Alweer een boekpresentatie (2)

Er zijn van die filmfragmenten die je niet kunt ontlopen. Ik kijk zelden tv. Zondagavond zat ik klaar voor een bewuste confrontatie. Daarna was het mij weer duidelijk: geschiedenis is het verhaal van wat mensen mensen aandoen.

De boekpresentatie van M. vond de volgende dag plaats op zijn zeventigste verjaardag. Het werd een gezellig samenzijn. Ik ontmoette oud-dorpsgenoten van hem van minstens zijn leeftijd. M. las een verhaal voor uit zijn bundel en vertelde, in een bibberige speech, hoe hij ertoe was gekomen om zo’n ‘persoonlijk geïnterpreteerde geschiedenis’ te schrijven van zijn geboorteplaats, in de rol van ‘observerend ingewijde’.

Zijn werk zat vol intimiteit, ontboezemingen, prille jeugdervaringen, gevoelens, interpretaties, roddels, achterklap, karakterduiding, daderprofielen enzovoort.

Mocht ik willen weten waarom hij nu alweer in herhaling verviel – dat wilde ik niet, ik had mijn taak als eindredacteur erop zitten – dan was het omdat hij ‘best wel’ geëmotioneerd raakte van alle aandacht. Wat de aanleiding was voor de bundel over zijn gehucht, had ik hem, buiten het licht van schijnwerpers, beter horen verwoorden. Nu kwam het erop neer dat het ‘kwam omdat hij er vandaan kwam’.

De advocate wierp volgens sommigen een muur op rondom haar persoonlijke leven. Je kunt ook stellen dat ze ruimte vrijmaakte voor gewichtiger zaken. Die ze voortvarend voor het voetlicht bracht.

Ook de huidige burgermeester deed zijn zegje. Veel nog levende vedetten uit de stukjes waren present. Ik kende niemand persoonlijk maar had, al corrigerend, over iedereen gelezen. De meeste regionale beroemdheden die in het boek werden genoemd, waren verscheiden, maar het zaaltje was gevuld met nabestaanden. Ze bleken blij met publicatie (en met de bitterballen). Alles was goed zolang hun bloedverwanten postuum berucht bleven.

Zondag hoorde ik weinig tot niets over jeugd, relaties of drijfveren. De strafadvocate I.W. had in ‘Zomergasten’ een doelbewuste televisieavond samengesteld waarbij ze zichzelf zorgvuldig buiten beschouwing liet. Ze kwam met mooie fragmenten en zei verstandige dingen. Dat de kijker over haar persoonlijke leven nagenoeg niets te weten kwam, werd meer dan goedgemaakt.

Haar taalgebruik was minder langdradig dan in haar pleidooien. Haar boek ‘De jacht op het recht’ schijnt vol oeverloze zinnen te staan. De interviewster had het meegenomen, maar gelukkig werd er nauwelijks geciteerd. Waarom de zinnen zo lang waren, wilde Janine Abbring weten. De advocate mompelde dat ze niet van de straat was en dat ze veel Russische schrijvers had gelezen.

Zodra het over het waarom gaat van eigen pennenvruchten wil het woordgebruik nog weleens in de verdediging schieten. Over menselijke zwakheden in z’n algemeenheid deed W. opvallend aangename uitspraken. Tegenover groepsdruk en massahysterie, die de ‘meute’ verleiden tot ‘wraaksentimenten’, staat een individu dat anders wil en durft. Natuurlijk behoort W. tot de laatste categorie. In een onbedoelde, overtuigende, pleitrede bracht ze dat voor het voetlicht zonder iets over zichzelf te zeggen.

Dit zijn de aforismen uit haar mond die me bij zijn gebleven, of die ik later in tv-recenties heb gelezen: [Ik ben] ‘een kluizenaar buiten de wetenschap van velen die niet de neiging heeft om de eigen ingewanden op tafel te leggen voor inspectie’. / [Ik wil] ‘verdieping, geen emotionele blootheid’. / ‘Laat de puzzelstukjes maar gewoon liggen.’ / ‘Het mag wel wat minder met het exhibitionisme van emoties.’ / ‘Alles is tegenwoordig op stoeptegelniveau.’ / ‘Je kan niet langszappen of je bent beland in iemands binnenste.”

‘Ziehier de strenge man met het rode pennetje’, introduceerde M. mij bij K. die hij de ‘redacteur buitenboel’ noemde. Zowel de vormgever als ik kregen een gesigneerd exemplaar mee van zijn bundel. Ik ga die nogmaals grondig lezen. Volkomen voorbereid en autonoom. Hoe anderen hun dorp of ‘global village’ ook presenteren, je kijkt altijd naar de wereld met je eigen distantie en voorkennis.

‘Alles wat je ziet wordt gespiegeld aan wat je al weet’ om met de woorden van de strafadvocate te spreken.

Smerige spelletjes in een coronabubbel

Toch viel Teeuwen niet in alles tegen.

Wat is dat toch met absurdistische humor dat het echt raak moet zijn om grappig te wezen? Je zou zeggen dat alles kan, juist omdat het nergens over hoeft te gaan. Het tegendeel is waar: de kracht van de nonsensicale grap lijkt te balanceren op het scherpst van de snedigheid (als ik het zo bewust niet-snedig mag zeggen). Het is lopen over een hele smalle richel tussen het al te banale en het al te absurde.

Dat streven kan, met andere woorden, teveel in kolder blijven hangen, en teveel in clichégrappen. Hans Teeuwen weet deze valkuilen over het algemeen te vermijden, maar gisteren zag ik mijn tenen toch een paar maal krommen. Dat overkwam me in het uurtje tv-cabaret waarmee hij ons op deze zaterdagavond via omroep Pow trachtte te vermaken.

