mijn leven op een motor. Achterop of voorop, ik wist het vervoermiddel altijd te mijden. De ervaring bleef mij bespaard als gevolg van een aantal lang gekoesterde vooroordelen. Ten eerste had ik het idee dat mijn benen te kort waren voor zo’n ding. Dit bleek aantoonbaar onzinnig. Toen ik er beter op ging letten zag ik voldoende rijders van mijn lengte die niet omvielen voor het stoplicht.

Ten tweede associeerde ik motors met motorbendes. Die jongens mochten elkaar dan begroeten bij het passeren, het bleven onaangepaste vrijbuiters die geen belasting betaalden. Ook hier bleek ik over ‘bias’ te beschikken. Niemand met een nummerplaat blijft onzichtbaar voor de fiscus.

Ten derde leek het mij volkomen bewezen dat motorrijders meer snelheidsovertredingen begaan dan welke andere weggebruikers dan ook. Dat kan waar zijn maar hoe zit het met de ongelukken die zij veroorzaken? Statistieken van het CBS erbij. Oeps, mijn derde vooroordeel wordt een hardnekkige. De cijfers laten zien dat een motorrijder ‘dertig keer meer kans [heeft] op een dodelijk ongeval per afgelegde kilometer’. Maar of dat altijd door te hard rijden komt?

Afwezigheid van airbag, gordel en kooiconstructie doen hun werk. En dan nog het evenwicht. Motoren vallen makkelijker om dan een auto (afdoende beenlengte ten spijt). Door een drempel of een steentje op de weg kan er al een ongelukje of zwaar ongeval ontstaan, ‘terwijl er ook nog eens een auto overheen kan rijden’ (bij dit laatste had ik niet stilgestaan. Het CBS maakt mij wijzer dan ik wil!). Ik vrees dat mijn derde vooroordeel, door verdere verdieping, van inhoud verandert, maar niet wordt weggepoetst. Motors zijn gewoon gevaarlijk.

Mijn vierde en laatste bezwaar betreft het lawaai dat ze maken. Ook daaraan zal ik nooit wennen. Op een terras in Thailand bedacht ik dat het geluid van deze voertuigen zich niet goed verhoudt tot het aantal personen dat ermee wordt vervoerd. Ik zag daar veel motorrijders met vrouw en kind achterop en soms nog wat kroost in een zijspan. Tegenover dergelijke taferelen stond ik sympathieker dan tegenover jongemannen die hun motor gebruikten om in geronk te zeggen waartoe het verstand niet bij machte was.

Mochten er bij mij nog bezwaren bestaan tegen de motor, dan zijn ze op deze eerste rit behoorlijk bedwongen. Ik begrijp nu wat de charme is. De vrijheid, het avontuur, de beleving van het landschap. De beweging die je echt aan den lijve voelt door rijwind en dat ronkende geval tussen je benen. Alle vooringenomenheden blijken waar! Je leeft van seconde tot seconde onder het rijden. Je maakt dingen veel bewuster mee dan in een ‘kooi van Faraday’.

Jo is een ervaren ‘biker’ die in alle situaties zijn rust en wijsheid behoudt (deze eigenschappen zijn beslist uitbreidbaar tot voorbij zijn hoedanigheid als motorbestuurder). Ik werd wel stil toen we een groepje wielrenners passeerden die nogal breed over de weg uitwaaierden. Van de andere kant stormde een auto aan. Ik twijfelde even aan mijn gids, de goede afloop en de life-uitzending. Ik sloot m’n ogen en bedacht mij een tunneltje zonder licht aan het einde. Daarna weer dat prachtige heuvellandschap.

De ironie van het lot wil dat Theo Koomen, die zo vaak op de motor zat tijdens wielerritten, stierf door een auto-ongeval, nadat hij de voetbalwedstrijd FC TwenteMVV had verslagen.