In iedere taaluiting zingt een gedachte

Elke gedachte speelt met de taal.

Je hebt een tekst geschreven en je wilt er van af zijn, het schrijven van teksten. Je lichaam wil het ook. Je rug doet zeer. Je hebt geen zitvlees meer. Dat zoeken naar de juiste woorden heeft nu wel lang genoeg geduurd. Je hebt een halve dag besteed aan wat een eenvoudig stukje moest worden.

Helaas kun je de tijd niet dwingen. Je schijnt ook niet in staat te zijn – althans niet vandaag – om je wil op te leggen aan de zinnen. Je leest je werk nog eens na en je weet dat er iets aan schort. De tekst heeft het niet. Je voelt het, je hoort het, het stukje kraakt in z’n voegen. Jammer maar waar: er loopt iets niet.

De tegenzin die je bekruipt en andere emoties, omdat het schrijven maar niet wil lukken, zijn slechte raadgevers. Haast biedt niet de juiste spanning om het werk naar tevredenheid te voltooien. Waar een wil is, kan toch de mogelijkheid ontbreken om er iets moois van te maken.

Misschien is het dan tijd om de zaak uit handen te geven. Wellicht dat een ander, met meer schrijfervaring, je kan ondersteunen. Laat niet alle hoop varen, maar zoek op het juiste moment de juiste persoon om jou te helpen.

Wat ik kan:

Schrijven, vertalen, redigeren. Iets leesbaars creëren en dat ook publiceren. Nasynchronisatie en voice-over werk. Ik houd van taal en ik weet er iets van. Ik doe er iets mee omdat ik wat kan. Ik wek een tekst tot leven. Ik geef een film mijn klank. Ik acteer met mijn stem. Ik corrigeer met mijn pen. Ziedaar de dingen waar ik goed in ben.

Taal is niets anders dan herleiding

De herleiding van gedachten tot hun simpelste vorm.

Het is alleen niet altijd makkelijk om die juiste vorm te vinden. Als de woorden op hun plaats vallen komt een tekst vaak verrassend eenvoudig over. Maar zo ogenschijnlijk simpel als het resultaat ook schijnt, zo moeizaam is de zoektocht naar de juiste woorden. Al was het alleen maar om de vele mogelijkheden die de taal biedt. De keuze is reuze. Je kunt letterlijk alle kanten op wat stijl en woordgebruik betreft. Hoe moet je kiezen uit zoveel varianten?

Taal is, zeg maar, ook echt mijn ding, mevrouw Cornelisse. Met meneer Van Dale – die over de ‘bewerkingsvolgorde in wiskundige expressies’ schijnt te gaan – heb ik minder. Terwijl de Dikke Van Dale zo’n beetje mijn bijbel is. Ik noem mij Taaljongen. Ik wacht op antwoord.

Daarnaast kan taal ook technisch complex zijn. Ken je alle grammaticaregels om foutloos te schrijven? Weet je voldoende van syntaxis, semantiek en interpunctie? Vergeleken met de taal is zelfs de computer een eenvoudig dingetje. Niet verwonderlijk dus dat er fouten worden gemaakt bij het gebruik van dat ingewikkelde instrument.

De wetten, de regels en de normen van de taal worden constant overschreden. Je zou kunnen zeggen dat taal springlevend is, juist door die afwijkingen. Dat taal dus leeft van haar fouten. Sommige onvolmaaktheden in het gebruik van taal worden met de tijd inderdaad als welkome veranderingen gezien. Andere groeien uit tot regelrechte taalkwesties waarover lang wordt gesteggeld.

Laten we niet te lang steggelen maar iets moois creëren volgens de bestaande regels en binnen de beschikbare mogelijkheden.

Denkend aan Bart G.

Op de klep vallen’

Toegegeven, ik liep vaak onaangekondigd
bij hem binnen
en ik kwam dan voor haar,
niet voor zijn sofisme,
zijn informele logica
of zijn argumentatietheorieën.

