Het voormalige gedicht R/r

Op de rug van vuile zwanen is het moeizaam vliegen.

Voordat René Stoute een verhalenbundel schreef met een meeslepende titel, scheen hij een onverschillig stuk vreten dat bietsend en gappend door de hoofdstad zwierf. Dit vertelde mij een oud klasgenoot uit de provincie die ook naar Mokum was verhuisd. De mannen waren geen vrienden, wel lotgenoten, twee grachtengordeljunks met schrijfaspiraties. (De klasgenoot beweert te zijn afgekickt. Zijn writersblock bleek onherstelbaar.)

Ik leefde in Amsterdam in dezelfde periode als zij. Ik verbleef ook veel op straat. Mijn klasgenoot kwam ik regelmatig tegen. Hij versperde mij de weg omdat hij iets belangrijks had te melden. Het kwam er altijd op neer dat hij geld van mij wilde. Stoute zag ik nooit. Hij ziet er bleek uit op een foto uit die tijd die ik op internet vond. In levende lijve is hij voor mij onzichtbaar gebleven. ‘Maar is dat laatste niet juist het kenmerk van zulke jongens?’ probeert de klasgenoot.

Het gedicht R/r is ontstaan nadat ik had gelezen van de geslachtsverandering van schrijver en dichter René Stoute. Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied.

De tweede regel van mijn gedicht bevat een verwijzing naar de titel van haar debuut; de verhalenbundel ‘Op de rug van vuile zwanen’. Het werk kwam uit in 1982. De schrijfster zou vanaf toen nog ruim tien jaar als man door het leven moeten.

Niet alleen de titel sprak me aan, ook het boek deed me veel indertijd, mede omdat ik in de beschreven periode zelf nogal zieltogend door Amsterdam zwierf. Ik voelde verwantschap met de junk die al schrijvend probeert zijn verslaving te boven te komen. Het vervolg is voorspelbaar en dramatisch.

In 1991 bracht de schrijver zijn behoefte aan travestie aan het licht achter een, bewust transparant gehouden, façade van fictie. Terzelfdertijd kwam Maarten ‘t Hart met een soortgelijke boodschap. Die was niet zozeer in literatuur vervat maar werd veel openlijker uitgedragen. Ik vroeg mij af of diens belijdenis eerder een provocatie was dan een daadwerkelijk verlangen om gekleed te gaan als lid van de andere sekse. Het antwoord doet er niet toe. Feit is dat alle media-aandacht zich richtte op de in, weinig modieuze, vrouwenkleding uitgedoste ‘t Hart. Waarschijnlijk vanwege zijn grotere bekendheid als publieksschrijver. Ik gun hem die aandacht. Hij is een groot schrijver. Zijn uitdossing was allesbehalve glamoureus. Een dragqueen leek hij zeker niet. Maar ook dat doet niet ter zake. Wat ik mij nu afvraag is of een soortgelijke aandacht iets voor Stoute had kunnen betekenen. Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?

De gendertransformatie die Renate niet lang daarna onderging verliep allesbehalve gemakkelijk. Het schrijven wilde ook niet meer zo. Het lichaam van de schrijfster werd herinnerd aan een slopend drugsverleden middels opspelende leverkwalen. Ook stress was een constante factor. Een combinatie van problemen werd de schrijfster fataal. René heeft een veel te kort bestaan als Renate mogen doorbrengen.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied. Zij verdient dan ook meer dan mijn ene gedichtje.

Soms is het triest dat je werk niet wordt opgepikt zoals je voor ogen stond. Vaker is zo’n misverstand alleen maar lachwekkend. Doorgaans ook best wel begrijpelijk. Ik heb onderstaand gedicht indertijd opgestuurd om mee te doen aan Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. Ik was blij dat ik met mijn bescheiden eerbetoon de eerste ronde haalde en minder opgetogen dat het niet terechtkwam in de selectie van de laatste 100 (dan wordt het opgenomen in een verzamelbundel). Mijn uitverkoring voor althans die eerste schifting had als voordeel dat het gedicht van een kort commentaar werd voorzien door een vakjury. Men had er het volgende over te zeggen:

‘Het begin is sterk, met de Niels Holgersson-achtige beschrijving, daarna wordt het cryptisch en onhelder. Concentreer je op een beeld en werk dat uit.’

Ik had een tamelijk helder beeld van de door Amsterdam zwervende junk toen ik het schreef. Zoals ik boven al suggereerde heeft het indertijd niet veel gescheeld of ik was zelf in het drugscircuit terecht gekomen. Het moet een worsteling geweest zijn voor Stoute om daarvan afgekickt verslag uit te brengen. De verhalen die hij bij De Arbeiderspers inleverde dienden dan ook ingrijpend geredigeerd te worden.

Ook ik kon wel wat redactieadviezen gebruiken indertijd. Zo had ik wat mannelijke persoonsvormen door vrouwelijke moeten vervangen. Ik had ieder misverstand over mijn onderwerp kunnen wegnemen door in de titel gewoon de man en de vrouw bij naam te noemen. Die veranderingen heb ik onderstaand doorgevoerd:

René / Renate (over R. Stoute)


Haar neus nog vol van wat hij had gedaan
– hij had op zwanenruggen meegevlogen –
werden de uren gram voor gram gewogen
waarin zij leerde op zichzelf te staan.

Zijn laatste boek ging over spijt
van wonden die tot bloedens toe genezen,
verdriet dat hangt rond ieder afscheid
en ‘t heft in eigen hand dat zich laat vrezen.

Zoveel uitleg deed de geest geen goed.
‘t Verleden dat zij trachtte te verdrijven
kon hij zo nuchter niet beschrijven
of ‘t kroop haar toch weer in het bloed.


Schrijver: Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Naschrift:
Zoals wij weten speelt Nils Holgersson de hoofdrol in een kinderboek van Selma Lagerlöf. Ik wist van dit jochie alleen maar dat hij voor straf was omgetoverd in een duimgroot wezen. Ik geloof wel dat ik het kinderboek vroeger bezat maar verhalen over kleine mensen schoof ik altijd meteen aan de kant.

