Herinvoering kernenergie?

De herinnering aan rampen heeft een lange ‘halveringstijd’.

Ik woonde eind jaren tachtig en begin jaren negentig in een studentenhuis in Maastricht. Daar hadden we vaak buitenlandse studenten op bezoek als tijdelijke onderhuurders ivm uitwisselingsprojecten. Ooit waren de logés twee dames uit de Oekraïne. Ze zaten op de universiteit van Kiev en volgden in ons land een economisch semester. Een jongen die naast mij woonde studeerde iets technisch op hbo niveau. Hij beschikte over een stralingsdetector, of laten we zeggen: hij maakte mij en de rest van het huis wijs dat het een heuse geigerteller was. Ik weet nog steeds niet of hij ons voor de gek hield maar het ding maakte het bekende ratelgeluid van oplopende klikjes als hij in de buurt van onze gasten kwam of van hun spullen. Niet iedereen kon daarom lachen.

De Tsjernobylexplosie is een van de meest apocalyptische technologische ongelukken aller tijden. Ze werd veroorzaakt door slechte ontwerpkeuzes en incorrecte besturing. Deze ramp toont aan hoezeer dingen kunnen misgaan als ingenieurs fouten maken.

Je kunt nu citytrips naar Pripjat maken. Ook de rest van het rampgebied is een toeristische trekpleister geworden.

In feite veroorzaakten drie fouten samen de Tsjernobylexplosie. De eerste fout was de manier waarop de ingenieurs water gebruikten in de reactor. Ze hadden water nodig om stoom te vormen, want stoom is het medium dat de warmte-energie van de reactor opneemt en elektriciteit genereert via een stoomturbine. Het probleem is dat vloeibaar water veel beter neutronen absorbeert dan stoom. Als de operators de reactor afkoelen, bevat de kern vooral water. Als ze de reactor dan onjuist opwarmen en het water snel in stoomfase schiet, kan een energiepiek volgen. De snelle omzetting van water naar stoom veroorzaakt een snelle toename van het aantal neutronen: een positief terugkoppelingsproces.

De tweede fout betrof het ontwerp van de regelstaven. Een regelstaaf wordt geacht neutronen te absorberen, maar de punten van de Tsjernobylregelstaven waren van grafiet. Toen de regelstaven de reactor ingingen, verdreven ze daarom het water, wat leidde tot een volgende energiepiek.

Ten derde had de Tsjernobylreactor geen beschermende behuizing, dus toen de explosie zich voordeed, was er niets wat de vervuiling opving.

Het ongeluk verliep als volgt: op 26 april 1986 koelden de operators de kern onjuist af. Toen ze weer opstartten, schoot het water in stoomfase en ontstond een energiepiek. De regelstaven werden ingevoerd, waarbij de grafietpunten een tweede, rampzalige energiepiek veroorzaakten. De brandstofstaven barstten en de regelstaven zaten klem. Een stoomexplosie blies de kern open, waardoor zuurstofr binnenstroomde en een brand ontstond, die nucleair materiaal de lucht in pompte. Een tweede explosie – waarschijnlijk een kleine nucleaire ontploffing door de fusie van smeltende brandstof – vergrootte de hoeveelheid vrijkomend nucleair materiaal.

Miljoenen hectares land werden besmet met gevaarlijke niveaus radioactieve neerslag en vrijwel heel Europa kreeg te maken met fall-out. De ontwerpbeslissingen van een paar ingenieurs en de operationele fouten van een paar operators troffen miljoenen mensen.

In de discussie over eventuele herintroductie van kernenergiecentrales in Nederland is het goed om te beseffen dat fouten zoals boven omschreven natuurlijk nooit meer gemaakt worden.

De dames die bij ons logeerden werden geboren op zo’n 95 km van de plek van de ramp. Ze bezochten ons drie jaar na die catastrofe. In 1986 maakte Tsjernobyl nog deel van de Sovjet-Unie, vlak bij de grens met Wit-Rusland. De omgeving van Tsjernobyl en de dichstbijzijnde stad Pripjat zijn is na de ramp afgesloten vanwege de hoge radioactiviteit. Doordat er geen mensen meer wonen, heeft de natuur vrij spel. Zo is de omgeving een waar natuurgebied geworden, waar allerlei bijzondere flora en fauna te vinden is.

Het zou cynisch zijn om dit laatste feit als argument te gebruiken voor de herinvoering van atoomenergie. Zo van: als het fout gaat houd je in ieder geval een prachtig, van mensen verstookt, gebied over. Ik zal dit nooit hardop zeggen.

Moeten we terug naar kernenergie?

In het belang van de bomen zeg ik ja. Nou ja: bijna.

Jammer dat de uitvinding van een goedwerkende kernfusiecentrale zolang op zich laat wachten. Moeten we daarom de kernsplijting maar weer in overweging nemen? Kernenergie zou het in mijn ogen veel grotere kwaad van biomassacentrales en illegale bomenkap inderdaad aan banden kunnen leggen. Maar ja, de geschiedenis kent inmiddels vele voorbeelden van waar het fout ging met de op zich ingenieuze techniek van deling van zware onstabiele atoomkernen in lichtere kernen.

