Foutieve inversie

Bij een foutieve inversie staan het onderwerp en de persoonsvorm van een hoofdzin in de verkeerde volgorde. Foutieve inversie betekent letterlijk: verkeerde omkering. Dit wordt ook wel een ‘tantebetjefout’ genoemd.

In een hoofdzin staat het onderwerp vóór de persoonsvorm, tenzij:
– de zin met een ander zinsdeel begint dan het onderwerp of de persoonsvorm (let op: een voegwoord is geen zinsdeel);
– de zin volgt op een bijzin;
– de zin een vraagzin is.

  • Daan (onderwerp) heeft (persoonsvorm) jou gisteren gebeld.
  • Gisteren heeft (persoonsvorm) Daan (onderwerp) jou gebeld. (ander zinsdeel)
  • Toen je sliep, heeft (persoonsvorm) Daan (onderwerp) jou gebeld. (bijzin)
  • Heeft (persoonsvorm) Daan (onderwerp) jou gisteren gebeld? (vraagzin)

Bij een foutieve inversie klopt de volgorde van de zinsdelen niet:

  • Ik lees de zin, maar zie ik de fout niet.

Dit is een samengesteld zin met twee hoofdzinnen (1 Ik lees de zin en 2 zie ik de fout niet) en een voegwoord (maar).
1. De eerste hoofdzin heeft een goede volgorde: het onderwerp (ik) staat vóór de persoonsvorm (lees).
2. Bij de tweede hoofdzin zijn het onderwerp (ik) en de persoonsvorm (zie) omgedraaid, terwijl daar geen reden voor is: de zin begint niet met een ander zinsdeel dan het onderwerp of de persoonsvorm en het is geen vraagzin.

Juist is: Ik lees de zin, maar ik zie de fout niet.