Op wikipedia leerde ik dat Nils zijn lot een beetje had verdiend. Hij had namelijk een kabouter gevangen genomen en geweigerd hem vrij te laten. Nils was sowieso een nogal naar wezentje voordat hij uitvloog. Bijna alle wezens op de boerderij waar hij woonde maakten kennis met zijn sadistische trekjes. Toen hij er in slaagde om mee te vliegen op de rug van zwanen en hij zijn woonplaats dus achter zich kon laten leek iedereen blij dat hij weg was. Voor hem begon er een leerzaam en louterend avontuur.

Toen ik op zoek ging naar wat meer informatie over de titel van Stoutes’ boek, en dan met name het feit dat ‘zijn’ zwanen vuil zijn, werd er, ter verklaring, op sommige plaatsen ook naar een versregel van Paul van Ostaijen verwezen. ‘t Is grappig om te lezen dat veel mediabronnen elkaar wat dit betreft napraten maar dat niemand de gewraakte regel ook daadwerkelijk kan citeren. Die is er dan ook niet.

Wij hebben, volgens mij, geen sprookjes nodig, noch citaten uit het werk van Ostaijen, om ‘Op de rug van vuile zwanen’ te verklaren. De titel verwijst naar het bestaan als heroïne-junk dat Stoute tot zijn 27ste heeft geleid. Zowel de ‘zwanen’ als het ‘vuile’ ervan worden met dat gegeven afdoende verklaard.

De mislukte levitatie van de beeld-bel-boeddha

Hoe een eerste online yogales maar niet van de grond kwam.

De vriendin liet een schermfoto zien van zichzelf in kleermakerszit. Ze was de eerste die zich had aangemeld voor de videobijeenkomst. Een nieuwe ervaring voor zowel de yogalerares als de deelnemers. De vriendin oogde fris en verwachtingsvol. Buiten was het kil en miezerig maar vandaag kon zij zich de fietstocht naar het andere dorp besparen. Ideaal. Als alles werkte tenminste.

Haar foto prijkte in het midden van het scherm. Daar zouden vast en zeker nog andere gezichten bijkomen. Zes deelnemers hadden geopteerd voor yoga op afstand. Tien anderen prefereerden een les als vanouds. Dat mocht ook natuurlijk. Er was nog geen totale lockdown afgekondigd. Waar de lessen normaal werden gegeven, waren een paar technische veranderingen doorgevoerd, die de verbinding met de thuisblijvers tot stand moest brengen.

Verwachtingsvol wachtend tot zich andere yogi’s zouden melden voor de yoga ‘vergadering’ bleef het helaas angstvallig stil.

De lerares had een computerjongen uit het dorp in de hand genomen. Zijzelf wist naar eigen zeggen ‘net iets meer van internet dan een digibeet’. Ze zag al weken de noodzaak in van online gaan met haar lessen, maar had er ‘tegenaan gehikt’ en het almaar uitgesteld. De slimme jongen verzekerde haar dat het absoluut niet ging om ‘rocket science’. Gewoon een kwestie van een paar webcams ophangen en een videobelprogramma installeren dat ook alle deelnemers thuis op hun pc, tablet of mobieltje moesten ‘hebben’.

De vriendin stuurde een foto van zichzelf. Ik kon hieruit niet afleiden om welk programma het ging. Zij wist ook niet meer wat ze had moeten installeren voor deze ‘vergadering’. We moesten beiden lachen om dat woord. En wat dat programma betrof: ‘Hangouts’ zou wel leuk zijn ivm de associatie met zweven, bedacht ik me. Je leerling hoopvol laten hangen in het luchtledige. Maar het ging waarschijnlijk om Microsoft Teams. ‘Wat maakt het uit’, schreef ze terecht, ‘van mijn kant werkt het en ik zit er helemaal klaar voor.’

Het zou een eenzame contemplatieoefening worden. Deze zelfmeditatie werd lang na aanvang van de normale lestijd onderbroken door de lerares die appte dat ze er niet uitkwam. Was de handige jongen dan niet aanwezig? Nee, die zat rond deze tijd gewoon op school. Het bleek trouwens om een neefje van haar te gaan. Hij had wel een paar instructies voor haar opgeschreven, voor het geval het onverhoopt toch niet zou lukken allemaal, maar die kon ze, bij nader inzien, niet ontcijferen.

‘Volgende week nog maar eens proberen’ schreef ze onvermurwbaar. Ze moest nu door met de ‘echte deelnemers’. De mensen van vlees en bloed zeg maar.


De winterconciërge is weer in het land

Helaas kun je een film maar één keer op die ene manier beleven.

Welke film, dat deed er niet toe. Het ging om onze prille, wederzijdse gevoelens. Inez en ik hadden eigenlijk alleen de beschutting nodig van een bioscoopzaal. Een goed verhaal was mooi meegenomen. Toch konden we een hoop verdragen. Als ze ons maar met rust lieten.

Nou ja, zo klef waren we nu ook weer niet dat een zitplaats op de achterste rij, een beker popcorn en het schemerdonker, volstonden. Op een doordeweekse avond in een provinciestadje had je helaas slechts de keuze uit een film of drie. Dus legden we ons neer bij The Shining. Horror was niet echt ons ‘ding’.

Het hielp dat de leuningen van de stoelen in de bioscoop konden worden opgeklapt en dat de film al vanaf de negende minuut enge passages bevatte. Eng voor Inez althans, dat wilde zeggen: gunstig voor mij. De schoolvriendin kroop bij die eerste onheilspellende scènes wat dichter tegen mij aan. Het griezelige plot zou zich daarna gestadig ontspinnen. Voor mij was de film al geslaagd.

Met wie was het zoontje Danny aan het praten in z’n eentje? Met zijn imaginaire vriendje? Zijn ongecontroleerd bewegende vinger leek bezield. Er stak een zware grafstem in. Een geest uit het verleden? Zijn Likkepot klonk akelig bezeten. Kinderen met ingebeelde spookverschijnselen, het zou een bekend horrormotief worden.

De familie Torrance moest zich toen nog begeven naar het leegstaande Overlook Hotel, waar ze in de winter de egards gingen waarnemen en waar vader Jack zou proberen de rust te vinden om als schrijver zijn writersblock te overwinnen. Dat zou nog moeilijk worden.