Ik bekeek de documentaire van Vicki Lesley genaamd ‘The Atom a Love Story’ en kwam net als de filmmaakster niet echt tot een conclusie of het goed is om deze evident gevaarlijke techniek weer toe te laten. De film behandelt dan ook een langlopend controversieel onderwerp. We beginnen met een clip van het soort van propagandafilm dat in de jaren ’50 van de vorige eeuw gebruikelijk was. Hierin wordt een reactionair en volkomen kritiekloos standpunt verwoord. Gelukkig zijn velen die naïviteit te boven gekomen. Het doet denken aan de sigarettenreclames van die tijd. Er valt alleen maar geluk en zelfs gezondheid van atoomsplitsing te verwachten.

Nucleaire energie werd idealistisch omarmd na de oorlog als onderdeel van onze gloedvolle technologische toekomst maar daarna vrij snel verworpen met het nieuws van verschrikkelijke ongelukken. De gedeeltelijke meltdown bij Three Mile Island in de VS in 1979 was de eerste nucleaire catastrofe die massaal het nieuws haalde. Vlak voor dit ongeluk kwam er trouwens een film uit van James Bridges, genaamd The China Syndrome, die een drama in een kerncentrale als thema had. Deze werd achteraf geprezen als zijnde profetisch en zou een echt instument worden in het populariseren van het anti-nucleaire standpunt. Ik vind dat Vicki Lesley deze belangrijke film op z’n minst even had moeten benoemen.

Ecologische campagnevoerders, vooral in Nederland en West Duitsland, voerden de strijd aan tegen atoomenergie. Het Chernobyldrama in 1986 vervulde zelfs de meest fervente aanhangers van dit proces met angst en beven. En in 2011, net toen velen weer een beetje onverschillig of gelaten dreigden te worden, deed zich het ijzingwekkende incident voor bij Fukushima in Japan. Het levensgrote probleem van de klimaatopwarming werd ons echter ook steeds duidelijker. Dat zorgde ervoor dat de vraag of kerncentrales niet toch een uitkomst waren, werd heroverwogen. We moesten de vervuilende fossiele brandstoffen tenslotte te lijf.

Er is dit verschil: de klimaatcrisis is een ramp in slowmotion terwijl Three Mile Island, Chernobyl en Fukushima het publiek heel helder voor ogen staan. Er is echter nog iets dat ons heel erg bezighoudt en dat zijn de broeikasgassen. Als we die nou heel erg kunnen terugdringen met één zo’n centrale en daarmee ook nog alle lelijk in het zicht staande windmolens en zonneakkers kunnen vervangen? Verder is er het argument dat we door schade en schande wijs zijn geworden. Wetenschappers hebben de techniek nu meer onder de knie dan toen. We worden steeds deskundiger, dus voorzichtiger.

Het vergroten van de veiligheid van de nucleaire techniek is misschien wat al te theoretisch. Het moet in de praktijk worden bewezen maar of atoomenergie die kans nog ooit zal krijgen. Kan een belofte voor de toekomst objectief worden afgewogen tegen de klimaatramp die zich op dit moment voltrekt? Voorlopig lijkt onze liefdesaffaire met nucleaire energie over. Dan rest ons het aflopend huwelijk met fossiele energie en de veel te voorzichtige verkering met hernieuwbare bronnen. Er spatten gewoon te weinig vonken af van onze groene projecten waardoor we snel met een energietekort zullen kampen. Dan wordt er weer gekeken naar houtstook als oplossing. Ik zie veel kale plekken voor me waar ooit prachtige bomen stonden.

Lesley geeft het laatste woord aan de gepassioneerde en overtuigde anti-kernenergie activist Ralph Nader, maar dat wil niet zeggen dat haar film zich op dezelfde manier uitspreekt. Ik ben er ook nog niet uit. Jammer hoor, dat kernfusie zolang op zich laat wachten.

Aanschouw het tweespletenexperiment

En raak verslingerd aan de kwantummechanica.

Althans, dat zou je hopen. De waarheid is dat de meesten het allemaal te moeilijk vinden en hun heil zoeken bij gemakkelijke oplossingen. Ze willen snelle antwoorden op hun vragen. Die verschaffen de leveranciers van Desinformatie, Onzin en Misleiding hen graag.

Mag er geen ruimte zijn voor twijfel? Moet alles meteen worden verklaard? Kan, zolang de wetenschap nog geen eensluidende, afdoende verklaring heeft gevonden, de vraag niet openblijven en terugkomen in talloze hypothesen die zorgvuldig getest worden aan en in de werkelijkheid?