Hij ontving mij niet als vriend maar als
een klankbord van het zojuist gestampte.
Hij filterde drogredenen
uit mijn straattaal, valsheid uit mijn
snuffelzinnen. Hij schonk thee
met lange tenen en kon mij nooit
vertellen of zij thuis was.

Ik durfde niet op haar deur te kloppen.
Soms kwam ik haar tegen in de
gezamenlijke keuken. Ze nam het
voor hem op maar wist ook niet waar
zijn taalkunde hem/ons/de wereld bracht.
Hij werd ‘aio’ en waarschijnlijk ooit
professor.

Ons taalgevoel was
meer lumbaal, zo hield ik staande.
Haar studie liep niet, noch ooit de
mijne, dat hadden wij gemeen.
Ook een verlangen naar een
animaal soort expressie
achter de dunne wand van onze bolleboos.

Helaas werd het nooit een
gezamenlijk zuchten.
Dat voorrecht viel zeer
onverwacht degene toe met de
beste papieren maar zonder een
greintje poëzie in zijn pijp.
Op hun feestje sloeg ik
met 1 slag een tafel
in de lengte doormidden.

Deze Bart dus,
die betekenissen had gesplitst in
semen, sememen en semantemen,
en jou precies kon zeggen of je in de grijze
zone zat van een begrip
en die midden in de vage vriendschap
componentenanalyse op je losliet…

Op deze hele soepterrine van
linguïstiek – een dunne bouillon uit
zo’n pakje, nooit iets van zichzelf –
was een passend deksel neergedaald
en nu zat hij te waken bij een wieg
en leek volkomen uit zijn taalverklaringen
te zijn vervluchtigd.

Ronald van Noorden ©Cum Suis, 2020

Aan schrijfwedstrijden meedoen

Een zeer goede vriend adviseert mij om wat vaker aan schrijfwedstrijden mee te doen. Dat is een goed idee. Ik word gewezen op een site die een overzicht geeft van alle aankomende wedstrijden. De eerste uitdaging die zich aandient vraagt om fictie in een genre waarin ik nog nooit iets heb geschreven.

Ik lees:

Welkom bij onze Haibun Wedstrijd 2020. Een haibun is een vorm van Japanse dichtkunst waarin zowel proza als poëzie aanwezig zijn. Een haibun hanteert beknopt maar beeldrijk proza waarin één of meer haiku’s zijn verwerkt. Het streven is om het proza en de poëzie in een spannende verhouding tot elkaar te laten staan, zodat de lezer nog een beetje moet nadenken over het verband’.

Ik schrijf onderstaand verhaal. Of het voor een ‘haibun’ kan doorgaan weet ik niet, dat moet de Haiku Kring Nederland maar bepalen die de wedstrijd organiseert. Ik stuur mijn verhaal ook door naar de zeer goede vriend. Deze adviseert mij om eerst mee te doen aan een wedstrijd in een ander genre.

Drie therapeutische haiku’s

Ik weet niet hoeveel vormen van creatieve dagbesteding er nodig waren om ons te genezen. En of dat eigenlijk wel de bedoeling was. Het ging er in eerste instantie om dat we onszelf zouden openen. Men sprak van veranderingsprocessen. Het bewerkstelligen van een vorm van acceptatie. De bereidheid om al knutselend je problemen te benoemen.

In elk geval werden we steeds bedrevener met materialen. Karton en vliegerpapier en papier-maché. Pottenbakkersklei en tufsteen. Kralen, schelpen, licht buigzaam koperdraad. En kurk natuurlijk. Ik was liever creatief met hout. Ik kon iets met een beitel. Dat stuk gereedschap werd mij echter niet zomaar toevertrouwd. Mijn tweede grote passie bleek de kunst van het boekbinden.

Er werden ook professionals van buiten aangesteld. Expressiecoaches, schilderconsultants, toneelgoeroes en andere creatieve therapeuten. Het was een zegen om te wonen in een land waarin er tijd en geld beschikbaar bleek voor zulke zorg. Maar wij waren niet vanzelfsprekend dankbaar. Het behoorde tot de groepsdynamiek om tegendraads te zijn. Alsof we nog op de middelbare school zaten. Tjardi dichtte:

Nee

Ik zeg nee tegen
alles wat te doen valt bui-
ten deze regel.