Voordat Jack de klus van conciërge aanvaardde, legde de eigenaar uit wat er met de vorige beheerders was gebeurd. Dat mocht je opvatten als een bloederige vooruitwijzing. We begrepen als kijkers dat de vorige bewoners onze wintergasten, over hun graf heen, nog vaak gingen lastigvallen.

De telepathische gave van het zoontje Danny viel bij mij, als overtuigd niet-spiritueel, bijzonder slecht. Een jongetje dat beelden van gebeurtenissen uit het verleden kan oproepen en die met anderen communiceert die ook ‘The Shine’ hebben? Ik had er slechts een afkeurend gesis voor over. Uitgerekend Inez, die van angst hele stukken van het verhaal zou gaan missen, legde mij het zwijgen op.

“Stil nou, het is maar een verhaal.”

Dat bleek een uitstekend argument. Ik moest juist blij zijn dat de film, door gebruikmaking van welke middelen dan ook, volledig slaagde in z’n opzet. Inez leek er volkomen in op te gaan, al durfde ze regelmatig niet te kijken.

“Wat gebeurt er nu?” zou ze – met haar gezicht in mijn kraag of daaromtrent- nog vaak aan mij vragen. Ik werd een soort van beeldvertaler voor een blinde:

“Er klotst nu bloed uit de deuren van de hotellift.”

De (inmiddels beruchte) identiek geklede tweelingzusjes kwamen ook al vroeg in beeld, plotseling opduikend maar roerloos stilstaand in perfecte slagorde. In de labyrintische hotelgangen van het desolate hotel, met op de achtergrond dat snerpende synthesizergeluid van Wendy Carlos, bleken ze een probaat middel om kijkers de stuipen op het lijf te jagen. Maar ik had mijn plicht te vervullen. Ik had Inez’ angsten op mijn revers geprikt als een medaille voor onverschrokkenheid. Ik mocht me niet te druk maken.

Ik merkte aan haar hoe een mens binnen een mum van tijd klassiek geconditioneerd raakt. Het volstond om de camera heel langzaam door de gangen te bewegen zonder dat er feitelijk iets gebeurde. Die muziek alleen al. Ik zat op het puntje van m’n stoel terwijl Inez haar gezicht verder in mijn borst begroef. Ter hoogte van mijn hart zeg maar, dat nog nooit zo hard had geklopt om zoveel opwindende redenen.

Graag werd ik door haar angst en beven tot het einde toe in mijn mannelijkheid bevestigd. Die traditionele rol van onaangeroerde beschermer werd me bijna te machtig. Toen de getormenteerde Jack met zijn bijl op de deur van de badkamer begon te beuken, waar zijn vrouw zich doodsbenauwd voor hem verschool (‘Here is Johnny’), moest ik zelf even wegkijken.

Het was duidelijk, in z’n genre deed de film het beter dan voorbeeldig. Schrijver Stephen King mocht het dan niks vinden, omdat het verhaal wat al te losjes omging met zijn oorspronkelijke roman, maar The Shining kon – aangepast op essentiële punten om nog meer te ‘shinen’ – niet anders dan één van de beroemdste horrorklassiekers worden.

Ik had het voordeel ontdekt van huiveringwekkende verhaallijnen. De bijna ondraaglijke spanning in gruwelvoorstellingen was een uitstekend middel om meisjes te troosten. Niet dat die situatie zich na Inez nog eenmaal voordeed in mijn leven. Jammer maar helaas. In al de veertig jaar sinds de première heb ik deze film alleen nog in m’n eentje bekeken.

The Shining bestaat inderdaad veertig jaar en om dat te gedenken draaien de bioscopen momenteel de ‘extended edition’. Deze duurt 23 minuten langer dan de indertijd voor de internationale markt gemonteerde versie van bijna twee uur. Drie-en-twintig minuten langer met een kalverliefje aan mijn zijde, het zou me absoluut niet gaan vervelen. Maar inmiddels zijn we allemaal ouder en filmwijzer geworden.

Ik heb de film gedurende al die decennia een paar keer bekeken en begrijp er inmiddels iets meer van. Het is mij verder duidelijk dat verschillende uitleggers er verschillende dingen in willen zien en dat er dus controverse bestaat over de verklaring van scènes die inmiddels zo’n beetje museumstukken zijn geworden. Er is dus ook de nodige verwarring bijgekomen.

Sommigen wijzen op de cryptische boodschappen die regisseur Kubrick in deze film heeft gestopt uit schuldbesef over het feit dat hij het publiek zou hebben bedot met nepbeelden die hij maakte in opdracht van de NASA. Verborgen lagen, je kunt er een hele documentaire aan wijden, en dat is dan ook gedaan (zie Room 237 van Jay Weidner).

Heeft Kubrick het niet eigenlijk over de Holocaust, vragen sommigen zich af. Of worden we stiekem bestookt met subliminale reclametechnieken? Subteksten, vergaande veronderstellingen, academische hypotheses. Vaak diepere betekenissen dan wat de regisseur heeft willen zeggen. Eenmaal in roulatie gebracht, schijnt een film al niet meer van de maker te zijn.

Ook ik heb mij The Shining een beetje toegeëigend. Maar niet om er eigen speculaties op los te laten. Ik koester er de hierboven beschreven herinnering aan. Ben ik één van de weinigen die, bij de eerste keer kijken, niet heeft gerild van angst maar van begeerte? De speling van het lot wil dat Inez nu in Amerika woont alwaar ze een B&B runt met Troy, haar derde man. Ze bezitten drie kinderen en een hond genaamd Jack.

Limburgse dagen (de Griek in Vaals)

Naar de Griek in Vaals met de zusjes en zwagers van M – inclusief haar achterneefje Stijn, dat bij oma Lillian logeert – waarom ging ik dat zo lang uit de weg?

Zij van het restaurant vormen ook een familie, dat zie ik aan de neuzen, de ogen, de serveermotoriek. Ik zie het aan de mama (‘patrino’ in het Grieks) in een zwart gewaad van het fijnste kant en een zilveren kruis op haar borst.

Ze doet niet veel anders dan heen en weer schuifelen tussen de keuken en de bar. Ze schijnt zich met niets meer te bemoeien maar ziet natuurlijk alles. Ze monitort de afrekeningen.