Voor ongeduldige betweters zijn er talloze sites beschikbaar waar ‘blaters’ vanuit hun benauwende bubbels met veel aplomb quasi bevredigende schijnoplossingen bieden. Ik schaar ze onder het anagram ‘DOM’ en schrijf rustig verder op dit blog dat door een handjevol mensen wordt gelezen.

Zie hieronder hoe het staat met de staat van het wetenschappelijk onderzoek in de kwantummechanica. Fysici zijn niet eenduidig in hun voorspellingen ten aanzien van de realiteit die zij onderzoeken. Dat pleit voor hun vasthouden aan de wetenschappelijke methode waarin het gebruikelijk is om te proberen de bestaande hypothese te weerleggen en die door nieuwe onderzoeksvragen te vervangen.

Dat noem ik de bescheidenheid van de wetenschap. Een stelling die (nog) niet bewezen is, dient als uitgangspunt voor een experiment of voor een gerichte waarneming. Ongeacht de hoeveelheid aanwijzingen die de hypothese steunen, is één, reproduceerbaar, negatief uitvallend experiment voldoende om de hypothese te falsifiëren (onderuit te halen).

Dat is de bedoeling. Een wetenschappelijke hypothese moet falsifieerbaar zijn: er moeten experimenten of gerichte waarnemingen denkbaar zijn die de hypothese zouden falsifiëren als de uitkomsten van dat experiment de hypothese weerspreken. Voor diverse hypothesen is de wetenschap niet ver genoeg gevorderd om experimenteel volledig uitsluitsel te kunnen geven over het wetenschappelijke waarheidsgehalte van de hypothesen.

In dat geval zal de wetenschapper zich extra bescheiden opstellen. Zijn ‘hypothese’ komt dan het meest in de buurt van wat in het dagelijks spraakgebruik gebezigd wordt in de zin van ‘veronderstelling, aanname’. Nooit zal een echte wetenschapper beweren dat hij de waarheid in pacht heeft als die niet kan worden aangetoond. Daarom bestaan er in de kwantummechanica juist zoveel voorstellen van mogelijke verklaringen voor de fenomenen die worden waargenomen.

Met deze professionele opstelling staat het aplomb van de meute in schril contrast. Een algemene theorie ontstaat niet zomaar, die moet consistent zijn met alle beschikbare data en met andere al bestaande theorieën. Geen enkele wetenschapper houdt vast aan wat door de werkelijkheid wordt weersproken.

Opbouw van het interferentiepatroon in de tijd bij het tweespletenexperiment uitgevoerd met elektronen.

Het gelijksoortigheidsbeginsel:

Behandel Homeopathie als alle andere vormen van kwakzalverij.

Sommige mensen geloven alleen al in homeopathie omdat de behandelmethode zo enorm lang bestaat. Dan moet het wel werken, schijnt hun voorbarige redenering te zijn. Homeopathie is een tweehonderd jaar oude therapie gebaseerd op pseudowetenschappelijke ideeën, ontworpen door de Duitse arts Samuel Hahnemann (1755 – 1843).

Hahnemann formuleerde drie onzinnige ‘natuurwetten’. Zo veronderstelde hij dat ziekten worden veroorzaakt door een verstoring van de ‘levenskracht’ in de mens, een gedateerd en vaag begrip. Zijn behandeling vatte hij samen in de Latijnse slagzin similia similibus curentur, of wel: men moet het gelijkende met het gelijksoortige behandelen (het gelijksoortigheidsbeginsel). In de woorden van Hahnemann: “Kies om snel en zeker te genezen een middel dat een soortgelijke aandoening kan veroorzaken als die het genezen moet.”

Hahnemann slikte allerlei stoffen (vaak merkwaardige, zoals fijngewreven honingbijen, gemalen oesterschelp en geroosterde badspons voor de luchtwegen). In zijn zogenaamde geneesmiddelenproeven bracht hij de optredende verschijnselen in kaart. Hij hield van al die middelen de symptomen bij. Van sommigen, zoals kamille, wolfskers, zwavel en inktvis tekende hij honderden verschillende symptomen op waar hij last van kreeg. Vertoon je één van die ziektesymptomen, redeneerde hij, dan is direct duidelijk welke stof moet worden ingenomen om te genezen.

Van suggestie of placeboverschijnselen, laat staan van dubbelblind gecontroleerd onderzoek, had men in Hahnemanns tijd nog niet gehoord. Homeopaten maken bij het zoeken naar het juiste, gelijkende middel nog altijd gebruik van Hahnemanns beeldenbijbel De Organon, een verzameling van tien dikke boekdelen waarvan de eerste editie dateert van 1810. Deze bijbel is later in eigen homeopatenkring in Duitsland fel bekritiseerd en onderuit gehaald.