De helper van die dag noemde zich meester Oboe. Ik vond het iets te veel op een artiestennaam lijken. Het was alsof ik die eerder had gehoord, maar dan in een circus. Toch was Oboe een heuse zenmeester naar het scheen, een verwaaide monnik uit Nagasaki, daar geboren in augustus 1945 toen de stad net zwaar gebombardeerd was. Hij woonde al enige tijd in Europa. Hij kwam naar hier toen zijn land opnieuw door elkaar werd geschud. Hij woonde toen in Kobe.

De aardbeving had een kracht van 7 punt 2. Door dat natuurgeweld stierven er nauwelijks minder mensen dan door de vernietigingskracht van de atoombom. Eerst had de buik van zijn hoogzwangere moeder hem gered. Daarna de romp van een vliegtuig. Dat de haikumeester net Japan verliet toen twee continentale platen ruw over elkaar schoven noemde hij ‘geluk hebben’. Marianne schreef:

Gokje

De lottoballen
1 2 3 4 5 en 7
zijn niet gevallen.

We werden geen fantastische haikuschrijvers, maar meester Oboe hielp ons een eind op weg. ‘Houd het dicht bij jezelf’ adviseerde hij. Ik schreef:

Boekenwurm

Ooit kwam ik uit de
A gekropen. O staat al-
tijd voor mij open.

Natuurlijk weer zo’n semi-diepzinnige fuckwijsheid die won. Oeps, klinkt hier jaloezie door?

De dichter als getuige van de richel

Schrijven op het scherp van de snedigheid.

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Claude Lorrain – Apollo en de Muzen op berg Helicon

Vertolkster gezocht van een vertaling

Beste Mevrouw Kaandorp,

Ik heb een vertaling c.q. bewerking gemaakt van het lied ‘Entre l’amour et l’amitié’ van Henri Tachan.
Nu weet ik wel dat u een eigen repertoire hebt en als geen ander in staat bent om originele songs te schrijven.
Volgens mij kunt u genoemd lied echter prachtig vertolken.
Wilt u mijn vertaling raadplegen?
Ik hoop van u te horen.

Met een vriendelijke groet,
Ronald van Noorden

Licentie verleend door UMG (namens Universal Music Division Barclay) en 1 organisatie voor muziekrechten.

Ha Ronald,

Mooi lied, mooie bewerking ook. Ik krijg gemiddeld per jaar een liedje of 10 toegestuurd door allerlei vriendelijke mensen. Ik heb er helaas nog nooit een kunnen gebruiken. Vaak zijn ze gewoon te slecht, soms behoorlijk goed, maar het grootste probleem is meestal dat het gewoon mijn idioom niet is. Er staan dan woorden in die ik zelf nooit zou gebruiken en dus ongeloofwaardig klinken uit mijn mond.

Jouw lied zit erg goed in elkaar, een mooi thema ook, maar het is niet een tekst die bij mij past.

Maar bedankt voor het toesturen en ik wens je veel succes met teksten schrijven.

Hartelijke groet,
Brigitte Kaandorp

v

Entre l’amour et l’amitié
Henri Tachan

Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
Il n’y a qu’un lit de différence,
ligt heus geen wereld van verschil,
Un simple “pageot”, un “pucier”
(Een simpel bed, onaangediend)
Ik heb je lichaam niet verdiend

Où deux animaux se dépensent,
(vraagt het verlangen wat ’t wil,)
maar waar een weg is is een wil.