Zou de ‘godfather’ van deze clan nog leven? Ik hunker naar zo’n positie. Pater familias zijn van een grillvleessyndicaat – nee, geen duistere maffiazaakjes daarnaast – die met vanzelfsprekend leiderschap de boel de boel laat.

Het scheelt dat de zusjes en zwagers van M hier goede klanten zijn. De coronaregels ten spijt, wordt er vriendschappelijk op schouders geklopt. De ouzo’s staan al klaar, nog voor wij plaats nemen.

Ook aan de kleine is gedacht. Hij krijgt een kinderaperitiefje waarvoor hij zich even losmaakt van de nek van zijn oma. Hij heeft vandaag als pluche variant zijn giraffe meegebracht. Wij zijn nog steeds vriendjes maar zou ik zijn beest met rust kunnen laten en geen ‘Dikkertje Dap’ willen zingen?

Bij en met de liefste familie van Limburg om niet te zeggen Nederland. Waar, na de vlaai, eveneens een eerlijk stuk vlees werd geserveerd.

Ik breng een toast uit op de familie. M heeft mij vandaag haar (groot)ouderlijk huis laten zien, waar ze vanzelfsprekend geluk heeft gekend. Ze toonde mij ook haar, door nonnen geregeerd, gymnasium, waar ze nooit kon aarden, maar hele hoge cijfers haalde.

Er worden nieuwe ouzo’s neergezet.

Hier mag iedereen druk zijn aan tafel, mits men de pikorde respecteert. Gesticuleren en argumenteren vormt de ware saus op de eiwitten. Niet teveel denkkracht ten toon spreiden. Ook niet te snedig willen zijn. Alleen maar ontzettend sociaal.

Theo, de opa van Stijn, schenkt mij zijn tweede drankje. Hij moet nog rijden.

Ik zet mijn vegetarische principes gedurende deze dagen aan de kant en bestel een Troje-schotel. Dat plateau bevat zoveel vlees dat het niet op één bord past. De extra bouwstoffen doen de beenspieren goed.

M en ik zijn vandaag helemaal naar Kelmis gewandeld in België waar de huizen oerlelijk bleken want door geen enkel bouwvoorschrift gehinderd. Maar de bewoners waren bijzonder behulpzaam, of ze nu Duits, Waals of Vlaams spraken. Wij vroegen de weg naar een oude zinkmijn. Die we overigens nooit hebben gevonden.

Ellen schuift haar tweede ouzo in mijn richting. Zij bestuurt de andere auto.

Wat zou ik graag de Griek zijn van dit dorp. De leverancier van een eerlijk stuk vlees aan hardwerkende autochtonen en immer tevreden (want op vakantie zijnde) toeristen. Ik zou er nooit helemaal bij horen en toch gemist worden als ik er niet was. Dat is mij in de tien jaar dat ik in Limburg woonde nooit gelukt.

Troje heet de zaak, dus niet Het Paard van Troje. Ik zit daar steeds aan te denken, ik weet niet waarom. Misschien zag ik mijzelf wel als zo’n paard in M’s familie. Maar ik heb me bedacht, al mijn aanvankelijk verzet is in de kiem gesmoord.

Jo schenkt mij de hele avond bij. De glazen zijn zomaar veranderd in tinnen kruikjes zonder bodem. We worden drinkebroers. Ik geef mij over. Deze Limburgse tak is mij lief.

Ik heb zin om heel hard ‘ouzo’ te roepen à la ‘Banzai’ van Japanse kamikazepiloten. Of ik dit voornemen heb uitgevoerd weet ik niet meer. M vertelde samenvattend dat ik aanwezig was.

We gaan voldaan in een kleine colonne huiswaarts. Er bevinden zich kinderzitjes in beide auto’s. Er passen maar drie volwassenen in één auto. Iedereen hier zorgt voor kleinkinderen. Er groeit een nieuwe tak aan de stamboom. Die de intensieve veehouderij weer nieuwe diensten zal bewijzen. Zoals ik hier, vanavond, in het Vaalser Troje.

PS: Een trouwe lezeres laat mij het volgende weten: ‘De vader van de Trojefamilie was er meestal. Men laat hem nu echter thuis want zijn warriger wordende amicaliteit werd de familie iets te gênant.’

Limburgse dagen (de mooiste tocht sinds tijden)

Je sterft niet zomaar op een motor; eerst word je herboren.

Zodra ik plaats heb genomen op de motor van Jo, de zwager van M., schiet mij een anekdote te binnen over Theo Koomen, een radiojournalist bij de NOS die lange tijd verslag deed van de Ronde van Frankrijk. Ook hij zat achterop een motor. De man was ongebreideld enthousiast en vond altijd woorden voor wat er om hem heen gebeurde. Toch kon hij soms niet op de naam van een renner komen. Om zichzelf zoektijd te geven verzon hij een excuus om de verbinding te verbreken. Hij zei zoiets als: “Beste luisteraars, ik val even weg want we gaan nu door een tunneltje.”

Eerst gebruikte ik de schouders van mijn gids om mij aan vast te houden. Later ontdekte ik de greepjes bij het zadel.

Ik zit voor het eerst van mijn leven op een motor. Achterop of voorop, ik wist het vervoermiddel altijd te mijden. De ervaring bleef mij bespaard als gevolg van een aantal lang gekoesterde vooroordelen. Ten eerste had ik het idee dat mijn benen te kort waren voor zo’n ding. Dit bleek aantoonbaar onzinnig. Toen ik er beter op ging letten zag ik voldoende rijders van mijn lengte die niet omvielen voor het stoplicht.

Ten tweede associeerde ik motors met motorbendes. Die jongens mochten elkaar dan begroeten bij het passeren, het bleven onaangepaste vrijbuiters die geen belasting betaalden. Ook hier bleek ik over ‘bias’ te beschikken. Niemand met een nummerplaat blijft onzichtbaar voor de fiscus.

Ten derde leek het mij volkomen bewezen dat motorrijders meer snelheidsovertredingen begaan dan welke andere weggebruikers dan ook. Dat kan waar zijn maar hoe zit het met de ongelukken die zij veroorzaken? Statistieken van het CBS erbij. Oeps, mijn derde vooroordeel wordt een hardnekkige. De cijfers laten zien dat een motorrijder ‘dertig keer meer kans [heeft] op een dodelijk ongeval per afgelegde kilometer’. Maar of dat altijd door te hard rijden komt?