De Duitse homeopathische arts Fritz Donner werkte lang als chef-‘arts’ in de homeopathische universiteitskliniek in Berlijn. Hij deed in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw vergelijkbare ‘symptomen’-observaties als Hahnemann en concludeerde op basis daarvan – met pijn in het hart, liet hij later weten – dat vermeende resultaten vooral aan een placebo-effect moeten worden toegeschreven. “Uiteindelijk was het resultaat dat de geneesmiddelleer in werkelijkheid in hoge mate dubieus is, hetgeen de vooraanstaande homeopaten niet weten of eenvoudigweg niet tot zich kunnen of willen laten doordringen”, schrijft Donner in een van zijn beroemd geworden brieven aan collega-homeopaten. 

De grote homeopathische hersenkronkel is verdunning. Het genezende vermogen van een stof berust niet op een materieel (chemisch of fysisch) proces, maar op een immateriële, geestelijke kracht, aldus het homeopathische gedachtegoed. Deze kracht moet door schudden worden vrijgemaakt waarbij het middel tegelijkertijd wordt verdund. Hoe vaker geschud en verdund des te sterker de geneeskracht zou zijn.

Verdunnen gebeurt met behulp van alcohol, meestal in stappen van 1 : 10, of 1 : 100. Bij elke stap wordt het middel een voorgeschreven aantal malen zodanig geschud dat het glas telkens tegen een enigszins elastische ondergrond stoot, waarbij dus een schok door de vloeistof gaat. Onoplosbare stoffen worden in de verhouding 1 : 10 of 1 : 100 langdurig gemengd met melksuiker. Dit verdunningsproces – waarbij de geneeskracht dus toeneemt met het afnemen van de hoeveelheid stof – noemt men potentiëren; door deze homeopathische bereiding ontstaan zogeheten potenties.

De verdunningsgraad wordt aangegeven met een letter en een getal. Chamomilla D6 staat bijvoorbeeld voor zes keer geschud en in stappen van 1 : 10 verdund kamille-sap; omgerekend een miljoen maal verdunning. Pyrogenium C12 is 12 keer geschud, een verdunning eindigend in talloze nullen. In hogere potenties (D24 of C12 en hoger) zitten er bijna tot geen moleculen van de oorspronkelijke stof meer in het middel. C30 is een veel gebruikte verdunning in de homeopathie: daar zit dus geen enkele molecuul meer van de oorspronkelijke stof in. Voor homeopaten is dit geen reden om aan de geneeskracht te twijfelen omdat aan ‘genezen’ immers geen materie te pas komt, geloven ze. Moderne homeopaten hebben moeite met dit concept van ‘geestelijke geneeskracht’ en spreken liever van ‘energetische processen’ die overigens ook niet met conventionele middelen zijn te meten.

Veel homeopaten vinden vaccinatie van besmettelijke (kinder)ziekten, zoals opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), vaak niet nodig. Met name klassiek homeopaten haten vaccins. Eén van de homeopathische stokpaardjes is het gebruik van sterk verdunde en geschudde middelen voor of na vaccinatie ter preventie van het zogeheten ‘post-vaccinaal syndroom’. Sommige homeopaten duiden hiermee een verzameling uiteenlopende acute en chronische klachten aan, die voorkomen na een vaccinatie. Een kind zal echter vrijwel altijd één van deze klachten vertonen, of het nu gevaccineerd is of niet. Het wetenschappelijke bewijs voor het bestaan van het post-vaccinaal syndroom is nooit geleverd.

Er zijn meer homeopathische excessen. Zo zijn er therapeuten die menen met homeopathische spoelmiddelen (Cease-therapie genoemd) autisme te kunnen bestrijden. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft in 2013 deze artsen gewaarschuwd. In 2016 heeft de Reclame Code Commissie (RCC) gezondheidsclaims van enkele Cease-therapeuten verboden.  

Homeopathie lijkt – na 200 jaar – zijn langste tijd te hebben gehad. Het aantal homeopathische artsen neemt de laatste jaren geleidelijk af. Ook het gebruik van homeopathische middelen en deelname aan homeopathische cursussen/opleidingen zijn op hun retour. De wetenschap heeft de afgelopen jaren een duit in het zakje gedaan. Er zijn dikke rapporten verschenen met als belangrijkste conclusie dat homeopathische middelen niet werken. De Australische National Health and Medical Research Council (NHMRC), tegenhanger van de Nederlandse Gezondheidsraad, heeft een uitgebreide literatuuranalyse gepubliceerd met als belangrijkste finale conclusie dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs is dat homeopathie werkt.

De Australische instanties hebben zich met hun rapport aangesloten bij eerdere bevindingen in Engeland. Een wetenschappelijke commissie van het Britse House of Commons concludeerde na een uitgebreide literatuuranalyse, dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs is voor de werking van homeopathische middelen. Reviewonderzoeken en meta-analyses geven aan dat homeopathische middelen niet beter werken dan placebo’s. De wetenschappelijke basis hierachter is simpel, schrijft de commissie: ‘Er kan geen wetenschappelijke verklaring zijn voor de homeopathische bewering dat ultraverdunde oplossingen zouden werken’.

