In iedere taaluiting zingt een gedachte.

Elke gedachte speelt met de taal.

Je hebt een tekst geschreven en je voelt dat je nog niet klaar bent. Je wilt er van af zijn, het schrijven van teksten. Je lichaam wil het ook. Je rug doet zeer. Je hebt geen zitvlees meer. Dat zoeken naar de juiste woorden heeft nu wel lang genoeg geduurd. Je hebt een halve dag besteed aan wat een eenvoudig stukje moest worden.

Taal is, zeg maar, ook echt mijn ding, mevrouw Cornelisse. Met meneer Van Dale – die over de ‘bewerkingsvolgorde in wiskundige expressies’ schijnt te gaan – heb ik minder. Terwijl de Dikke Van Dale zo’n beetje mijn bijbel is. Ik noem mij Taaljongen. Ik wacht op antwoord.

Helaas kun je de tijd niet dwingen. Je schijnt ook niet in staat te zijn – althans niet vandaag – om je wil op te leggen aan de zinnen. Je leest je werk nog eens na en je weet dat er iets aan schort. De tekst heeft het niet. Je ziet het, je hoort het, het stukje kraakt in z’n voegen. Jammer maar waar: er loopt iets niet.

Ik houd van taal en ik weet er iets van.

De tegenzin die je bekruipt en andere emoties, omdat het schrijven maar niet wil lukken, zijn slechte raadgevers. Haast biedt niet de juiste

spanning om het werk naar tevredenheid te voltooien. Waar een wil is, kan toch de mogelijkheid ontbreken om er iets moois van te maken. Misschien is het dan tijd om de zaak uit handen te geven. Wellicht dat een ander, met meer schrijfervaring, je kan ondersteunen. Laat niet alle hoop varen, maar zoek op het juiste moment de juiste persoon om jou te helpen.