Komma

De komma geeft aan dat je bij het lezen even moet pauzeren. Je kunt een komma horen als je een zin langzaam uitspreekt. In de volgende gevallen plaats je een komma:

1. Tussen twee gezegdes:

  • Als Misja honger krijgt, eet hij vaak een appel.
  • Doordat het heeft gevraren, is het buiten glad.


2. Bij een opsomming:

  • Marcel weet nog niet of hij wil voetballen, squashen, skaten of gamen.
  • Deze drankhandel verkoopt bier, wijn en allerlei soorten sterkedrank.


3. Voor voegwoorden:

  • Myrthe moet naar de dokter, omdat ze over een krant is uitgegleden.
  • Erik heeft een toets, maar hij heeft er niet voor geleerd.


4. Voor en na een bijstelling. Een bijstelling is een stukje van een zin zonder gezegde dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord dat ervoor staat:

  • Natasja, die leuk meid, gaat morgen met vakantie.
  • Zijn buurman, een gepensioneerde agent, hield de buurt goed in de gaten.


5. Voor- of nadat iemand wordt aangesproken en voor of na woorden als ach, hè, hé:

  • Niels, wil je ook een stukje taart?
  • Waarom doe je zo gestrest, Kees?
  • Ach, zoek het uit!

Soms kan het plaatsen van een komma ervoor zorgen dat er iets heel anders staat.
– Honden die een baasje hebben, vertonen vaak kopieergedrag.
– Honden, die een baasje hebben, vertonen vaak kopieergedrag.
In de eerste zin vertonen alleen de honden die een baasje hebben kopieergedrag. In de tweede zin vertonen alle honden kopieergedrag.

Bijvoeglijke naamwoorden

Als het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord staat, krijgt het in veel gevallen -e op het einde. Hiervoor gelden de volgende regels:
– Bij de, die of deze: -e
– Bij het, dat of dit: -e
– Bij een: wel -e wanneer het zelfstandig naamwoord een de-woord is, maar geen -e als het een het-woord is.

  • die leuke jongen
  • het mooie huis
  • een gezellige avond (de avond)
  • een leuk meisje (het meisje)


Bijvoeglijke naamwoorden die aangeven van wat voor materiaal iets is gemaakt (stoffelijke bijvoeglijk naamwoorden), krijgen -en.

  • een gouden ketting, een papieren hoedje, een wollen trui, een glazen karaf


Maar stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden die uit een andere taal zijn overgenomen (leenwoorden), krijgen geen -e of -en.

  • een plastic bekertje, een aluminium frame, nylon visdraad

De apostrof in twee talen

Wanneer schrijf je ’s en wanneer komt de apostrof achter het woord?

Meervoud op s. De regel voor woorden die in het meervoud op s eindigen is:

  1. Je schijft de s altijd direct aan het woord vast, tenzij er daardoor verwarring ontstaat over de uitspraak. In dat geval schrijf je ’s.
  2. Je schrijft altijd ’s bij woorden die eindigen op de klinkers a, i, o, u of y en bij afkortingen (taxi’s, hobby’s, tv’s).
  3. Bij woorden die eindigen op eau, ay, ieu, ui, ie, e, ee, oo of é schrijf je de s vast (cadeaus, essays, cafés).

Bezits-s. Wanneer je een bezit wilt uitdrukken, hoor je vaak een s aan het eind van het woord. Bijvoorbeeld: Barts fiets. Om de bezits-s goed te gebruiken, moet je de volgende drie regels kennen:

  1. Je schrijft de s vast aan het woord wanneer dat bij de uitspraak geen problemen oplevert (Mohammeds laptop, Elines verjaardag, mijn broers scooter, Hannahs reisgenoot).
  2. Je schrijft ’s wanneer die uitspraak wel problemen zou opleveren. Meestal spreek je de klinker anders te kort uit (Marcella’s rijbewijs, Theo’s verhaal, Otto’s bedrijf, Ruby’s kapper).
  3. Je schrijft geen s wanneer je al een s-klank hoort. Om het bezit uit te drukken schrijf je dan alleen een apostrof aan het woord vast (Alex’ krant, Loes’ bijbaan, Ramirez’ zusje, Greenpeace’ acties).

    Let op: Hans zoon betekent de zoon van Han. Hans’ zoon betekent de zoon van Hans.
Hoe zit het in het Engels? Geloof deze tekening niet! Om het meervoud te vormen wordt er aan zelfstandige naamwoorden in het Engels GEEN apostrof toegevoegd!

Bezits-s in het Engels. of liever: De apostrofregels voor de bezittelijke vorm.

  1. Alle Engelse bezittelijke woorden krijgen een een apostrof en een s op het eind.
  2. Als het woord al een s heeft, volstaat een apostrof op het eind.
  3. Als een woord niet uit zichzelf op een s eindigt, heeft het een ’s nodig.

Voorbeelden enkelvoud: Amy’s ballet class, Lisa’s car, Robert’s car, Ross’s room, Ross’s sports teams. Zelfs als de naam eindigt op een s, is het correct om ’s toe te voegen teneinde de bezittelijke vorm te vormen. Om hen bezittelijk te maken is het ook goed als je alleen een apostrof toevoegt aan het eind van enkelvoudige woorden die eindigen op een s (Ross’ of Ross’s).

Voorbeelden meervoud: the Children’s rooms, the parents’ bedroom, the Smiths’ lives. Het is niet nodig om nog een s te zetten aan het einde van een bezittelijk woord in het meervoud.

Meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden kennen geen apostrof in het Engels.