Gezien de enorme commerciële belangen die de homeopathische illusie mede in stand houden, is het niet waarschijnlijk dat de homeopaten door welk onderzoek dan ook ooit zullen terugkomen op hun dwalingen. Tegen geldzucht helpt geen enkel middel.

Het mooiste college van het jaar

Met een prachtig speculatief laatste deel.

Vanuit de Royal Institution in London geeft Sean Carroll een geweldige voordracht die de huidige stand van Quatum Mechanics heel inzichtelijk maakt. Sean Carroll lijkt de pedagogische perfectie te bereiken in Quantum lezingen. Hij bewijst studenten, onderzoekers en amateurzoekers zoals ik een grote dienst met dergelijke overtuigende lessen.

Ri is onder andere bekend door het werk van Michael Faraday, waaraan professor Carroll refereert, en door de traditionele kerstlezingen, die ook op televisie worden uitgezonden en waarvan iedereen er natuurlijk al eens één heeft gezien.

Faradays kerstlezing van 1856.

Het werkt niet, maar het helpt wel

Zolang je de patiënt om de tuin leidt.

Hoe kunnen we verklaren dat alternatieve therapieën die geen biologische basis hebben, toch tot tevredenheid bij de gebruikers leiden?

Een benadering is de redenering die Steven Rose gebruikt in zijn boek The Concious Brain. Rose wijst op het feit dat er verschillende niveaus zijn waarop men een (biologisch) verschijnsel kan beschrijven en verklaren. Hij schetst een model waarin hij acht niveaus onderscheidt:

1. natuurkundig;
2. chemisch;
3. anatomisch-biochemisch;
4. fysiologisch (eenheden);
5. fysiologisch (systemen);
6. psychologisch;
7. sociaal-psychologisch;
8. maatschappelijk.


Een voorbeeld. Muziek kan beschreven worden door een natuurkundige in termen van trilling en toonhoogte, maar een muziekliefhebber zal muziek beschrijven zoals hij die ervaart, de ontroering die de muziek bij hem teweeg brengt. De natuurkundige en de muziekliefhebber beschrijven hetzelfde verschijnsel en hoewel de beschrijvingen niet van elkaar afgeleid kunnen worden, zijn beide legitiem.

Een voorbeeld uit het boek. Men evalueert het effect van behandelingen traditioneel op het anatomische-biochemisch niveau. In het geval van kanker kijkt men naar de uitkomst van een behandeling op de ontwikkeling van de tumor. Neem een vrouw met uitzaaiingen van borstkanker die behandeld wordt voor pijnklachten door botmetastasen. Een mogelijke behandeling is die met bifosfonaten. Daar wordt mee beoogd de osteoclasten te remmen. Het uiteindelijke doel van de behandeling is symptomatisch, pijnbestrijding. In termen van Rose: de behandeling is op niveau 3 (anatomisch-biochemisch), het effect is enerzijds ook op niveau 3, remming van osteoclasten, maar het uiteindelijk beoogde doel is minder pijn, en daarmee een beter welzijn, niveau 6, psychologisch. Er zijn nu drie mogelijkheden: (1) de osteoclasten worden geremd, de patiënt heeft minder pijn; (2) de remming van de osteoclasten is niet succesvol en de patient merkt ook verder geen effect van de behandeling; (3) er is geen remming van de osteoclasten – zoals blijkt uit een botscan – maar de patiënt heeft toch minder pijn en daarbij een wat beter welzijn.

De eerste situatie is uiteraard medisch gezien de meest wenselijke, maar het bewijs hiervoor is lastig en alleen mogelijk via dubbelblind gerandomiseerd onderzoek. De derde situatie is er een die omschreven kan worden als: ‘het werkt niet (op niveau 3, er is immers geen effect op anatomisch-biochemisch niveau), maar het helpt wel’ (de patiënt geeft aan minder pijn te voelen, voelt zich energieker, het psychologisch niveau 6). Het is aannemelijk dat in de reguliere geneeskunde deze situatie zich nogal eens voor zal doen. In dit verband wordt van een placebo-effect gesproken. Met een placebo-effect wordt meestal bedoeld dat de interventie gericht op niveau 3, maar daar niet werkzaam, een effect heeft op niveau 6, de patiënt rapporteert minder pijn en voelt zich beter.

Het debat over alternatieve behandelingen zou aan helderheid winnen als duidelijk wordt afgebakend over welk niveau de discussie gaat. Het is aan de hand van het model van Rose makkelijk in te zien dat met name veel van de discussies over het effect van alternatieve behandelwijzen heen en weer zwalken tussen verschillende niveaus.