Afwezigheid van airbag, gordel en kooiconstructie doen hun werk. En dan nog het evenwicht. Motoren vallen makkelijker om dan een auto (afdoende beenlengte ten spijt). Door een drempel of een steentje op de weg kan er al een ongelukje of zwaar ongeval ontstaan, ‘terwijl er ook nog eens een auto overheen kan rijden’ (bij dit laatste had ik niet stilgestaan. Het CBS maakt mij wijzer dan ik wil!). Ik vrees dat mijn derde vooroordeel, door verdere verdieping, van inhoud verandert, maar niet wordt weggepoetst. Motors zijn gewoon gevaarlijk.

Mijn vierde en laatste bezwaar betreft het lawaai dat ze maken. Ook daaraan zal ik nooit wennen. Op een terras in Thailand bedacht ik dat het geluid van deze voertuigen zich niet goed verhoudt tot het aantal personen dat ermee wordt vervoerd. Ik zag daar veel motorrijders met vrouw en kind achterop en soms nog wat kroost in een zijspan. Tegenover dergelijke taferelen stond ik sympathieker dan tegenover jongemannen die hun motor gebruikten om in geronk te zeggen waartoe het verstand niet bij machte was.

Mochten er bij mij nog bezwaren bestaan tegen de motor, dan zijn ze op deze eerste rit behoorlijk bedwongen. Ik begrijp nu wat de charme is. De vrijheid, het avontuur, de beleving van het landschap. De beweging die je echt aan den lijve voelt door rijwind en dat ronkende geval tussen je benen. Alle vooringenomenheden blijken waar! Je leeft van seconde tot seconde onder het rijden. Je maakt dingen veel bewuster mee dan in een ‘kooi van Faraday’.

Jo is een ervaren ‘biker’ die in alle situaties zijn rust en wijsheid behoudt (deze eigenschappen zijn beslist uitbreidbaar tot voorbij zijn hoedanigheid als motorbestuurder). Ik werd wel stil toen we een groepje wielrenners passeerden die nogal breed over de weg uitwaaierden. Van de andere kant stormde een auto aan. Ik twijfelde even aan mijn gids, de goede afloop en de life-uitzending. Ik sloot m’n ogen en bedacht mij een tunneltje zonder licht aan het einde. Daarna weer dat prachtige heuvellandschap.

De ironie van het lot wil dat Theo Koomen, die zo vaak op de motor zat tijdens wielerritten, stierf door een auto-ongeval, nadat hij de voetbalwedstrijd FC TwenteMVV had verslagen.

Limburgse dagen (Moresnet)

Een identiteit die vaak werd omgesmolten. ‘Als een klompje zinkerst.’

Ik zal bescheiden blijven. Ik ben op zoek naar een verhaal in een gebied waarover het beste essay allang is geschreven. Verder moet ik er voor waken dat ik mezelf niet overgeef aan de troostende illusie van een betekeninsvolle ervaring. Toeval blijft toeval, onder alle omstandigheden. De dag waarop M. en ik Moresnet bezoeken blijkt ook de datum waarop, in 1914, Duitsland er binnenviel en dit kleine gebied beroofde van haar neutrale status. Dat is slechts één van de vele gebeurtenissen waarmee het stuk grond met een oppervlakte van amper 344 hectare te maken kreeg.

Bij de eerste bezetting van je land door een vreemde mogendheid wordt de vaderlandsliefde meestal nog aangewakkerd. Maar stel nu dat je ergens woont waar de nationaliteitswisselingen zo snel gaan dat je nooit het gevoel hebt dat je ergens bij hoort. Bestaat er een betere remedie tegen patriottisme, nationalisme of chauvisnisme? Wat dat aangaat zou je iedereen een dergelijke ontheemdheid gunnen. Gedurende mijn verblijf in Limburg herlees ik een boekje genaamd ‘Zink’ van David van Reybrouck. Hij voert Joseph Rixen op. Deze man heeft in zijn leven vijf nationaliteitswisselingen gekend zonder ooit te zijn verhuisd.

Neutraal Moresnet, officieel Het Onverdeelde Gebied van Moresnet, was van 1816 tot 1920 een neutraal gebied met een oppervlakte van amper 344 hectare dat toebehoorde aan zowel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (vanaf de onafhankelijkheid aan de nieuwe staat België) als aan Pruisen (vanaf 1871 Duitsland). Het gebied, in de vorm van een stompe driehoek, lag ten zuiden van de Vaalserberg en reikte tot aan de hoofdweg van Aken naar Luik. (Bron: Wikipedia)

Zijn moeder is een dienstmeisje bij een fabriekseigenaar in Düsseldorf van wie ze zwanger raakt en die haar daarom verstoot. Ze komt in 1902 in Neutraal Moresnet terecht dat de reputatie heeft een plek te zijn waar je problemen geheim blijven. Ze brengt haar zoon tegen betaling onder bij een pleeggezin. De jongen wordt speelbal van de bewogen geschiedenis van het ministaatje, dat verder bekendheid verwerft als zinkexporteur, belastingparadijs, smokkelvrijplaats, gokoord en potentiële ‘Esperantostaat’.

De jonge Joseph, verwekt in Pruisen, geboren in neutraal gebied, woont sinds 1915 voor de volgende drie jaar in het westelijk deel van het Duitse keizerrijk. Na de wapenstilstand in 1918 wordt Brussel zijn hoofdstad; hij is pas vijftien en al aan zijn derde nationaliteit toe. Na zijn dienstplicht in het Belgische leger, trouwt Joseph met Jeanne Lafèbre, afkomstig uit Tilburg. Tussen 1934 en 1950 worden elf kinderen geboren, negen zonen en twee dochters. Ze wonen in Kelmis, waar hij bakker is.

In mei 1940 valt Hitler België binnen en annexeert het voormalige Neutraal Moresnet. Inwoners krijgen de Duitse nationaliteit en moeten onder de Wehrmacht gaan dienen. Het nazibestuur wil Jeanne eren met het ‘Ehrenkreuz der Deutsche Mutter’, hetgeen ze weigert. ‘Wat heeft zij als Nederlandse die naar België is verhuisd te maken met een Führer die beweert dat het gezin ‘het slagveld van de moeder’ is?’

