Beeldspraak en Stijlfiguren (2)

Je kunt een tekst aantrekkelijker maken door op een originele manier woorden te gebruiken of zinnen te vormen. Je kunt hierbij beeldspraak en stijlfiguren gebruiken.

Stijlfiguren

Als je een stijlfiguur gebruikt, leg je de nadruk op een zin of woord door iets op een ongewone manier te zeggen. Je kunt stijlfiguren gebruiken om je tekst aantrekkelijker te maken voor de lezer. Let wel op: te veel stijlfiguren kunnen ervoor zorgen dat een tekst lastig te begrijpen is.

1. Hyperbool

De hyperbool is een sterke overdrijving.

  • Geen mens op de hele wereld had een voldoende voor deze toets kunnen halen!
  • Als je in dat tempo loopt, duurt het drie jaar voor we bij de supermarkt zijn.
2. Understatement

Het understatement is een sterke afzwakking.

  • Tim gaf toe dat zijn kamer van twee bij twee geen balzaal was.
  • “Het is best wel leuk een paar centen te winnen”, zei de winnaar van de jackpot.
3. Opsomming

Een opsomming is een opeenvolging van begrippen die even belangrijk zijn.

  • Sita houdt vooral van appels, peren en aardbeien.
  • Op de kermis hebben we patat, ijs en suikerspinnen gegeten.


Climax
Een opsomming waarin de betekenis steeds sterker wordt, noem je een climax.

  • De kinderen snikten, begonnen even later te huilen en zetten het vervolgens op een schreeuwen.


Anticlimax
Een opsomming waarin de betekenis steeds zwakker wordt, noem je een anticlimax.

  • Eerst woonde hij in een villa, toen verhuisde hij naar een rijtjeshuis en nu woon hij in een kleine flat.
4. Retorische vraag

Een retorische vraag is een vraag waarop je geen antwoord verwacht. Eigenlijk is het meer een mededeling in de vorm van een vraag.

  • Ben je nou helemaal gek geworden?
  • Wie wil er nou niet gelukkig zijn?
5. Eufemisme

Het eufemisme gebruik je om iets wat hard, onaangenaam of beschamend is op een verzachtende manier uit te drukken.

  • Onze oude hond is vredig ingeslapen. (doodgegaan)
  • Op dit moment ben ik werkzoekend. (werkloos)
6. Spot

Bij spot maak je iets belachelijk. Je doet dit vaak door het tegenovergestelde te zeggen van wat je bedoelt. Spot kan heel onschuldig zijn, maar ook heel kwetsend. Er zijn meerder soorten van spot.
Ironie: een milde vorm van spot, waarbij de schrijver meestal sympathie heeft voor hetgeen hij bespot;
Sarcasme: een hardere en grovere vorm van spot dan ironie, waarbij de schrijver meestal geen sympathie heeft voor hetgeen hij bespot;
Cynisme: een bittere en vaak kwetsende vorm van spot die voortkomt uit teleurstelling, twijfel of wantrouwen.

Het is vaak moeilijk om onderscheid te maken tussen deze drie vormen van spot. Vaak bepaalt de toon waarop je een zin zegt of deze zin ironisch, sarcastisch of cynisch is.

  • Ironie: Lekker weertje vandaag, of niet? (wanneer het heel hard regent)
  • Sarcasme: De gestrande treinreiziger vroeg de conducteur of de vertragingen misschien te wijten waren aan de dreigende motregen.
  • Cynisme: “Gelukkig zoekt de gemeente nog vuilnismannen”, zei de docent tegen de ongemotiveerde leerling.
7. Woordspeling

Bij een woordspeling speel je met de klank of betekenis van woorden. Zo kun je een woord gebruiken dat op meerdere manieren opgevat kan worden. Een zin wordt dan dubbelzinnig en daardoor vaak grappig of flauw.

  • “Laat je niet kisten“, zei de begrafenisondernemer.
  • De psychiater wil niet gestoord worden.
8. Tegenstelling

Bij een tegenstelling worden twee woorden tegenover elkaar gezet om het verschil in betekenis te benadrukken.

  • De hardloper lag van het begin tot het einde aan kop.
  • Het was een prachtig feest voor groot en klein.
9. Paradox

Een paradox is een schijnbare tegenstelling. Het lijkt alsof er iets wordt gezegd wat niet kan, maar als je even nadenkt, blijkt de zin toch logisch te zijn.

  • Schrijven is de kunst van het schrappen.
  • Veel rijke mensen zijn arm.

Beeldspraak en Stijlfiguren (1)

Je kunt een tekst aantrekkelijker maken door op een originele manier woorden te gebruiken of zinnen te vormen. Je kunt hierbij beeldspraak en stijlfiguren gebruiken.

Beeldspraak

Figuurlijk taalgebruik noem je beeldspraak: je vergelijkt iets met een bepaald beeld. Er zijn meerdere vormen van beeldspraak.
1. spreekwoorden en uitdrukkingen;
2. metafoor;
3. vergelijking;
4. metonymie;
5. personificatie.

1. Spreekwoorden en uitdrukkingen

Bij spreekwoorden en uitdrukkingen heb je te maken met figuurlijk taalgebruik. Een spreekwoord is een uitspraak met een algemene wijsheid. Een spreekwoord is een complete zin die altijd hetzelfde is.

  • Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken.
  • Haastige spoed is zelden goed.

Een uitdrukking is een vaste woordgroep met een figuurlijke betekenis. Bij een uitdrukking kunnen de woorden in de zin worden aangepast.

  • Een oogje in het zeil houden. Mijn broer houdt vandaag een oogje in het zeil.
  • In de wolken zijn. Sinds hij verliefd is, is Henk helemaal in de wolken.
2. Metafoor

Als je het ergens over hebt (het origineel) waar je andere woorden voor gebruikt (het beeld), gebruik je een metafoor. Bij de metafoor wordt het origineel niet genoemd. Het origineel wordt direct vervangen door het beeld.

  • De koppige ezel blijft bij zijn keuze! (Voor iemand die koppig is, wordt het beeld van een koppige ezel gebruikt.)
  • Ben je echt van plan om in die verroeste koektrommel naar Roemenië te rijden? (Voor een auto wordt het beeld van een verroeste koektrommel gebruikt.)
3. Vergelijking

Bij de vergelijking wordt zowel het origineel als het beeld genoemd. Je maakt een vergelijking vaak met het woord als. Maar soms is als weggelaten.

  • Jouw laptop (origineel) is zo traag als een slak (beeld).
  • Het leven (origineel) is een weg met kuilen en hobbels (beeld).
4. Metonymie

Bij een metonymie noem je een begrip niet letterlijk, maar noem je een begrip dat ermee samenhangt.

  • Er hing een echte Van Gogh aan de muur. (Je bedoelt een schilderij van Van Gogh, maar je noemt de schilder zelf.)

Je benoemt vaak een deel van het geheel:

  • Even de neuzen tellen. (Je telt hier personen, geen neuzen.)

Of je benoemt een geheel in plaats van een deel:

  • Nederland heeft he EK voetbal gewonnen. (Het Nederlands voetbalelftal heeft het EK gewonnen, niet heel Nederland.)
5. Personificatie

Bij een personificatie schrijf je menselijke eigenschappen toe aan zaken die geen menselijke eigenschappen kunnen hebben.

  • De wind fluisterde zachtjes door de bomen.
  • Het noodlot sloeg genadeloos toe.