Een ander voorbeeld uit het boek. Haaienkraakbeen is een belangrijk bestanddeel van het houtsmullerdieet. Er wordt een effect beoogd op het biochemisch niveau, haaienkraakbeen als angiogeneseremmer. Maar de werking is nog nooit aangetoond. De conclusie kan niet anders zijn dan dat er op het biochemisch niveau geen effect is. Er is wellicht een effect op het zesde niveau, de patiënt voelt zich wat beter, bijvoorbeeld doordat hij minder angstig is. Uiteraard is het daarbij voor de alternatieve arts nodig om de patiënt wijs te maken dat hij een middel in handen heeft dat een effect op de tumor heeft. Want zou hij zeggen wat hij eigenlijk zou moeten doen: ‘Van mijn behandeling met haaienkraakbeen is nog nooit aangetoond dat het een effect heeft op de tumor. Maar omdat u denkt dat het misschien wel zo is voelt u zich wellicht wat beter’, dan helpt deze alternatieve arts zijn eigen behandeling om zeep.

Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme

Het placebo-effect wordt duur betaald.

Laat deze zin even goed tot je doordringen: ‘Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme dat verder gaat dan het placebo-effect is aangetoond voor alternatieve medische therapieën.’

Deze bewering, op deze manier geformuleerd, is terug te vinden in de volgende wetenschappelijke uitgaven:

  1. Edzard Ernst, Alternative Medicine: A Critical Assessment of 150 Modalities. Springer (2019), “Chapter 2: Why evidence?”. ISBN 9783030126018.
  2. Moyad MA. (2002). The placebo effect and randomized trials: analysis of alternative medicine.. Urol Clin North Am. 29 (1): 135–x. DOI: 10.1016/s0094-0143(02)00039-3

Woorden van gelijke strekking zijn door talloze wetenschappers nog talloze malen herhaald. Zij kwamen tot deze conclusie na gedegen onderzoek.

Alternatieve geneeswijzen worden ook wel complementaire geneeswijzen genoemd. Ik vind dat als taaljongen een veel te verzachtende term. ‘Geneeswijzen’ bevalt me ook niet. De termen “alternatief”, “complementair” en “geneeswijze” kunnen maar beter niet worden gebruikt, omdat deze de indruk kunnen geven dat deze behandelwijzen een alternatief of aanvulling kunnen vormen of ook werkelijk tot genezing kunnen leiden. Dat is bewezen niet zo. De KNMG, de Nederlandse artsenfederatie, spreekt van niet-reguliere behandelwijzen. Dat lijkt me een betere aanduiding.

De Nederlandse regering heeft in 1983 de Gezondheidsraad om advies gevraagd over gebruik van de termen. De daarvoor door de Gezondheidsraad geïnstalleerde commissie volgde de Commissie Muntendam in het gebruik van de termen “regulier” en “alternatief”. De commissie wilde echter niet spreken over “alternatieve geneeswijzen”, maar koos voor de neutralere aanduiding alternatieve behandelwijzen, vanwege het ontbreken van bewijs voor “genezing”. Dat was wat mij betreft een gezond besluit.

Na invoering van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865), die het domein van de reguliere geneeskunde afbakende en voorbehield aan artsen, werd er pas een onderscheid gemaakt tussen reguliere en alternatieve behandelingen. Ook na invoering van de wet werden naast de reguliere geneeskunde alternatieve behandelingen toegepast. In deze periode bestonden deze alternatieve behandelingen uit bijvoorbeeld fytotherapie en homeopathie, en aan het eind van de negentiende eeuw ontstond er een hausse aan de later verboden patentmiddelen.

In 1973 kwam in Nederland de Staatscommissie Medische Beroepsuitoefening (‘Commissie Muntendam’) met het voorstel van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, de Wet BIG. Deze werd uiteindelijk in 1999 van kracht. De Wet BIG komt erop neer dat sinds de vervanging van de Wet Uitoefening Geneeskunst (1865) door de Wet BIG iedereen geneeskunde mag bedrijven. Er zijn wel zgn. voorbehouden handelingen, die alleen door medisch geschoold personeel mogen worden gedaan. Voor Nederland zijn deze “voorbehouden handelingen”: heelkundige handelingen, verloskundige handelingen, endoscopieën, katheterisaties, injecties, puncties; narcose, het gebruik van radioactieve stoffen en ioniserende straling, cardioversie, defibrillatie, elektroconvulsietherapie, niersteenvergruizing en kunstmatige fertilisatie.

Alternatieve therapeuten kunnen in Nederland lid worden van een beroepsorganisatie, en bij elke beroepsvereniging is er de verplichting om lid te zijn van een organisatie die een klachtenregeling en/of tuchtrecht kan verzorgen. De overheid laat de beroepsverenigingen van alternatieve geneeswijzen vrij in het bepalen van hun opleidings- en kwaliteitseisen. Dat vind ik jammer.

In 2016 is in Nederland daarnaast de Wet op de Kwaliteit en Geschillen in de Zorg (Wkkgz) van kracht geworden, op grond waarvan de positie van alternatieve zorgverleners is veranderd, indien zij voldoen aan de door de wet gestelde kwaliteitscriteria, die ook gelden voor reguliere zorgverleners en behandelaars. De wet beoogt onder andere een betere en snellere aanpak van klachten, het overhevelen van de klachtenprocedures naar een externe Klachtenfunctionaris en een Geschillencommissie, en het veilig kunnen melden van incidenten. Dat vind ik een goede ontwikkeling.