In 1943, na de nederlaag bij Stalingrad, wordt Joseph ingelijfd bij de Wehrmacht; later deserteert hij. Na de bevrijding keert hij terug bij zijn gezin, maar wordt gearresteerd door een ondergrondse verzetsorganisatie. Niet als Belg, verdacht van collaboratie, maar als Duitser in dienst van de Wehrmacht.

Een prachtige zin uit het boek vat de geschiedenis van Joseph Rixen samen: “Zonder ooit in zijn leven te verhuizen is hij Neutraal geweest, rijksingezetene van het Duitse keizerrijk, inwoner van het koninkrijk België en staatsburger binnen het Derde Rijk. Voor hij wederom Belg zal worden, zijn vijfde nationaliteitswissel, wordt hij afgevoerd als Duits krijgsgevangene. Hij heeft geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn hem overgestoken.”

M. en ik staken de grens van Moresnet over bij het drielandenpunt van Vaals in het uiterste noorden. We deden dat zo onopvallend mogelijk want we wisten niet precies welke coronaregels er golden voor Nederlanders in België. Twee uur later arriveerden we in Kelmis. Het was ons inmiddels wel duidelijk dat er niet werd gecontroleerd op wat dan ook. Wat dat aangaat had het jaar 1850 kunnen zijn. Toen had Neutraal Moresnet slechts één wetsdienaar, de veldwachter, die niemand kon arresteren omdat het land geen gevangenis bezat.

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux,
Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très vieux,
Qui, de ses précepteurs méprisant les courbettes,
S’ennuie avec ses chiens comme avec d’autres bêtes.
Rien ne peut l’égayer, ni gibier, ni faucon,
Ni son peuple mourant en face du balcon.
Du bouffon favori la grotesque ballade
Ne distrait plus le front de ce cruel malade;
Son lit fleurdelisé se transforme en tombeau,
Et les dames d’atour, pour qui tout prince est beau,
Ne savent plus trouver d’impudique toilette
Pour tirer un souris de ce jeune squelette.
Le savant qui lui fait de l’or n’a jamais pu
De son être extirper l’élément corrompu,
Et dans ces bains de sang qui des Romains nous viennent,
Et dont sur leurs vieux jours les puissants se souviennent,
II n’a su réchauffer ce cadavre hébété
Où coule au lieu de sang l’eau verte du Léthé

(Spleen – Baudelaire)

Limburgse dagen (hello & goodbye)

Altijd op drift maar tenslotte toch rust; te vroeg en te onherroepelijk.

M. had me al vaker uitgenodigd om mee te gaan naar haar familie in Limburg. Haar zusjes en schoonbroers kende ik van haar verjaardagsfeestjes in Amsterdam, maar ik had ze nog nooit op eigen bodem bezocht. Bij die eerste ontmoetingen in de hoofdstad vond ik ze heel welwillend. Ze accepteerden de ‘man die zich niet wilde binden’. Er leek een principe van kracht: als M. mij zag zitten, was dat voor hen voldoende.

Na jaren waarin ik wegbleef van familiebezoek kon zo’n onthaal verdiend zijn, maar vanzelfsprekend vond ik het – mijzelf kennende – niet. Eén ding pleitte in mijn voordeel: door dit lange uitstel had ik bewezen dat de relatie met M. geen kortdurende affaire was. Een ontmoeting in Limburg werd steeds onvermijdelijker. Ook dat bevorderde hun gastvrijheid. Ze maakten de drempel laag. Hun warmte voelde authentiek. De deur zwaaide zo vanzelfsprekend voor mij open, dat ik me al bij voorbaat schaamde voor het moment waarop ze hun vergissing zouden inzien.

M. ging terug naar haar ‘wortels’, zoals ze vaker deed. Ditmaal onder begeleiding van een vriendje dat vrijheid boven verantwoordelijkheid stelde. Ik had meer dan tien jaar in Limburg gewoond maar zag deze trip niet als een terugkeer. Helaas voelde ook voor M. de thuiskomst ditmaal anders. Een bezoek aan haar hartsvriendin in Amsterdam, de dag voor ons vertrek, had haar de indruk gegeven dat het snel bergafwaarts ging. Ze vroeg zich af of ze niet in de buurt moest blijven voor als de toestand zou verslechteren.

Vijlen en Vaals voelen ver als je vriendin in haar laatste fase verkeert. M. wilde haar bijstaan. Met name de dochter, die veel zorg op zich nam, kon steun gebruiken. Maar deze reis naar Limburg stond gepland. En over het vluchtplan van degene die ons ging verlaten viel nooit iets te voorspellen. M. liet mij de plekken van haar jeugd zien. We zouden ook Moresnet bezoeken. M. liep er blind naartoe. Zo vaak ze deze tocht had ondernomen, zo ver scheen dat dichtstbijzijnde buitenland haar nu. Voor het eerst liet ze haar mobiel ook ’s nachts aanstaan.

Waar we ook heen gingen met onze gedachten, we maakten een paar prachtige wandelingen. Toen kwam het gevreesde bericht. Net voor het einde van onze korte vakantie. De vriendin was nog in leven maar niet meer te redden. We waren zo’n vier uur van haar verwijderd. De vraag of ze nog bij kennis zou zijn hing gedurende de hele terugreis in de lucht. Tijdens die treinrit staarden we wezenloos naar buiten of herhaalden dingen die we al wisten.

Dat zij – Spaans van geboorte – een vrouw leek van zes continenten. Dat ze zich misschien wel ergens thuis had willen voelen, maar dat het er nooit in had gezeten. Dat dit voornamelijk voortkwam uit relaties (ze verdiende geen prijs voor partnerkeuze). Ze had haar jonge gezin over de aarde gesleept in het belang van de liefde, maar nergens rust gevonden. En toch was ze steeds een voorbeeld geweest van hoe je alles uit het leven kunt halen.