Et quand s’installe la tendresse
Als dan wat tederheid ontstaat
Entre nos corps qui s’apprivoisent,
tussen van schuld doordrongen lijven,
Que platoniquement je caresse
Als ik je strikt platonisch streel
De mes yeux ta bouche framboise,
maar wij de liefde haast bedrijven,
Alors l’amour et l’amitié
staart dan verliefd zijn of bevriend
N’est-ce pas la même romance?
niet door dezelfde roze bril?
Entre l’amour et l’amitié
Zeg me, verliefd zijn of bevriend

Dites-moi donc la différence…
wat is nog eigenlijk het verschil?

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
ils ont barbelé des frontières,
heeft men de grenzen aangegeven,
Nos sentiments étiquetés,
Onze gevoelens, uitgekiend,
Et si on aime trop sa mère
’t wordt allemaal precies omschreven
Ou bien son pote ou bien son chien,
Zo hou je van je man, zo van je hond
Il paraît qu’on est en eau trouble,
we worden in ’t nauw gedreven,
Qu’on est cliniquement freudien
Jij bent een homo, jij bent bie
Ou inverti ou agent double,
dus wil je daar dan ook naar leven?
Alors qu’l’amour et l’amitié
Of wij verliefd zijn of bevriend
Ont la mêm’e gueule d’innocence,
houdt dat maar liever even stil
Entre l’amour et l’amitié
Zeg me, verliefd zijn of bevriend
Dites-moi donc la différence…
wat is nog eigenlijk het verschil…

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Entre l’amour et l’amitié
Met dat verliefd zijn of bevriend
La pudeur a forgé sa chaîne,
voelden wij ons vaak verlegen,
A la barbe du Monde entier
Je werd gezien, je werd gescreend
Et de ses gros rir’es gras de haine,
je had de hele wereld tegen,
Bon an, mal an, les deux compagnes
Door dik en dun, wij met z’n twee
Se dédoublent ou bien s’entremêlent,
je kon ons niet meer zomaar scheiden,
Comme sur la haute montagne
Wij vlogen op de wolken mee
Le ciel et la neige éternelle,
er kwam geen ander tussenbeiden,
Entre l’amour et l’amitié
Of je bevriend bent of verliefd
Se cache un petit bout d’enfance,
daar staat een kind nog niet bij stil,
Entre l’amour et l’amitié
Tussen verliefd zijn of bevriend
Il n’y a qu’un lit de différence…
ligt heus geen wereld van verschil…

Je t’aime, mon amour, mon petit,
Al heb je… mijn liefde…verdiend
Je t’aime, mon amour, mon amie…
blijf jij…toch maar liever…mijn vriend…

Paroles et Musique: Henri Tachan
Vertaling/bewerking: Ronald van Noorden

Mijn meer dan meewarige meedenkster

Aan het eind van de hondenlijn loopt altijd een baasje

In het parkje achter mijn huis word ik bestormd door een chihuahua. Ik voel de liefde. Aan het eind van de rollijn loopt het baasje. Ook zij heeft het goed met me voor.
“Ik weet een baan voor je” zegt ze en frommelt een A4-tje uit haar zak. 
Het blijkt te gaan om een vacature in de zaak van haar schoonzoon. Ik lees: ‘Medewerker klantcontact gezocht.’ 

Een andere hond heeft het uitlaatveld betreden. Een golden retriever die totaal geen aandacht heeft voor onaanzienlijke soortgenoten. Omgekeerd is er wel interesse. Ons keffertje vergeet dat hij vastzit. In zijn kippendrift draait hij een paar keer om mij heen zodat ik word vastgeketend aan mijn baanbegeleidster.

Respectvolle bezoekers bij een plaats delict. Waarom doodde Thijs H. onlangs drie hondenuitlaters?

Haar commando’s om het beest tegendraads terug te sturen halen weinig uit. Als een boeienkoning moet ik mezelf zien te bevrijden. Dat lukt mij net voordat ik stik.

“Wat die baan betreft: dank voor het meedenken”, laat ik mij onmerkbaar ongemeend ontvallen. “Je bent begaan met mijn lot en zoekt daarom mee naar functies waarvan je denkt dat ze mij bevallen. Toch ben ik niet wanhopig, moet je weten. Juist deze baanloze periode maakt het mogelijk om mij te oriënteren op wat ik het liefste zou willen.”