In de Europese Unie wordt het Europees Parlement geconfronteerd met een tegenstrijdige toestand, waarin een behandelaar die in het ene land officieel erkend wordt, in een ander land van de Europese Gemeenschap aangeklaagd kan worden voor het onwettig uitoefenen van geneeskunde. Dit is in strijd met het Verdrag van Rome. In 1997 is ‘Het Statuut van de niet-conventionele Geneeswijzen’ aangenomen. Het Europees Parlement vraagt daarin aan de Commissie zich in te spannen voor de verdere erkenning van de niet-conventionele geneeswijzen. Dat vind ik jammer. Er staat ook in dat erkenning pas komt als de werking bewezen is. Gelukkig maar. Dat zou logischerwijze moeten betekenen dat verdere erkenning er nooit van komt.

Op initiatief van de Europese Unie hebben onderzoekers in de COST (European Cooperation in the field of Science and Technology) B4 samenwerking het wetenschappelijk werk omtrent de niet-conventionele geneeswijzen verzameld. Het eindrapport van COST B4 zegt dat er onvoldoende bewijs van werking is, maar ook dat het mogelijk is om de al dan niet optredende werking van alternatieve geneeswijzen te testen met wetenschappelijk gangbare methodes. Dat sprak de beweringen tegen dat “conventionele wetenschap” voor alternatieve geneeswijzen niet toepasbaar is. Ik zeg: laat conventionele wetenschap maar los op alternatieve geneeswijzen. De conclusie zal altijd zijn (en ik herhaal de bovenstande zin):

‘Geen wetenschappelijk aannemelijk werkingsmechanisme dat verder gaat dan het placebo-effect is aangetoond voor alternatieve medische therapieën.’

Alternatieve geneeswijzen worden soms, en vooral door skeptici, afgedaan als onwetenschappelijk en benoemd als ‘kwakzalverij’. Ik sluit mij aan bij deze benaming. De Hoge Raad der Nederlanden stelde in 2009 vast dat de medische wereld een behandeling als kwakzalverij beschouwt wanneer, zonder dat daar wetenschappelijk bewijs voor is, gesteld wordt dat iets kan genezen. Iemand die behandelt met alternatieve geneeswijzen, mag in Nederland een kwakzalver genoemd worden, maar dat kan juridische gevolgen hebben. De rechter kan dus ingrijpen als je iemand ten onrechte voor kwakzalver en leugenaar uitmaakt. Dat is bij mijn weten nog maar één keer gebeurd. Ik ben erg benieuwd naar de juriprudentie van de toekomst. Misschien had De Vereniging tegen Kwakzalverij in 2002, in de zaak van Hans Houtsmuller niet in één adem de woorden kwakzalver en leugenaar moeten gebruiken. Wat mij betreft zijn ze ten onrechte veroordeeld.

Gelukkig blijft BIG-registratie voorbehouden aan beoefenaren die een daartoe aangewezen medisch, zoals artsen, of een paramedisch beroep beoefenen. Negentig procent van de beoefenaars die bij een beroepsvereniging voor alternatieve geneeswijzen staat ingeschreven, heeft geen arts-diploma.

Een klein deel van de reguliere artsen in Nederland studeert verder in alternatieve richtingen zoals homeopathie, chiropraxie, manuele therapie, antroposofie, osteopathie of acupunctuur. Dat acht ik een slechte ontwikkeling. Zo’n huisarts zou ik niet willen hebben. In Nederland vertegenwoordigen de alternatieve artsenverenigingen ongeveer 1000 artsen (1,2 % van het aantal in Nederland geregistreerde artsen). Het aantal therapeuten zonder artsenopleiding ligt hoger.

Ik vind dat het handelen van artsen een wetenschappelijk fundament moet hebben en dat artsen dienen te handelen volgens de evidence-based richtlijnen. Ik onderschrijf de KNMG in een gedragsregel dat “de arts zich moet richten naar het best beschikbare wetenschappelijke bewijs, gecombineerd met klinische ervaring en rekening houdend met de wensen, verwachtingen en ervaringen van de patiënt”. De arts zal niet voorbij gaan aan reguliere behandelingen, mag geen valse hoop op genezing geven en moet zorgen dat de patiënt geen schade oploopt. Ook dient de arts oog te hebben voor het bredere welzijn van de patiënt.

Ik vind het bijzonder prettig dat in de Nederlandse verplichte basiszorgverzekering geen dekking van alternatieve geneeskunde is opgenomen. Dat vrijwel alle zorgverzekeraars dit wel aanbieden in hun aanvullende verzekeringen is dan wel weer spijtig. De eerste verzekeraar die niet meedoet aan deze onzin mag op mij als klant rekenen.