Nergens rust gevonden, behalve straks misschien. De noodgedwongen rust aan het eind van een bewogen, koortsachtig, opwindend, passievol bestaan. Waar ook het beeld bij hoorde van ontworteling, waardoor je haar eufemistisch ‘ongebonden’ kon noemen. Als er één leven zonder thuis was. Geen vaste plek, alleen maar pleisterplaatsen. Een raar idee dat ze zo vroeg en zo onherroepelijk werd stilgezet.

Limburgse dagen (het jongetje)

‘Ik denk dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor mannen niet functioneert, biologisch gesproken.’ (Frank Koerselman)

“Oma, hoe heet dat jongetje?” vroeg Stijn, het achterneefje van M. dat bij haar tweelingzus Lilian logeerde. Ik ontmoette het ventje op de eerste vakantiedag in Limburg. M. en ik hadden ons net geïnstalleerd bij Ellen, haar jongste zus in Vijlen, waar we een aantal dagen zouden logeren. Misschien vond ik snel aansluiting bij het jongetje omdat hij ook uit Holland kwam. Als hij zijn Limburgse familie dialect hoorde ‘kallen’ durfde hij “Doe eens normaal” te roepen, wat ik, als verse gast en volwassene, natuurlijk niet moest proberen.

Later die week bezochten we zijn oma en opa in Simpelveld. Mijn band met Stijn was meteen weer dik in orde, maar al voordat we hun huis hadden verlaten voelde ik dat er een anekdote in de maak was. Het “Oma, hoe heet dat jongetje?” was nu “Oma, kan dat jongetje even z’n mond houden” geworden. De gretigheid waarmee M. het verhaal nu verbreidt, wijst, vermoed ik, op de behoefte aan het overbrengen van een boodschap, iets dat hoort bij humor.

Thuisgekomen neem ik de stapel NRC’s door om weer snel synchroon te lopen met het heden. In de krant van zaterdag stuit ik op ‘de vijfde aflevering van een reeks zomeravondgesprekken’. Het blijkt om een gedachtewisseling te gaan tussen Peter Buwalda (48) en Frank Koerselman (73). Het artikel begint met: ‘De nog altijd jongensachtige schrijver en de hooggeleerde psychiater vallen elkaar aan, incasseren rake klappen en hangen na drie uur allebei in de touwen.’

Thema van de woordenstrijd? Het einde van de mannelijke autoriteit. De mening van Koerselman had hij al eerder geventileerd in zijn pamflet ‘Ontvadering’. Daarin schetst hij de rampzalige gevolgen daarvan voor gezin en samenleving. Koerselman heeft de boeken van Buwalda zorgvuldig gelezen. Over ‘Otmars zonen’ zegt hij: ‘Ook in deze roman dondert de vader naar beneden en wint de vrouw […] door gebruik te maken van zijn zwakheden.’

Op zijn logeeradres in Simpelveld wilde Stijn me op een meer wijzen. Deze bevond zich achterin de tuin, die heel erg afliep. Ik daalde met hem mee naar dat laagste punt en zag een ingegraven teil vol kroos. “Nou Stijn, dat is wel een heel klein meer” zei ik “dat noem ik meer een afvoerputje.” Mijn realiteitszin stelde hem teleur, zodat ik snel iets opbeurends verzon. “Gelukkig zit de stop er nog in.”

Dat kon spannender, realiseerde ik me, zodat ik mijn hand in het water stak en de stop eruit trok. Met een slurpend geluid deed ik alsof de wereld door het putje werd opgeslurpt. Ik klom naar het huis op de heuvel maar rolde terug over het gazon. Al snel buitelde Stijn met mij mee. Totdat ik de stop weer op z’n plaats had geduwd. Eind goed, al goed. Boven, op het terras, vroegen de volwassenen zich af waarom wij zo’n lol hadden.

Aan schrijfwedstrijden meedoen

Een zeer goede vriend adviseert mij om wat vaker aan schrijfwedstrijden mee te doen. Dat is een goed idee. Ik word gewezen op een site die een overzicht geeft van alle aankomende wedstrijden. De eerste uitdaging die zich aandient vraagt om fictie in een genre waarin ik nog nooit iets heb geschreven.

Ik lees:

Welkom bij onze Haibun Wedstrijd 2020. Een haibun is een vorm van Japanse dichtkunst waarin zowel proza als poëzie aanwezig zijn. Een haibun hanteert beknopt maar beeldrijk proza waarin één of meer haiku’s zijn verwerkt. Het streven is om het proza en de poëzie in een spannende verhouding tot elkaar te laten staan, zodat de lezer nog een beetje moet nadenken over het verband’.

Ik schrijf onderstaand verhaal. Of het voor een ‘haibun’ kan doorgaan weet ik niet, dat moet de Haiku Kring Nederland maar bepalen die de wedstrijd organiseert. Ik stuur mijn verhaal ook door naar de zeer goede vriend. Deze adviseert mij om eerst mee te doen aan een wedstrijd in een ander genre.

Drie therapeutische haiku’s

Ik weet niet hoeveel vormen van creatieve dagbesteding er nodig waren om ons te genezen. En of dat eigenlijk wel de bedoeling was. Het ging er in eerste instantie om dat we onszelf zouden openen. Men sprak van veranderingsprocessen. Het bewerkstelligen van een vorm van acceptatie. De bereidheid om al knutselend je problemen te benoemen.

In elk geval werden we steeds bedrevener met materialen. Karton en vliegerpapier en papier-maché. Pottenbakkersklei en tufsteen. Kralen, schelpen, licht buigzaam koperdraad. En kurk natuurlijk. Ik was liever creatief met hout. Ik kon iets met een beitel. Dat stuk gereedschap werd mij echter niet zomaar toevertrouwd. Mijn tweede grote passie bleek de kunst van het boekbinden.

Er werden ook professionals van buiten aangesteld. Expressiecoaches, schilderconsultants, toneelgoeroes en andere creatieve therapeuten. Het was een zegen om te wonen in een land waarin er tijd en geld beschikbaar bleek voor zulke zorg. Maar wij waren niet vanzelfsprekend dankbaar. Het behoorde tot de groepsdynamiek om tegendraads te zijn. Alsof we nog op de middelbare school zaten. Tjardi dichtte:

Nee

Ik zeg nee tegen
alles wat te doen valt bui-
ten deze regel.