Meteen nadat ik deze woorden heb uitgesproken vraag ik mij af waarom ik mezelf sta te verklaren.  
“Maar je hebt natuurlijk niet eeuwig de tijd” reageert ze. “Op een gegeven moment moet je wel aan de slag.”

Dan komt er een man aan met een buldog. Hiervoor rolt ze de lijn wel op tijd in. 

Een naam die de lading niet dekt

Toch blijkt mijn boekje down under wel bruikbaar.

Hij vroeg er zelf om. Dus heb ik een naar Australië geëmigreerde vriend mijn bundel toegezonden. Vroeger gaf hij niets om poëzie maar er kon in al die jaren iets veranderd zijn. Het blijkt dat ouder wordende immigranten, hoe goed geassimileerd ze ook lijken in hun tweede vaderland, opeens weer versjes in hun moedertaal gaan zingen.

Mijn boekje is inmiddels berucht in huize VanderVeen. Het ligt op het nachtkastje. Vader heeft vrouw en kinderen wijsgemaakt dat het pikante lectuur bevat. Hij spreekt de naam van mijn eenmansbedrijfje dan ook uit als ‘Cum Sauce’. Zijn gezin was onthutst. Wie noemt zijn zaak nou ‘Spermasaus’? Ik meende zelfs iets van walging te zien in gezichten op de achtergrond toen ik laatst met mijn vriend zat te skypen.   

Achtergronden van videobellers die boekdelen spreken.

Ik had in eigen land al moeite om uit te leggen wat ik met de naam Cum Suis bedoelde. Ik schreef op mijn site:

Ik heb voor de Latijnse uitdrukking Cum Suis gekozen om een platform te zijn voor collectieve schrijfprojecten. Cum Suis betekent ‘met de zijnen’. Je spreekt het uit als ‘koem soewis’. De afkorting wordt vaak gebruikt in wetenschappelijke publicaties (Professor Van Dalen c.s.). Dan gaat het om werk van deskundigen waarbij ieder zijn bijdrage levert op grond van de eigen specialisatie. Een dergelijke toepassing laat ik graag aan de geleerden over. Maar het gezamenlijke van die aanpak spreekt mij aan. Liever dan commercieel te zijn, wil ik mij met Cum Suis presenteren als een organisatie voor gezamenlijke belangen en bezigheden.

Van dat collectieve ben ik allang weer afgestapt. Cum Suis is nu een eenmansuitgever in de meest letterlijke zin. Ik publiceer alleen maar eigen teksten. Behalve het drukken doe ik alles zelf. Niets ‘met de zijne’ dus. Ook hier dekt Cum Suis de lading niet. De naam is ongelukkig gekozen.

Het nachtkastje is op zich een eervolle ligplek voor een bundel. Mijn boekje schijnt down under een soort van signaalfunctie te hebben. Soms hoeft mijn vriend er maar een klein stukje uit voor te lezen of zijn vrouw begrijpt waar hij heen wil. De harde g in de Nederlandse taal blijft ze raar vinden maar voor de rest werkt zijn koeterwaals klaarblijkelijk opwindend.

Ook zij grijpt soms naar de ‘Cum Sauce Bible’. Ze slaat het boekje op, imiteert wat Nederlands klinkende klanken en kijkt alsof ze er iets van heeft begrepen. Een pikante blik, neem ik aan. Onleesbare teksten van ‘Klaarkomsaus’, een pornografische boekenmaker uit een onzedig land. Mijn bundel als afrodisiacum. De Kamasutra is er niets bij. De vriend snapt meteen wat zij wil zeggen.

Mijn dichterschap heeft in Brisbane een nieuwe dimensie gekregen.

Vier zwanen en een vlinder

Plus een fabeldier dat wauwelt over wilskracht.

Op de vleugels van het toeval bereikten mij in deze eerste zomerweek een viertal berichten over zwanen.