Pseudowetenschap

Pseudowetenschap is een reeks ideeën gebaseerd op theorieën die als wetenschappelijk naar voren worden gebracht maar die in werkelijkheid niet wetenschappelijk zijn.

Wetenschappelijke theorieën worden gekenmerkt door onder meer het feit dat ze
(a) gebaseerd zijn op empirische waarnemingen en niet op het gezag van een of andere religieuze tekst;
(b) een aantal empirische fenomenen verklaren;
(c) empirisch getest zijn op een betekenisvolle manier, doorgaans door specifieke voorspellingen op basis van de theorie te testen;
(d) door empirische testen of door nieuwe feiten bevestigd worden of als onjuist worden beschouwd;
(e) onpersoonlijk zijn en daardoor door om het even wie, ongeacht het persoonlijke religieuze of metafysische geloof, kunnen worden getest;
(f) dynamisch en productief zijn, waarbij ze de onderzoekers leiden naar nieuwe kennis en begrip in de natuurlijke wereld in plaats van statisch en stilstaand waardoor geen enkel onderzoek of ontwikkeling mogelijk is; en
(g) met skepticisme worden benaderd en niet met lichtgelovigheid, vooral wat betreft paranormale of bovennatuurlijke krachten, en die feilbaar zijn en als hypothese naar voren worden gebracht eerder dan dogmatisch en onfeilbaar voor te stellen.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën zijn gebaseerd op een gezaghebbende tekst en niet op waarnemingen of empirisch onderzoek. Creationisten bijvoorbeeld doen enkel waarnemingen om onfeilbare dogma’s te bevestigen, niet om de waarheid over de natuurlijke wereld te ontdekken. Dergelijke theorieën zijn statisch en leiden niet tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen of tot een verbetering van ons inzicht in de natuurlijke wereld.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verklaren wat niet-gelovigen niet eens kunnen waarnemen, bv. orgonische energie.

Sommige theorieën kunnen niet worden getest omdat ze niet stroken met de stand van zaken in de empirische wereld, bv. de engramtheorie van L. Ron Hubbard.

Sommige pseudowetenschappelijk theorieën kunnen niet worden getest omdat ze zo vaag en rekbaar zijn dat om het even welk relevant ding kan passen in de theorie, bv. het enneagram, iriscopie, de theorie over meervoudige persoonlijkheden, de Myers-Briggs Type Indicator®, de theorieën achter vele New Age psychotherapieën, en reflexologie.

Sommige theorieën werden empirisch getest maar werden onjuist bevonden of vereisen diverse ad hoc-hypotheses om ze in stand te houden, bv. astrologie, bioritme, ondersteunde communicatie, plant perception en ESP. Ondanks het klaarblijkelijk onoverkomelijke bewijs van het tegendeel van de theorieën, geven de aanhangers ervan niet op.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën steunen op mythes en legendes uit de oudheid en niet op fysiek bewijs, zelfs wanneer de interpretatie van die legendes een geloof vereist dat in tegenstrijd is met de gekende natuurwetten of met bewezen feiten, bv. de theorie van Velikovsky, von Däniken en Sitchin.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën steunen op het selectief gebruik van anekdotes, intuïtie, en voorbeelden van bevestigende gevallen, bv. antropometrie, aromatherapie, craniometrie, grafologie, metoposcopie, personologie en fysiognomiek.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verwarren metafysische beweringen met empirische beweringen, bv. de theorieën van acupunctuur, alchemie, cellular memory, Lysenkoism, natuurgeneeswijze, reiki, rolfing, therapeutische aanraking en Ayurvedische geneeskunde.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verwarren niet alleen metafysische beweringen met empirische beweringen, maar houden ook vast aan meningen die in tegenspraak zijn met gekende wetenschappelijke wetten en maken daarbij gebruik van ad hoc-hypotheses om hun geloof uit te leggen, bv. homeopathie.

Pseudowetenschappers beweren dat hun theorieën gebaseerd zijn op empirisch bewijs, en ze maken daarbij soms zelfs gebruik van wetenschappelijke methodes. Maar vaak hebben ze een onvoldoende kennis van een beheerst experiment. Vele pseudowetenschappers scheppen er genoegen in om de consistentie van hun theorieën met gekende feiten of voorspelde resultaten aan te tonen, maar vergeten daarbij dat dergelijke consistentie nog geen bewijs is. Dat een goede wetenschappelijke theorie consistent is met de feiten is een noodzakelijke voorwaarde maar is op zich niet voldoende. Een theorie die door de feiten wordt tegengesproken is uiteraard geen goede wetenschappelijke theorie, maar een theorie die wel consistent is met de feiten is niet noodzakelijk een goede theorie. De waarheid van de hypothese dat de pest te wijten is aan kwade geesten kan bijvoorbeeld niet worden vastgesteld door de juistheid van de conclusie dat je de ziekte kunt vermijden door buiten het bereik te blijven van de kwade geesten.