De helper van die dag noemde zich meester Oboe. Ik vond het iets te veel op een artiestennaam lijken. Het was alsof ik die eerder had gehoord, maar dan in een circus. Toch was Oboe een heuse zenmeester naar het scheen, een verwaaide monnik uit Nagasaki, daar geboren in augustus 1945 toen de stad net zwaar gebombardeerd was. Hij woonde al enige tijd in Europa. Hij kwam naar hier toen zijn land opnieuw door elkaar werd geschud. Hij woonde toen in Kobe.

De aardbeving had een kracht van 7 punt 2. Door dat natuurgeweld stierven er nauwelijks minder mensen dan door de vernietigingskracht van de atoombom. Eerst had de buik van zijn hoogzwangere moeder hem gered. Daarna de romp van een vliegtuig. Dat de haikumeester net Japan verliet toen twee continentale platen ruw over elkaar schoven noemde hij ‘geluk hebben’. Marianne schreef:

Gokje

De lottoballen
1 2 3 4 5 en 7
zijn niet gevallen.

We werden geen fantastische haikuschrijvers, maar meester Oboe hielp ons een eind op weg. ‘Houd het dicht bij jezelf’ adviseerde hij. Ik schreef:

Boekenwurm

Ooit kwam ik uit de
A gekropen. O staat al-
tijd voor mij open.

Natuurlijk weer zo’n semi-diepzinnige fuckwijsheid die won. Oeps, klinkt hier jaloezie door?

Alweer een boekpresentatie (2)

Er zijn van die filmfragmenten die je niet kunt ontlopen. Ik kijk zelden tv. Zondagavond zat ik klaar voor een bewuste confrontatie. Daarna was het mij weer duidelijk: geschiedenis is het verhaal van wat mensen mensen aandoen.

De boekpresentatie van M. vond de volgende dag plaats op zijn zeventigste verjaardag. Het werd een gezellig samenzijn. Ik ontmoette oud-dorpsgenoten van hem van minstens zijn leeftijd. M. las een verhaal voor uit zijn bundel en vertelde, in een bibberige speech, hoe hij ertoe was gekomen om zo’n ‘persoonlijk geïnterpreteerde geschiedenis’ te schrijven van zijn geboorteplaats, in de rol van ‘observerend ingewijde’.

Zijn werk zat vol intimiteit, ontboezemingen, prille jeugdervaringen, gevoelens, interpretaties, roddels, achterklap, karakterduiding, daderprofielen enzovoort.

Mocht ik willen weten waarom hij nu alweer in herhaling verviel – dat wilde ik niet, ik had mijn taak als eindredacteur erop zitten – dan was het omdat hij ‘best wel’ geëmotioneerd raakte van alle aandacht. Wat de aanleiding was voor de bundel over zijn gehucht, had ik hem, buiten het licht van schijnwerpers, beter horen verwoorden. Nu kwam het erop neer dat het ‘kwam omdat hij er vandaan kwam’.

De advocate wierp volgens sommigen een muur op rondom haar persoonlijke leven. Je kunt ook stellen dat ze ruimte vrijmaakte voor gewichtiger zaken. Die ze voortvarend voor het voetlicht bracht.

Ook de huidige burgermeester deed zijn zegje. Veel nog levende vedetten uit de stukjes waren present. Ik kende niemand persoonlijk maar had, al corrigerend, over iedereen gelezen. De meeste regionale beroemdheden die in het boek werden genoemd, waren verscheiden, maar het zaaltje was gevuld met nabestaanden. Ze bleken blij met publicatie (en met de bitterballen). Alles was goed zolang hun bloedverwanten postuum berucht bleven.

Zondag hoorde ik weinig tot niets over jeugd, relaties of drijfveren. De strafadvocate I.W. had in ‘Zomergasten’ een doelbewuste televisieavond samengesteld waarbij ze zichzelf zorgvuldig buiten beschouwing liet. Ze kwam met mooie fragmenten en zei verstandige dingen. Dat de kijker over haar persoonlijke leven nagenoeg niets te weten kwam, werd meer dan goedgemaakt.

Haar taalgebruik was minder langdradig dan in haar pleidooien. Haar boek ‘De jacht op het recht’ schijnt vol oeverloze zinnen te staan. De interviewster had het meegenomen, maar gelukkig werd er nauwelijks geciteerd. Waarom de zinnen zo lang waren, wilde Janine Abbring weten. De advocate mompelde dat ze niet van de straat was en dat ze veel Russische schrijvers had gelezen.

Zodra het over het waarom gaat van eigen pennenvruchten wil het woordgebruik nog weleens in de verdediging schieten. Over menselijke zwakheden in z’n algemeenheid deed W. opvallend aangename uitspraken. Tegenover groepsdruk en massahysterie, die de ‘meute’ verleiden tot ‘wraaksentimenten’, staat een individu dat anders wil en durft. Natuurlijk behoort W. tot de laatste categorie. In een onbedoelde, overtuigende, pleitrede bracht ze dat voor het voetlicht zonder iets over zichzelf te zeggen.

Dit zijn de aforismen uit haar mond die me bij zijn gebleven, of die ik later in tv-recenties heb gelezen: [Ik ben] ‘een kluizenaar buiten de wetenschap van velen die niet de neiging heeft om de eigen ingewanden op tafel te leggen voor inspectie’. / [Ik wil] ‘verdieping, geen emotionele blootheid’. / ‘Laat de puzzelstukjes maar gewoon liggen.’ / ‘Het mag wel wat minder met het exhibitionisme van emoties.’ / ‘Alles is tegenwoordig op stoeptegelniveau.’ / ‘Je kan niet langszappen of je bent beland in iemands binnenste.”

‘Ziehier de strenge man met het rode pennetje’, introduceerde M. mij bij K. die hij de ‘redacteur buitenboel’ noemde. Zowel de vormgever als ik kregen een gesigneerd exemplaar mee van zijn bundel. Ik ga die nogmaals grondig lezen. Volkomen voorbereid en autonoom. Hoe anderen hun dorp of ‘global village’ ook presenteren, je kijkt altijd naar de wereld met je eigen distantie en voorkennis.

‘Alles wat je ziet wordt gespiegeld aan wat je al weet’ om met de woorden van de strafadvocate te spreken.