Op de achtergrond van een slotlied van Hans Teeuwen, tussen de coulissen in zijn eigen woning, was André van Duin te zien. Niet alles was even begrijpelijk. Ik laat, als blijvend fan, voorbeelden van wat ik minder vond achterwege. Dit lied op het einde vond ik schitterend.

De voorstelling (‘Smerige spelletjes, de coronaconference’) ­beschrijft een dag uit het leven van iemand die in de lockdown zit. Die allerlei manieren probeert te vinden om zichzelf bezig te houden. En daar steeds bizarder van wordt. De opnamedag in mei duurde van twee uur ’s middags tot twee uur ’s nachts: in Teeuwens’ huis­kamer, zonder publiek, zonder lach.

“Dat had ook een voordeel”, zegt de caberetier tegen het Parool “omdat je dan de deadpan, de straight face langer kunt volhouden. De tekst bepaalt het ritme en niet de interactie met het publiek. Als je normaal gesproken in een volle zaal staat en er wordt gelachen, dan moet je even wachten en word je uit je rol gehaald. Daardoor is het minder echt. Nu is het meer acteren dan komedie, maar wordt de illusie niet doorbroken.”

Ik ben een grote fan van hem maar realiseerde me dat het gevaarlijk is om je blind over te geven aan je favorieten. Daar zat ik dan met al mijn hoge verwachtingen. Voor ik het wist voelde ik mijn goedlachse kaken verkrampen. Ik probeerde voor mezelf te beredeneren wat ik mistte: consistentie wellicht?

Het is waar dat de schetsen uit een kluizenaarsbestaan in lockdowncoronatijd nogal fragmentarisch overkwamen. Maar ze waren wel te vangen onder een duidelijke noemer. We zagen een man die gek werd van dat noodgedwongen thuiszitten. Dat leidde tot absurdistische bezigheden uit verveling. Het stijlkenmerk van Teeuwen en de gevolgen van de situatie waarin zijn ikfiguur verkeerde vielen hier eigenlijk prachtig samen. Nee, inconsistent was de tv-voorstelling niet. In de gegeven omstandigheden leek het juist wel toepasselijk dat hij liep te malen in zijn woning.

Moet alles altijd maar grappig zijn, kun je je afvragen. Ik denk dat wat ik onder andere goed vind aan Hans Teeuwen, zijn enorme durf is, dat gebrek aan schaamte, die overgave van het ongebreideld jezelf kunnen zijn voor een camera en voor publiek. Daar ontbrak het gisteravond ook niet aan. In alles wat hij deed en zei leek Teeuwen uit te zenden dat hij absoluut niet bezig was met wat wij er van vonden. In dat opzicht scheen hij helemaal de oude.

De noodzaak van lachwekkendheid is misschien groter bij iemand die geen echte boodschap uitdraagt (Bert Visser, Jochem Meijer) dan bij een geëngageerd caberètier die af en toe wil aansporen tot nadenken (Freek de Jonge, Youp van ’t Hek). Ik schaar Teeuwen niet onder de louter grappenmakers en ook niet onder de grote ‘boodschappers’. Er spreekt soms maatschappelijke betrokkenheid uit zijn teksten en typetjes. Maar lekker kunnen lachen om zijn mallotigheden en overdrijvingen is wel waarop ik mezelf zat te verkneuterenen toen ik om 22:00 overschakelde naar Nederland 3.

Grappigheid stelt eisen aan juist het serieuzere aspect van de humor. Van schateren tot zacht gegrinnik, het maakt niet uit wat je teweegbrengt, maar als je het voornemen hebt om mensen te laten lachen moet het wel leuk blijven, ondanks de serieuzere bedoelingen. Misschien gingen zijn kijkers gisteravond, in hun, iets te lang voor de wereld afgesloten, huiskamers, meer voor de lach dan hijzelf. Misschien wilde hij ons juist wel iemand voorschotelen die werkelijk doordraait tussen de muren van zijn woning. Voor zo iemand is komedie een bijkomstigheid.

“Wat er nu gebeurt, is wat een lockdown blijkbaar met mensen kan doen.” laat Teeuwen zich in het Parool ontvallen. “Ze trekken zich terug in hun socialemediabubbel en komen er knettergek uit. Dat lijkt de les.”

Zijn show leek wat mij betreft teveel op een zoeken. Er zaten stukjes in die zo geïmproviseerd overkwamen dat ze een beetje met hem aan de haal gingen. Soms bekroop mij een ‘kijken naar Andy Kaufman-achtige’ ongemakkelijkheid. En dat terwijl ook ik niet in een zaal zat maar thuis in mijn eigen beschermde coronabubbel. De vergelijking met het leven van menig kijker, die de neiging tot idioterie door isolatie aan den lijve ervaart, moet groot zijn geweest. Toch raakte hij mij een paar keer kwijt.

Zijn uitvergrotingen kunnen mij over het algemeen niet extatisch genoeg zijn. Geef me absurdisme pur sang, daar ligt het probleem ook al niet. Ik denk dat mijn conclusie is, dat ik hem gewoonweg niet grappig genoeg vond, en ja, dat behoorde hij – zo’n ontrouwe, want eenzijdig ingestelde, fan ben ik kennelijk – van mij wel te zijn. Hans Teeuwen vindt zelf dat deze thuisshow naar meer smaakt. Ik niet. Ook laat hij zich ergens ontvallen: “Wat grappig is, is grappig.” Tja, maar het ongekeerde is natuurlijk ook waar.