Eén
Een man daalde af in een gracht in Amsterdam om een zwanenjong te bevrijden. Het diertje was verstrikt geraakt in een hekwerk in het water. Arme dierenactivist. Het ouderpaar bleek niet gecharmeerd van zijn actie. Het verdedigingsinstinct van zwanen had geen boodschap aan de intenties van een levensredder. Hoe overtuig je als mens het dierlijk instinct van je goede bedoelingen? Niet dus. Geblaas en vleugelklappen is wat de dierenvriend kon krijgen. De communicatie tussen mens en dier verloopt vaak nogal moeizaam.

Twee
Een vriendin die werkt voor Codarts in Rotterdam vertelde me van de moord op een oud leerling van deze dansacademie. Na zijn opleiding ging Kirvan Fortuin terug naar zijn geboorteland om daar een creatieve danscommunity op te richten. Afgelopen weekend overleed de 28-jarige lhbti-activist ten zuidoosten van Kaapstad door messteken. De verdachte van de moord is een 14-jarig meisje. Was deze dood te voorkomen geweest? Communicatie tussen mensen mondt minder vaak in moord uit dan in onbegrip.
De vriendin, die meer dan duizend dansers kent, moest ook aan Monique Duurvoort denken. Even voor de eeuwwisseling vond er een ongemakkelijk incident plaats bij Het Nationale Ballet. De creatieve staf had corps de ballet lid Duurvoort regelmatig verzocht haar donkere huid te bleken omdat ze zou disharmonieren tussen de andere ballerina’s in Het Zwanenmeer. Ze weigerde categorisch om de witpoederkwast te hanteren. Toen men dreigde met ontslag wegens werkweigering diende ze een klacht in bij de directie en de ondernemingsraad.
Boosheid van beide kanten resulteerde gelukkig in een groter begrip voor haar standpunt. Zwanenmeren werden niet langer in beton gegoten. Men liet klassieke balletwaarden varen en bood ruimte aan diversiteit.

Trouble in paradise. Typisch voorbeeld van een misgelopen verstandhouding tussen mens en dier.

Drie
Aan de Anthony Fokkersingel in de Haagse wijk Ypenburg stierf eerst de bekende buurtzwaan Anthon en korte tijd daarna de hele rest van zijn familie. De zwanen waren de lievelingetjes bij omwonenden. Wat ging er mis? Over de oorzaak van de plotselinge dood werd druk gepraat en gespeculeerd op de buurtpreventieapp. De zwanenfamilie kwam er niet door terug, maar mensen wisten elkaar te vinden in hun rouw, woede en verbijstering. De reacties op een inzamelingsactie voor een herdenkingsbeeld waren overweldigend. Communicatie in optima forma zou je zeggen. Het onderwerp was er dan ook wel naar. De groepsapp diende voornamelijk als rouwcentrum maar men begon er ook te wijzen in de richting van mogelijke moordenaars. Ik verbeeldde mij dat die – als ze al bestonden – gewoon aan de geanimeerde troostgesprekken deelnamen.

Vier
Later liep ik een buurvrouw tegen het lijf. Hoe wij over de onvermijdelijkheid van het lot kwamen te spreken weet ik niet – ik had het met haar nog niet over de zwanenberichten gehad – maar zij sprak mij tegen en verwees naar een verhaal uit een boekje van Tellegen. Het gaat over een zwaan en een vlinder. Ik heb het even opgezocht, het boek heet ‘Langzaam, zo snel als zij konden’ en ik ga er nu – met de nodige weglatingen – uit citeren:

‘Fladderen,’ vroeg de zwaan aan de vlinder, ‘hoe doe je dat toch? Dat probeer ik nou zo vaak.’
[…]
‘Je moet eerst je gedachten laten fladderen, zwaan,’ zei de vlinder. ‘Dan pas jezelf.’
[…]
‘Dan kan ik niet,’ zei de zwaan, wiens gedachten altijd statig waren alsof zij langs lange lanen schreden en slechts met vaste tussenpozen minzaam knikten naar oude herinneringen.
‘Nee,’ zei de vlinder. ‘Maar je kunt het wel leren.’
En zo, op die warme, wolkeloze dag, aan de oever van de rivier, kreeg de zwaan les van de vlinder. Hij leerde van de hak op de tak te springen, rommelig te zijn, nooit iets zeker te willen weten, maar ook nooit iets over te slaan.
‘Iets is niets,’ zei de vlinder. ‘Dát wel. Maar alles is wel alles.’
[…]
Er vielen gaten in de gedachten van de zwaan, flarden raakten er los en woeien weg, en tegen het eind van de middag was niet een van zijn gedachten meer statig of recht. Met grote ogen keek hij om zich heen, zijn hart bonsde, en toen de vlinder hem opeens een duw gaf sprong hij op en fladderde hij rond, totdat hij op de grond viel.
‘Au,’ zei hij. Maar hij lachte.
‘Zie je wel!’ zei de vlinder. ‘Nu kun je misschien nooit meer over de horizon verdwijnen of boven de wolken opstijgen, en ook zul je misschien nooit meer urenlang kunnen doorvliegen. Maar je kunt fladderen!’

Eerlijk gezegd was ik nooit echt gecharmeerd van de gesprekken tussen dieren in fabels, sprookjes of andere verhalen met fauna in de hoofdrol. Mijn brein is, vrees ik, niet tot dergelijke abstracties bij machte. Er staan me teveel echte, noodlijdende dieren voor ogen, om me over te kunnen geven aan het idee dat verschillende soorten elkaar zo makkelijk begrijpen in symbolische vertellingen. Veel mensen zouden het misschien fantastisch vinden als alle wezens één taal spraken. Ik vind het al fijn als leden van de menselijke soort hun geschillen in gesprekken weten op te lossen.

Veel-bullshit-belovende reclame

Maar de ene vorm van communicatie leidt tot de andere.

De verwarring komt steeds op hetzelfde neer. Communicatie heeft niet te maken met wat mensen letterlijk zeggen, maar met de intentie van hun boodschap. Mensen hebben een bedoeling, hun woorden ‘slechts’ een betekenis.

Soms proberen taalgebruikers hun bedoeling te verbergen. Dan hoeft er niet perse sprake te zijn van een leugen. Iets anders zeggen dan je bedoelt, kan een commercieel belang dienen. In dat geval hebben we op z’n minst met misleiding te maken. Helaas is valsheid in reclame zo geaccepteerd dat we het als een legitieme vorm van zakendoen zijn gaan zien.

Tijdens de lange reis leren vader en zoon elkaar pas echt kennen.

De film Nebraska uit 2013 toont vormen van communicatie op verschillende niveaus. Een oude man ontvangt een brief van een bedrijf waarin staat dat hij een miljoen heeft gewonnen. Hij ziet niet in dat dit slechts een wervende tekst is, bedoeld om hem iets aan te smeren. Hij kan het niet uit zijn hoofd zetten en blijft er steeds op terugkomen dat er ergens een prijs op hem ligt te wachten. Daar wil hij naartoe.

Zijn huisgenoten worden ongedurig van zijn dwaling, zoals je geagiteerd kunt raken van constante commercials. Op een gegeven moment besluit de zoon des huizes om zijn vader dan in godsnaam maar mee te nemen naar het bedrijf in Nebraska om die zogenaamde prijs op te gaan halen. Het wordt een interessante road movie waarbij de communicatie van de zoon richting vader steeds meer de kenmerken krijgt van berusting en respect.

Boodschappen letterlijk nemen? Beter van niet, als het uit de richting komt van marketing types. Maar een lichtdementerende vader die een onhaalbaar verlangen koestert? Waarom niet tenminste de moeite nemen om die wens zo goed als mogelijk te vervullen? Vooral als het een interessante tocht oplevert en een nieuwe benadering van iemand die je dreigt te verliezen.

Tegen een wrede ziekte is helaas niet veel te doen. Maar misverstanden en ergernissen in de communicatie laten zich gelukkig nog wel ‘genezen’.